Nr. 07/11748 P Mr. Machielse Zitting 10 februari 2009 Conclusie inzake: [Betrokkene]
(2)De verdachte heeft het recht om rechtsmiddelen aan te wenden, maar het lijkt mij van een onevenwichtige benadering te getuigen wanneer de verlenging van de procedure vanwege een vernietiging van een uitspraak door een hogere rechter het tijdsverloop in die instantie in zijn geheel voor rekening van de autoriteiten brengt, ook als die vernietiging haar oorzaak vindt in een nietigverklaring van een oproeping in eerdere instantie. Even onevenwichtig zou het zijn om de tijd die gemoeid is met de afhandeling van een verworpen rechtsmiddel geheel op conto van de verdediging te schrijven. De autoriteiten hebben de plicht telkens wanneer een rechtsmiddel wordt aangewend met zodanige voortvarendheid te werk te gaan dat de redelijke termijn wordt gerespecteerd, ongeacht of het door verdachte ingestelde rechtsmiddel succes heeft. Tot welke strafvermindering schending van de redelijke termijn kan leiden is afhankelijk van de waardering en beoordeling van omstandigheden van feitelijke aard en onttrekt zich grotendeels aan controle door de cassatierechter. Naar mijn mening heeft het hof - gelet op hetgeen namens verdachte is aangevoerd - er geen blijk van gegeven een verkeerde maatstaf te hebben gehanteerd bij het vaststellen van de rechtsgevolgen die aan de schending van de redelijke termijn in deze zaak dienen te worden verbonden. Het middel faalt. 5.
- Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, nu op 22 november 2006 cassatieberoep is ingesteld en de stukken eerst op 25 oktober 2007 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Deze klacht is gegrond, waaraan ik nog toevoeg dat de Hoge Raad er niet in zal slagen binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep arrest te wijzen. 5.
- Omdat naar mijn mening het bestreden arrest dient te worden vernietigd wegens gegrondbevinding van het eerste middel zal de rechter die de zaak in hoger beroep alsnog zal hebben af te doen rekening moeten houden met de schending van de redelijke termijn, als de rechter toekomt aan het opleggen van een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Vgl. HR 18 december 2007, LJN BB
- 2 EHRM 17 december 2004, NJ 2005, 369 m.nt. EJD (Pedersen en Baadsgaard), §
- Zie ook HR 10 februari 1998, NJ 1998, 445.