07/11248 Mr L. Strikwerda Zt. 13 febr. 2009 conclusie inzake [Eiser] tegen [Verweerder] Edelhoogachtbaar College, 1. Inzet van deze zaak is de vraag of een door eiser tot cassatie gehuurde bedrijfsruimte is aan te merken als bedrijfsruimte als bedoeld in art. 7A:1624 (oud) BW. De vraag rijst in het kader van een tegen een advocaat ingestelde rechtsvordering tot schadevergoeding wegens het begaan van een beroepsfout. 2. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan, treft men aan in r.o. 1.1 t/m 1.7 van het tussenvonnis van de rechtbank van 16 maart 2005 (zie r.o. 2.1 van het arrest van het hof; zie ook r.o. 2.2.1 t/m 2.2.6 van het arrest van het hof). Zij komen op het volgende neer. (
(2007), nr. 256; H.J. Rossel, T&C Huurrecht, 3e dr. 2008, art. 7:290 BW, aant. 3; Kluwers Huurrecht, losbl., Art. 7:290 BW, aant. 31-38 (H.E.M. Vrolijk). 12. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 16 maart 2005 met betrekking tot de vraag of in het onderhavige geval is voldaan aan het bestemmingsvereiste, beslissend geacht hetgeen [eiser] en [betrokkene 1], mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, bij het sluiten van de huurovereenkomst omtrent het gebruik van het gehuurde voor ogen heeft gestaan. De rechtbank is derhalve van de juiste maatstaf uitgegaan. De rechtbank heeft evenwel aangegeven dat, nu tussen [eiser] en [betrokkene 1] sprake was van een mondelinge huurovereenkomst die nimmer op schrift is gesteld, ter beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval aan het bestemmingsvereiste is voldaan, moet worden onderzocht "wat het feitelijk gebruik en de aard van het gehuurde was" (r.o. 3.3). 13. Tegen dit oordeel van de rechtbank omtrent de nadere invulling van het bestemmingsvereiste in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een mondelinge huurovereenkomst die nimmer op schrift is gesteld, en tegen de door de rechtbank aan [eiser] op grond van deze invulling van het bestemmingsvereiste verstrekte bewijsopdracht is in hoger beroep geen grief aangevoerd, zodat het hof in beide opzichten aan het desbetreffende oordeel van de rechtbank gebonden was. 14. Het hof heeft - in r.o. 2.9 van zijn arrest - vooropgesteld dat partijen niet van mening verschillen over de karakterisering van het door [eiser] geëxploiteerde bouwbedrijf als ambachtsbedrijf in de zin van art. 7A:1624 lid 2 (oud) BW en aangegeven dit standpunt van partijen te onderschrijven. Naar het oordeel van het hof is echter, nu de getuigenverklaringen op dit punt geen concrete informatie bevatten, niet voldoende komen vast te staan dat de (ambachts)werkzaamheden ten behoeve van het bouwbedrijf van [eiser] in relevante mate in het gehuurde werden verricht. Op grond hiervan is het hof tot het oordeel gekomen dat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs dat hem was opgedragen. 15. Met zijn overweging dat niet voldoende is komen vast te staan dat de (ambachts)werkzaamheden ten behoeve van het bouwbedrijf van [eiser] in relevante mate in het gehuurde werden verricht, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat uit het feitelijk gebruik van het gehuurde niet kan worden afgeleid dat het gehuurde door [eiser] en [betrokkene 1] was bestemd om te worden gebruikt voor het ambachtsbedrijf van [eiser]. Daarmee heeft het hof toepassing gegeven aan de door de rechtbank gegeven - in hoger beroep niet bestreden - nadere invulling aan het bestemmingsvereiste in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een mondelinge huurovereenkomst die nimmer op schrift is gesteld. 16. Uit het vorenstaande volgt dat de onder (
- a)bedoelde klacht van het middel, die erop neerkomt dat het hof bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 (oud) BW, het bestemmingscriterium niet heeft toegepast, berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft het bestemmingscriterium wèl toegepast, zij het met de nadere invulling die de rechtbank daaraan - onbestreden in hoger beroep - had gegeven voor een geval als het onderhavige. De onder (
- a)bedoelde klacht kan derhalve wegens gebrek aan feitelijke grondslag geen doel treffen. 17. Ook de onder (
- b)bedoelde klacht van het middel berust naar mijn oordeel op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en zal derhalve, evenals de onder (
- a)bedoelde klacht, wegens gebrek aan feitelijke grondslag moeten falen. Het hof is, anders dan de klacht kennelijk wil betogen, bij zijn beoordeling van de vraag of [eiser] is geslaagd in de hem verstrekte bewijsopdracht niet direct overgegaan tot kwalificatie van de overeenkomst, zonder eerst te toetsen of [eiser] de feiten en omstandigheden die hij moest bewijzen, heeft bewezen. Het hof heeft, uitgaande van de door de rechtbank gegeven invulling aan het bestemmingscriterium, onderzocht of [eiser] in relevante mate ambachtswerkzaamheden ten behoeve van zijn bouwbedrijf in het gehuurde heeft verricht, en heeft geoordeeld dat zulks niet het geval is. Het hof heeft aan dit bewijsoordeel de conclusie verbonden dat van bestemming van het gehuurde voor de uitoefening van een ambachtsbedrijf geen sprake is en heeft derhalve bewijsopdracht en kwalificatie niet door elkaar gehaald. 18. De onder (
- c)bedoelde klacht van het middel berust op dezelfde gronden als de onder (
- a)en (
- b)bedoelde klachten en zal, nu deze gronden als ondeugdelijk moeten worden aangemerkt, het lot van die klachten moeten delen. 19. Aangezien de onder (a), (
- b)en (
- c)bedoelde klachten naar mijn oordeel tevergeefs zijn voorgesteld en het oordeel van het hof dat aan het bestemmingsvereiste van art. 7A:1624 lid 2 (oud) BW niet is voldaan, derhalve in cassatie stand kan houden, moet de onder (
- d)bedoelde klacht, die gericht is tegen 's hofs oordeel dat (ook) niet is voldaan aan het verkooppuntvereiste van art. 7A:1624 lid 2 (oud) BW, reeds falen wegens gebrek aan belang. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,