Nr. 07/11121 P Mr. Knigge Zitting: 10 maart 2009 Conclusie inzake: [Betrokkene]
(1)Ik neem daarbij in aanmerking dat de gewraakte verklaring (bewijsmiddel 9) over de hoeveelheid verkochte XTC-pillen, de basis vormt voor meer dan de helft van het wederrechtelijk verkregen bedrag, te weten € 13.300,-.
- In het middel wordt ten aanzien van de kosten een vergelijkbare klacht geuit. De raadsman heeft ter terechtzitting blijkens zijn pleitnota het volgende over de gemaakte onkosten opgemerkt: "Onkosten Hiervan {de berekening van de raadsman, AG} dienen nog onkosten worden afgetrokken. Uit het proces verbaal blijken de navolgende schulden: - Van [betrokkene 1] ad € 3.600,00 ([betrokkene 1] verklaart zelf zelfs over € 7.500,00); - Van [betrokkene 3]/[betrokkene 4] ad € 2.000,00; - Van [betrokkene 2] ad € 3.000,00 Totaal € 8.600,00 In het rapport van het OM wordt aangegeven dat deze onkosten in beginsel van de ontnemingsvordering moet worden afgetrokken, maar dat dit in casu niet zou gebeuren, omdat niet duidelijk zou zijn dat dit geld volledig drugsgerelateerd zou zijn. Het OM eet hier van twee walletjes door cliënt enerzijds niet te volgen in zijn stellingname betreft de hoeveelheden en de intensiteit van de handel, maar wel in zijn verklaring dat de betreffende leningen niet volledig drugsgerelateerd zou zijn. Er dient één lijn te worden getrokken. Daarom zouden deze leningen als onkosten moeten worden verrekend. In ieder geval zal terzake een gemiddelde moeten worden genomen. Het volledig buiten beschouwing laten ervan is onredelijk. Bovendien zijn als onkosten aan te merken de in beslag genomen 83 gram cocaïne. Dit is immers cocaïne die hij voor eigen gebruik heeft aangeschaft van de marge die hij behaalde bij de handel. Nu dit in beslag is genomen, heeft hij daarvan ook geen voordeel genoten. Dit komt neer op een bedrag van ad € 2.158,00 (83 gram x € 26,00). Tot slot constateer ik dat er conservatoir beslag is gelegd op € 1.750,
- Duidelijk wordt dat cliënt per saldo geen voordeel heeft genoten. --- Indien en voor geval uw Gerechtshof de verklaringen van [betrokkene 1] toch zou volgen, merk ik nog het volgende op. Volgens de verklaring van [betrokkene 1] zou er voor wat betreft de handel in Duitsland sprake zijn van 30.000 XTC pillen. De laatste maal is [betrokkene 1] evenwel in het ziekenhuis terecht gekomen, terwijl hij volledig geript zou zijn. Het gaat in zodanig geval derhalve niet om 30.000, maar 10.000 minder, namelijk 20.000 XTC pillen. Voor wat betreft de prijs per XTC pil dient in ieder geval één lijn met de rest te worden getrokken, zeker ook omdat [betrokkene 1] aangeeft het niet precies te weten en zich terzake ook tegenspreekt. De stuksprijs van € 4,00 per pil is niet juist, nu [betrokkene 1] verklaart in grote hoeveelheden te hebben verkocht. Bij [betrokkene 4]/[betrokkene 3] wordt dit onderscheid wel gemaakt. Tot slot dienen voor zodanig geval nog extra onkosten te worden verrekend, te weten: - 10.000 XTC pillen x € 0.62 = € 6.200,00 - 150 gram cocaine x € 26,00 = € 3.900,00 - 500 gram speed x € 1,50 = € 750,00 - 4,5 kg hash = +/-€ 13.500,00 Totaal € 24.350,00 Dit zijn immers de kosten die cliënt - mogen we [betrokkene 1] geloven - zou hebben gemaakt voor de laatste trip van [betrokkene 1] naar Duitsland, echter waarvan cliënt niets heeft teruggezien. Primair: verhaal van [betrokkene 1] buiten beschouwing + onkosten Subsidiair: stel verhaal [betrokkene 1] wel meegenomen? Extra onkosten meenemen."
- In HR 5 februari 2008, NJ 2008, 288 m.nt. Borgers staat in r.o 3.3.: "Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Wanneer evenwel, zoals in het onderhavige geval, door of namens de veroordeelde gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter in zijn uitspraak tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden, maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de veroordeelde dienen te blijven. Uit de onderliggende uitspraak blijkt niet waarom het Hof geen rekening heeft gehouden met de aangevoerde kosten. Op grond van deze omstandigheid is de beslissing onvoldoende met redenen omkleed (zie in dit verband onder meer HR 30 oktober 2002, NJ 2002, 124, alsmede HR 3 oktober 2006, NJ 2006, 550)."
- De raadsman heeft onder meer gemotiveerd naar voren gebracht dat veroordeelde nog schulden heeft uitstaan bij zijn afnemers en dat er op geld en cocaïne beslag is gelegd. Het Hof heeft daaromtrent niets opgemerkt. Het Hof heeft derhalve in het midden gelaten of deze kosten niet aannemelijk zijn, of dat het Hof van oordeel is dat deze kosten niet in relatie staan met het delict, of dat er omstandigheden zijn die maken dat die kosten voor rekening van veroordeelde moeten blijven. Ook dit gedeelte van het middel slaagt.
- Het eerste middel slaagt in beide onderdelen.
- Het tweede middel klaagt (hoewel daarin een koppeling wordt gelegd met het gedane verzoek om stukken met betrekking tot de strafzaak tegen [betrokkene 1] aan het dossier toe te voegen) naar ik meen te moeten begrijpen over de afwijzing van het Hof om [betrokkene 1] als getuige te horen.
- De onduidelijkheid van het middel is mede het gevolg van een onduidelijkheid in de zaak zelf. Ook na herhaalde lezing van het proces-verbaal van de terechtzitting en de pleitnota van de raadsman, heb ik niet een verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen, kunnen ontwaren. Ook de Advocaat-Generaal heeft omtrent een verzoek om deze getuige te horen geen standpunt ingenomen. Daar staat tegenover dat het Hof in het arrest wel melding maakt van een dergelijk op de terechtzitting gedaan verzoek en dit ook uitdrukkelijk in het dictum afwijst.
- 's Hofs arrest houdt hieromtrent het volgende in: "De raadsman heeft ter zitting verzocht om het horen van de getuige [betrokkene 1]. De raadsman voegt daartoe aan dat hij verschillende malen, zonder resultaat, heeft geprobeerd om de beslissing in de ontnemingszaak van [betrokkene 1] boven tafel te krijgen. Het hof is van oordeel dat toevoeging van de door de raadsman bedoelde beslissing aan het dossier, niet noodzakelijk is om op basis van het voorhanden zijnde dossier te kunnen komen tot de schatting van het door veroordeelde genoten wederrechtelijk voordeel e/of de aan de veroordeelde op te leggen betalingsverplichting. (...) Het hof: (...) Wijst af het verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 1]."
- Wat opvalt, is dat de afwijzing in het arrest niet zozeer ingaat op het al dan niet horen van [betrokkene 1], maar om het, wel uit het proces-verbaal van de terechtzitting en de pleitnota blijkende, verzoek om toevoeging van stukken aan het dossier betrekking hebbende op deze [betrokkene 1]. Toch zou ik het er voor willen houden dat ter terechtzitting een verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] is gedaan, maar dat dit abusievelijk niet in het proces-verbaal van de terechtzitting terecht is gekomen.
- Met de weergave van het verzoek in 's Hofs arrest zullen we het in cassatie moeten doen. Wat de reden van het verzoek is, blijkt daaruit niet klip en klaar. Wellicht heeft het Hof het verzoek in die zin opgevat dat, nu het de verdediging onmogelijk is gebleken een veroordeling van [betrokkene 1] boven water te krijgen, [betrokkene 1] zelf over de inhoud van de desbetreffende gedingstukken diende te worden gehoord. In de afwijzing van het verzoek om stukken toe te voegen aan het dossier kan dan tevens worden ingelezen waarom ook het verzoek om het horen van de getuige [betrokkene 1] door het Hof niet noodzakelijk is geacht. Die uitleg van de gedane verzoeken acht ik evenwel niet zonder meer begrijpelijk. Het verzoek om de stukken uit de strafzaak tegen [betrokkene 1] toe te voegen aan het dossier werd gedaan om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag "waarom [betrokkene 1] zich op deze manier zou belasten". Het ging daarbij derhalve om een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaring, waarbij de gedachte mogelijk is geweest dat [betrokkene 1], toen puntje bij paaltje kwam en hij zelf terechtstond (aangenomen dat dit het geval is geweest), op zijn verklaring is teruggekomen. Bij het subsidiaire verzoek om [betrokkene 1] dan maar als getuige ter zitting te horen, ging het zogezien óók om de beoordeling van de betrouwbaarheid van zijn voor de veroordeelde belastende verklaring: als die beoordeling niet langs indirecte weg kon geschieden (via een vergelijking met de procesopstelling die [betrokkene 1] in zijn eigen strafzaak had gekozen), moest worden teruggevallen op de directe weg (een rechtstreekse confrontatie met de getuige ter zitting).
- Uitgaande van deze uitleg van het gedane verzoek en mede gelet op de grote rol die de desbetreffende verklaring in de door het Openbaar Ministerie gepresenteerde berekening speelde, acht ik de vrijwel ontbrekende motivering van de afwijzing van het verzoek ontoereikend.
- Het tweede middel slaagt eveneens.
- Beide middelen slagen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Vgl. onder meer HR 3 februari 2009, LJN BG3509 en LJN BG4830.