Nr. 07/11666 Mr. Machielse Zitting 24 maart 2009 Conclusie inzake: [verdachte]
(1)En dan de rest de vraag of het juiste criterium is toegepast. Gemeten naar de letter van de overwegingen moet die vraag negatief worden beantwoord, maar ik zou hier een ruimere uitleg willen bepleiten. Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat het (nog) niet noodzakelijk is om de rapportage in het dossier te voegen omdat de gelegenheid zal worden geboden de medeverdachte ter terechtzitting aan de tand te voelen. Dat kan opgevat worden als een definitieve beslissing op basis van de omstandigheden die op dat moment voorlagen. Als de verdediging na het horen van de medeverdachte van oordeel zou zijn dat toch nog behoefte bestaat aan kennisneming van de rapportage over deze medeverdachte ligt het op de weg van de verdediging dit verzoek dan te herhalen. Kortom, of men de beslissing van het hof nu naar de vorm of naar de inhoud taxeert, volgens mij kan deze beslissing door de beugel. Het eerste middel faalt. 4.
- Het tweede middel stelt dat het tweede lid van art. 359 Sv is geschonden omdat, zo begrijp ik het middel, het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de medeverdachte niet betrouwbaar zijn en dat deze daarom van het bewijs moeten worden uitgesloten. 4.
- De pleitnota in hoger beroep kent een aparte rubriek over de betrouwbaarheid/leugenachtigheid van de medeverdachte. In die rubriek worden een paar verklaringen van de medeverdachte onderling vergeleken. De verschillen worden uitgemeten die zouden bestaan tussen de inhoud van het verhoor van de medeverdachte bij diens inverzekeringstelling en de verklaring die de medeverdachte in eerste aanleg heeft afgelegd. Ik wil aan deze verschillen niet het belang toekennen dat de stellers van het middel er kennelijk wel aan hechten. Bij de inverzekeringstelling zal de verdachte wellicht de neiging hebben hetgeen is gebeurd te bagatelliseren, daarover te liegen, of een ander ten onrechte te belasten. Alnaargelang de voortgang van het opsporingsonderzoek zal de verdachte zich genoopt kunnen zien tot het bijstellen van zijn verklaringen, omdat een eerdere versie niet houdbaar blijkt te zijn. Ook zijn advocaat kan hem adviseren niet het achterste van zijn tong te laten zien en over bepaalde zaken te zwijgen. 4.
- Dat het hof aan de in de pleitnota aangewezen verschillen tussen de verklaring bij de inverzekeringstelling en overige verklaringen van de medeverdachte niet zodanig gewicht heeft toegekend dat het daaromheen geweven betoog als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moest worden aangemerkt acht ik daarom niet onbegrijpelijk. Ook de verschillen die bestaan tussen de verklaringen van het slachtoffer en die van medeverdachte betreffen mijns inziens details. Het gaat niet om aperte tegenstrijdigheden, maar om verschillen die erin bestaan dat de verklaring van de één bepaalde gegevens bevat die in de verklaring van de ander niet zijn terug te vinden. Zo verklaart het slachtoffer wel over het geweld door de eerste dader uitgeoefend maar niet over diens seksuele toenadering waar de medeverdachte het wel over had, maar daar blijft het in wezen bij.