Nr. 07/13162 Mr. Vellinga Zitting: 14 april 2009 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Dat heeft het Hof niet miskend. Het oordeel van het Hof moet immers aldus worden begrepen dat nu er voor de verdachte geen enkele aanleiding was een pistool op het slachtoffer te richten en op het slachtoffer te schieten en hij nadat hij het slachtoffer niet geraakt had nog eens op het slachtoffer heeft geschoten, niet anders kan zijn dan dat het schieten niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging maar de verdachte voorafgaande aan en tijdens het schieten gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich er rekenschap van te geven. Vgl. HR 22 februari 2005, LJN: AR
- Het middel faalt.
- Het derde middel klaagt dat het Hof de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaringen van getuige [slachtoffer 1] onbetrouwbaar zijn onvoldoende heeft gemotiveerd.
- Blijkens het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 16 oktober 2007 heeft de verdachte aldaar onder meer verklaard: "Het wapen is aangetroffen bij mijn zus in het schuurtje. Ik had het daar neergelegd. Ik had het wapen gekregen van [betrokkene 4]. Ik was met hem naar het benzinestation gereden en hij zei tegen mij dat hij helemaal geflipt was en het niet meer zag zitten en toen op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Ik heb het wapen toen van hem overgenomen en bij mijn zus in het schuurtje gelegd. Ik heb wel eens een keer een patroon in mijn handen gehad. Ik herinner me dat iemand er een keer één aan zijn ketting had hangen. Ik weet dat er in het wapen dat in het schuurtje is aangetroffen patronen zaten. Ik weet niet hoe het mogelijk is dat mijn DNA op de patronen in het wapen zat. Ik heb daar geen uitleg voor. Ik heb het wapen in mijn handen gehad maar niet de patronen. Er is geen ander verhaal over te vertellen. Ik ben niet aan het liegen."
- Blijkens het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 16 oktober 2007 en de daaraan gehechte pleitnotities heeft de raadsvrouw van de verdachte aldaar, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, aangevoerd: "(...) Inleiding [Verdachte] wordt verdacht van poging moord/doodslag op aangever [slachtoffer 1]. Deze zaak bewijst eens te meer dat de werkelijkheid vele malen vreemder is dan welke film dan ook. Niet alleen [verdachte], maar zeker ook [slachtoffer 1], houdt er een niet alledaagse levensstijl op na. Wie wacht er nu één dag, na te zijn geraakt, om naar een ziekenhuis te gaan? Dat detail bevreemdt zelfs [verdachte]. [Verdachte] vertelt een verhaal dat - hoe bizar wij allen dit ook mogen vinden - door geen enkel bewijsmiddel onderuit wordt gehaald. Discrepanties tussen zijn verhaal en de bewijsmiddelen zijn logisch te verklaren. Het gaat er vandaag om of u, Edelgrootachtbaar College, dat verhaal gelooft of niet. De Advocaat-Generaal maakt het verhaal nóg mooier door de wijziging tenlastelegging. In weerwil van de verhalen van [slachtoffer 1] én [verdachte] is er in de ogen van de Advocaat-Generaal sprake van een complot, waarbij enkel de rolverdeling tussen het primaire en subsidiaire anders is. Door deze wijziging geeft de Advocaat-Generaal aan óók geloof te hechten aan de verklaring van [verdachte]. Bij al deze verhalen is slechts één ding zeker: uit het hart van [slachtoffer 1] is een kogel verwijderd. Geloofwaardigheid van een bijkans onmogelijk verhaal Een aantal punten voor die overtuiging:
- [Verdachte] is geniaal als hij - als schutter - een antiliaans alter ego weet te vinden die naadloos zijn plaats kan innemen. [Betrokkene 4] met hetzelfde uiterlijk, dezelfde soort kleding, wonend in de buurt en ook nog op zoek naar een fiets. Je zou bijna denken dat [verdachte] alles van tevoren heeft bedacht voor het geval [slachtoffer 1] op miraculeuze wijze blijft leven.
- [Verdachte] heeft geen enkel motief om [slachtoffer 1] te beschieten óf hij moet gewoon gek zijn, de enige juiste aanname van [slachtoffer 1] (p.067). Geldelijk gewin speelt geen rol; [slachtoffer 1] is voor [verdachte] levend meer waard dan dood. [Verdachte] geeft dit ook aan in zijn vierde verhoor (niet opgetekend door de verbalisanten (12.16.00)) als hij -geconfronteerd met het ongeloof van de verbalisanten - uitroept; "Waarom zou ik die man schieten, waarom, voor wat, wat heeft die man mij gedaan?"
- [Verdachte] vertoont geen dadergedrag. Hij maakt zich niet tijdelijk uit de voeten, hij vernietigt het wapen niet en als hij wordt staande gehouden in de ochtend van 9 juni, heeft hij enige uren later bij zijn aanhouding wél zijn oorbel uitgedaan volgens de verbalisanten - kennelijk om herkenning te voorkomen, want ja dat voldoet aan het signalement -, maar hij wisselt tegelijkertijd zijn donkergroene damesfiets met vierkante koplamp in voor de opvallende paarse mountainbike (p. 185) die - welke verhaal we ook nemen - op het plaats delict is geweest. Onlogisch.
- [Verdachte] verklaart uit eigen beweging, zonder dat hij inzage heeft gehad in het dossier en zonder dat hij door de verbalisanten met informatie is gevoerd. Pas aan het einde van het laatste verhoor (p. p. 221), krijgt hij de aangifte te lezen. De verklaring die hij aflegt, blijft - hoewel het er hortend en stotend in vier verhoren uitkomt - consequent.
- [Verdachte] verandert van proceshouding en begint te verklaren als hij merkt dat zijn zus in de problemen komt: "U vraagt mij wat ik ervan vind dat [betrokkene 2] (zus) mogelijk wordt verdacht van vuurwapenbezit. Verdachte is lang stil, maar verklaart dan hetvolgende" (p. 209). Dat cliënt eerder ontkende een zus te hebben is logisch. De vorige keer dat hij werd aangehouden, werd er bij zijn zus huiszoeking verricht en zijn zus verhoord. Overigens wisten de verbalisanten uit dat vorige onderzoek ook zijn verblijfplaats. Bij de rechtercommissaris merkt hij hierover op: "Ik heb in eerste instantie gelogen over mijn verblijfplaats, omdat ik niet wilde dat mij zus in de problemen zou komen.'' Deze initiële leugen is logisch en dan ook niet redengevend - zoals het vonnis van de Rechtbank Breda wil doen geloven. Verhaal [verdachte] op punten verifieerbaar
- [Verdachte] heeft [slachtoffer 1] ontmoet in de stad bij [B] en niet eerder. Dat verklaart hij gelijk (p. 212): "Ik was gewoon op het station en ik kwam de jongen tegen in de stad" Die ontmoeting is ook vastgelegd op camera (p. 130 ev). [Slachtoffer 1] wordt tussen 00.20 uur en 2.51 uur vijf keer alleen gezien in het centrum. Dan komt om 3.26 uur [verdachte] aangefietst en met een boog fietst hij in de richting van [slachtoffer 1] die alleen staat ter hoogte van [B], De - overigens telkens wisselende - verklaringen van [slachtoffer 1] dat hij met [verdachte] overbleef op het station toen de rest van de groep wegging, is op dit punt aantoonbaar onjuist. Dit zou dan ook in strijd zijn met de verklaring van [betrokkene 5] (p. 146) die stelt dat zij tot 5.00 uur op het station was. De verdediging acht overigens de verklaring van [betrokkene 5] op dit punt onbetrouwbaar. Volgens haar staan daar elke avond ongeveer dezelfde mensen, zij kan zich dus gemakkelijk in de datum en/of personen vergissen. Overigens blijkt dat zij [slachtoffer 1] én [betrokkene 4] als onderdeel van de vaste groep aanwijst. Deze twee moeten elkaar dus wel kennen,
- De ontmoeting met [betrokkene 4] na de schietpartij. [Verdachte] verklaart zeer gedetailleerd hierover: dat [betrokkene 4] is gecontroleerd, dat de autopapieren niet in orde waren, dat [betrokkene 4] instapte bij de VW (p. 211, 212, 219). Uit een proces-verbaal (p. 304) blijkt inderdaad dat [betrokkene 4] op 9 juni om 2.55 uur is gecontroleerd, nadat de auto wegreed vanaf de VW omdat de keuringspapieren niet in orde waren. [Betrokkene 4] gaf toen een valse naam op. Verhaal [verdachte] laat zich niet onderuit halen Zoals gezegd; voor de discrepanties tussen het verhaal van [verdachte] en de bewijsmiddelen is een logische verklaring. De verdediging stelt voorop dat het niet vreemd is dat [slachtoffer 1] [verdachte] aanwijst als de schutter. [Slachtoffer 1] was met [verdachte] op stap en de schutter heeft hetzelfde postuur, dezelfde soort kleding en bovenal dezelfde fiets. De verdediging vermoedt dat [slachtoffer 1] in zijn beschrijving van de schutter zowel kenmerken van [verdachte], als die van de schutter geeft. Zonder problemen kan de verdediging een enorme boom opzetten over de (on)betrouwbaarheid van [slachtoffer 1]; zijn psychiatrisch verleden, zijn lage IQ (p. 99), de enorme hoeveelheid drank die hij volgens eigen zeggen de voorafgaande dag had gedronken (p, 58), het coke-gebruik (p. 58), hij was moe (p. 51), hij heeft in het park liggen pitten (p. 59), dit alles maakt het waarnemingsvermogen van [slachtoffer 1] zachtgezegd niet optimaal Ook de manier waarop [slachtoffer 1] zegt dat is geschoten - enkel na het eerst schot, waarbij [slachtoffer 1] niet is geraakt komt een huls uit het wapen (p. 53) - kan niet kloppen zo blijkt uit het technisch onderzoek op het wapen. In het onderzoek is getracht het verhaal van [verdachte] te "ontmaskeren" of [verdachte] op een leugen te betrappen. De verdediging is van mening dat dit niet is gelukt. Stelling: Als [verdachte] de jas van de schutter (volgens eigen verklaring) al voorde schietpartij aanhad, dan is [verdachte] de schutter. Deze stelling kan niet hard worden gemaakt. Integendeel zelfs. [verdachte] verklaart in eerste instantie op de vraag welke jas hij aanhad (p, 214): "Ik herinner het me niet goed....De jas is een "gewone' jas net als die ik aan had bij mijn aanhouding.. .(die is het dus niet) Er zit een beetje verf op de jas en daardoor zitten er plekken op. Het is waterverf in de kleur wit." Deze jas is ook gevonden tijdens de huiszoeking. Deze jas komt op dit detail mogelijk overeen met de omschrijving die [slachtoffer 1] geeft, namelijk "Onder linkse oksel gescheurd, waardoor witte voering van de jas te zien was." (p. 53). Kennelijk verwart [slachtoffer 1] de verfvlekken met de witte voering. In ieder geval is er geen jas gevonden waarbij witte voering door de stof naar buiten kwam. De verdediging is van mening dat de conclusie die de verbalisanten trekken, namelijk "Verder is een roodkleurig label ter hoogte van de borst, naast de rits, op de jas van verdachte te zien" (p. 132), ergo [verdachte] draagt de jas van de schutter onjuist is: - de verbalisanten constateren zelf al dat de rode vlek naast de rits zit, dus op een andere plek dan bij de jas van de schutter (foto VI), daar zit het label op de rits in het midden; - rode kleur kan afkomstig zijn van reflectie van neonlampen, de gehele foto is rood/roze achtig; - er zijn evengoed ook mogelijk witte vlekken te zien op de arm, alsmede de lichter grijze voering van de capuchon. De jas op de camerabeelden kan dus evengoed de jas zijn waarover [verdachte] verklaart. Overigens de opmerking dat [verdachte] en [betrokkene 4] jassen hebben uitgewisseld, berust op een misverstand. Stelling: Als [verdachte] een oorbel draagt (kenmerk schutter volgens verklaring [slachtoffer 1], (p. 54)), dan is [verdachte] de schutter. De verdediging is van mening dat de observatie van verbalisant [verbalisant 7] (p.186) onjuist is. Zijn eerdere collega's hebben géén oorbel gezien, noch zijn medeverbalisant [verbalisant 8], althans die verklaart er niet over. Nu kan hij het zich niet meer herinneren, terwijl hij blijkens de aanvullende verklaring de tijd gebruikte om "Op dat moment stond ik het signalement van deze man in mij op te nemen." Tijdens de aanhouding, slechts enkele uren later, droeg [verdachte] geen oorbellen. Zoals gezegd is het onlogisch dat [verdachte] een oorbel in de tussentijd heeft uitgedaan. Overigens kent de verdediging [verdachte] ook niet als iemand met oorbellen, sierraden of tatoeages, alleen met gouden tand. Een kenmerk die [slachtoffer 1] juist weer niet noemt in zijn signalement. Uit het medisch onderzoek komt helaas enkel naar voren dat de gaatjes van [verdachte] oud zijn, zoals hij zelf ook heeft verklaart. [Betrokkene 4] draagt overigens wel oorbellen (verklaring bij rechtbank). Stelling: Als er DNA van [verdachte] in het wapen zit, dan is [verdachte] de schutter, omdat [verdachte] verklaart dat hij het wapen alleen maar aangenomen heeft, vastgepakt en weggelegd. [Verdachte] heeft zich zeer opgewonden over de uitslag van het DNA onderzoek. Hij kon dit niet begrijpen. Telkenmale heeft hij tegen mij gezegd dat de politie of de deskundige hem erbij wil lappen. Na goede bestudering van de stukken én de aanvullende vragen is ook hier een logische verklaring voor. Buiten twijfel staat dat [verdachte] het wapen heeft aangeraakt. Aan de buitenzijde van het wapen kan dus DNA van [verdachte] zitten. Dit is echter niet onderzocht. Uit de NFI rapportage van 23 november 2006 blijkt dat de bemonstering van het vuurwapen zoek is (p. 3). Uit de aanvullende rapportage van 5 oktober 2007 blijkt dat dit nog steeds het geval is. Er kan dus tevens niet worden gecontroleerd of er DNA van [betrokkene 4] op het wapen zit. Er zit wel DNA van [verdachte] (en van een derde man) op de patroonhouder. Uit de aanvullende rapportage van het LUMC van 1 oktober 2007 blijkt dat de gehele buitenzijde van de patroonhouder is bemonstert en als één DNA-extract verder is verwerkt. De onderkant van de patroonhouder bevindt zich echter aan de buitenzijde van het wapen. Dit is duidelijk te zien op de foto's van het aanvullend onderzoek van 28 september 2007, in vergelijking met de foto van het losse pistool en patroonhouder van 20 april 2007 door verbalisant [verbalisant 6]. De stelling van de rechtbank dat het DNA van [verdachte] in het wapen is aangetroffen, is onjuist. Blijft over de patroon die in de kamer (loop) van het wapen bestond. Ook hier is het DNA van [verdachte] op gevonden. De verdediging denkt dat er sprake is van besmetting, hoewel ook volgehouden kan worden dat de kamer in open verbinding met de buitenlucht is. Waarom denkt de verdediging dit? De sporen zijn niet door een op dit terrein deskundige persoon veiliggesteld maar door brigadier [verbalisant 5] (p. 201). Hij verklaart hierover: "In de kamer van het pistool bevond zich een patroon. In de houder bevonden zich vier patronen. Door mij is de patroon uit de kamer verwijderd. Bedoeld pistool is door mij aangetroffen. Redenen tot het veiligstellen van de sporendrager(s): er bestond aanzienlijk gevaar voor vernietiging of contaminatie van het sporenmateriaal wanneer dit op de aangetroffen plaats zou moeten blijven liggen tot de komst van de Technische recherche. Wijze van veiligstellen: De genoemde DNA-sporendrager(s) heb ik, elk in een aparte schone verpakking, veiliggesteld - met gebruikmaking van nieuwe, schone disposable latex handschoenen." Bij het openmaken van de kamer of het verwijderen van de patroon, kan er DNA zijn terechtgekomen in de kamer en dus ook op het patroon. Het gebruik van latex handschoenen voorkomt enkel dat het DNA van de verbalisant niet ook op het wapen komt, niet dat DNA van het wapen op de handschoen en zo ook op de patroon komt. Dat dit geen onzin is, blijkt al uit het volgende; als [verdachte] de patroonhouder had geladen met patronen, had ook op de overige patronen DNA van hem moeten zijn aangetroffen, maar dat is niet het geval. Stelling: [Verdachte] liegt dat hij een pet heeft, zijn verklaring is ongeloofwaardig, dus hij is de schutter. Uit de camerabeelden komt naar voren dat [verdachte] die avond een pet droeg, terwijl de schutter volgens [slachtoffer 1] een muts met logo had (p. 53 en 59). [Verdachte] verklaart in zijn eerste omschrijving (p. 214): "Volgens mij droeg ik ook een muts of een pet. Ik heb een zwarte pet." In zijn vierde verklaring ontkent hij het bezit van zo'n pet. De verdediging heeft hier een logische verklaring voor. [Verdachte] had grote angst dat de politie ook nog zijn pet in beslag zou nemen, net zoals zijn jassen. Hij heeft er ervaring mee dat eenmaal in beslag genomen spullen, niet terugkomen. Hij wilde koste wat kost verhinderen dat de politie op zoek ging naar die pet. Hij zegt dan ook: "Wat maakt het uit dat de camerabeelden wat anders laten zien. Ik zeg toch dat ik daar geweest ben." Opmerkelijk is dat getuige [getuige 1], de vriendin van [betrokkene 4] de muts van [verdachte] herkent als de muts van [betrokkene 4], Beiden hebben zo'n muts die volgens [slachtoffer 1] de schutter op had. Onwaarheden [betrokkene 4] [Betrokkene 4] houdt zich op de vlakte, hij is na het trainen op 6 juni juist niet naar de coffeeshop gegaan maar naar huis, waar hij op 21.00 uur is gaan slapen (p. 321). Opmerkelijk want hij heeft op 6 juni niet gesport (p, 302). Zijn verklaring over het exacte tijdstip van zijn vertrek blijft onduidelijk. In ieder geval is de verklaring van zijn vriendin niet waterdicht. Opmerkelijk is dat [betrokkene 4] liegt dat hij [slachtoffer 1] nooit eerder heeft gezien. Hij weet dat zeker, hij twijfelt daar niet aan (p. 333). [Slachtoffer 1] verklaart hierover al anders. Hij herkent hem langer dan de dader (p. 69). Ook [betrokkene 5] wijst beiden aan als vaste gasten op het station. Wil [betrokkene 4] soms iets verbloemen? Liegt over [b-straat]. [Getuige 1]: "Ik ken [betrokkene 4] omdat hij 2 deuren naast mij heeft gewoond. Hij verbleef daar bij een vriend. Dit was aan de [b-straat] "(p. 270). Opmerkelijk is ook dat de fiets van [slachtoffer 1] later lopend wordt opgehaald (p. 52 en 69). [Verdachte] heeft een fiets en zal dit waarschijnlijk eerder fietsend doen, [betrokkene 4] niet. Had hij niet - toen hij terugkwam van het afleveren van de fiets bij [verdachte] - snel een fiets nodig omdat hij anders te laat zou komen bij de taxi? Terugkoppelen naar de tenlastelegging Medeplegen: moet weten van plan want was niet in de buurt, blijkt nergens uit. Medeplichtigheid: nergens blijkt dat [verdachte] [betrokkene 4] het wapen heeft verschaft. Uit het verschaffen van de verblijfplaats en een fiets kan nog niet worden afgeleid dat [verdachte] wist wat [betrokkene 4] van plan was. Conclusie: Vrijspraak".
- Hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte is aangevoerd komt in wezen neer op een uitgebreid gemotiveerde betwisting van de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer, het enige bewijsmiddel dat rechtstreeks naar de verdachte verwijst, en kan daarom bezwaarlijk anders worden opgevat dan behelzende het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte niet degene is geweest die op het slachtoffer heeft geschoten. Het Hof had dus uitdrukkelijk moeten motiveren waarom het niettemin geloof hecht aan de verklaring van het slachtoffer dat de verdachte de persoon was die op hem heeft geschoten.