Nr. 08/00461 Mr. Vellinga Zitting: 14 april 2009 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Dat is hier het geval. De bewijsmiddelen houden immers in, dat de vrouwen al het verdiende geld aan verdachte moesten afdragen (bewijsmiddelen 3, 5, 8, 9, 10), dat als zij niet als prostituee wilden werken zij daartoe toch gedwongen werden (bewijsmiddelen 3, 4, 6, 8, 10), dat hen werd verboden te vluchten en/of geboden terug te komen of mee te gaan en dat dit verbod c.q. verbod kracht bij werd gezet met bedreigingen (bewijsmiddelen 3, 5, 6, 7, 10, 11) en dat één van de vrouwen zich vrij moest (laten) kopen toen zij wilde stoppen met werken (bewijsmiddelen 10 en 11).
- Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, rov. 3.8.2 onder i.