Nr. 01790/07 Mr. Machielse Zitting 12 mei 2009 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)4.4 Het middel faalt. 5.1 Het derde middel klaagt er over dat het Hof de bewezenverklaring mede heeft doen steunen op het klinische oordeel van de deskundigen Van der Laan en Rutten, zoals neergelegd op p. 11 van hun rapport van 2 april 2004 in het bijzonder op het oordeel "dat het zeer onaannemelijk is dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaring verzonnen of in de mond gelegd is." De steller meent dat 's Hofs oordeel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd. Een nadere motivering van het gebruik maken van het oordeel van de deskundigen was nodig, omdat dit oordeel deels gebaseerd is op een analysemethode (de CBCA-methode) die een dergelijke conclusie niet kan dragen en deels op een analysemethode (de klinische blik) die volgens een andere deskundige ongeschikt is. De steller van het middel verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 1999 (NJ 1999, 451). 5.2 Onder het kopje 'betrouwbaarheid van [slachtoffer]'s verklaring' d.d. 26 februari 2003 heeft het Hof onder meer het volgende overwogen: "Dat uitsluitend een analyse van het verhoor van [slachtoffer] aan de hand van de CBCA-criteria (onder 9) geen uitsluitsel geeft over de betrouwbaarheid van deze verklaring, neemt niet weg dat deze analyse minstgenomen aannemelijk maakt dat de verklaring niet bewust gelogen is, zoals ook de deskundige Wagenaar opmerkt ter zitting van het hof op 13 maart 2006, procesverbaal blz.
- Voorts kent het hof mede gewicht toe aan het klinische oordeel van de deskundigen Van der Laan en Rutten (hun onder 9 bedoelde rapport, blz. 11) dat het zeer onaannemelijk is dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaring verzonnen of in de mond gelegd is. (...) Bij het bekijken van de videoband op de zitting van 13 maart 2006 heeft het hof een eigen indruk gekregen van het verhoor en van de wijze waarop [slachtoffer] haar verklaring heeft afgelegd. Het hof heeft daarin zeker geen aanwijzingen gezien om de verklaring onbetrouwbaar te achten." 5.3 Uitgangspunt is dat het aan de rechter die over de feiten moet oordelen voorbehouden is om van het voorhanden materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat daartoe, ook uit oogpunt van betrouwbaarheid, dienstig voorkomt, zonder dat hij daaromtrent nadere rekenschap behoeft af te leggen. Als uitzondering op dit beginsel wordt van de feitenrechter onder omstandigheden een nadere redengeving verlangd. In het arrest van 30 maart 1999 oordeelde de Hoge Raad dat er sprake was van zulke bijzondere omstandigheden. In die zaak had het Hof zijn oordeel dat een verklaring geloofwaardig is mede gebaseerd op een rapport, waartegen de verdediging inhoudelijk verweer had gevoerd. Dat verweer hield in dat de door de deskundige gebruikte methode niet betrouwbaar moest worden geacht waarbij werd verwezen naar commentaren van andere deskundigen. Het Hof had volgens de Hoge Raad nader moeten motiveren waarom het zich bij de beslissing gebaseerd heeft op de conclusie van het rapport en dat daaraan niet in de weg stond hetgeen aan het verweer ten grondslag is gelegd. 5.4 De vraag die beantwoord moet worden is of het door de verdediging gevoerde verweer de voldoende onderbouwde stelling inhoudt dat het door de deskundigen gegeven oordeel berust op een onderzoeksmethode die wetenschappelijk onverantwoord is of op onverantwoorde wijze is toegepast. 5.5 Blijkens de pleitaantekeningen is weliswaar, onder verwijzing naar de schriftelijke en ter zitting geuite standpunten van de professoren Crombag en Wagenaar, aangevoerd dat het betreffende (op CBCA-criteria gebaseerde) onderzoek absoluut onvoldoende is, maar deze kritiek lijkt niet op zichzelf staand, maar veeleer als motivering waarom een ontwikkelingspsychologisch onderzoek moet worden verricht. Het gevoerde verweer komt er op neer dat het verrichte onderzoek niet voldoende is, maar houdt niet in dat het oordeel berust op een onderzoeksmethode die wetenschappelijk onverantwoord is. Van belang hierbij is dat het Hof heeft aangegeven dat uitsluitend een analyse aan de hand van CBCA-criteria geen uitsluitsel geeft over de betrouwbaarheid van de verklaring maar tevens dat het, op basis van de videoband een eigen indruk heeft gekregen van het verhoor en van de wijze waarop [slachtoffer] haar verklaring heeft afgelegd. Tevens is het ook aan het hof bekend geweest dat de deskundigen geen kritiek hadden op de manier waarop het studioverhoor is verlopen. Nu er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin, was het Hof niet gehouden tot een nadere redengeving. 5.6 Het middel faalt.
- Ambtshalve wijs ik erop dat op de dag van het nemen van deze conclusie inmiddels meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 19 december
- Zulks brengt mee dat de redelijke termijn is geschonden. Dit dient te leiden tot een verlaging van de opgelegde straf.
- Deze conclusie strekt tot verlaging van de opgelegde straf en overigens tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Zie 3.4.3 voor deze relevante overweging