ECLI:NL:PHR:2009:BI6944
Zaaknr. 07/11275 Mr. Huydecoper Zitting van 29 mei 2009 Conclusie inzake 1. [Eiseres 1] 2. [Eiseres 2] 3. [Eiser 3] verzoekers tot cassatie tegen Banco di Caribe N.V. verweerster in cassatie Feiten en procesverloop(2) 1. Ik geef hierna de in feitelijke aanleg vastgestelde feiten weer, voorzover die in cassatie nog van belang zijn (voor een vrij groot deel van de in feitelijke aanleg onderzochte feiten is dat niet het geval).
De overeenkomst naar aanleiding waarvan dit document is ondertekend, werd gesloten nadat was gebleken dat [betrokkene 1] zonder toestemming van [betrokkene 2] bedragen van haar rekening had overgeboekt naar rekeningen van [eiser 3] of aan hem toebehorende bedrijven.
Met het oog op verhaal van de volgens haar ten onrechte aan deze toegekomen gelden, heeft Banco di Caribe conservatoire beslagen laten leggen ten laste van, onder meer, [eiseres 1].
De partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten. Van de kant van Banco di Caribe is gedupliceerd. (Een paar) beschouwingen vooraf 12. Hoewel ik hiervóór deze zaak als één zaak heb besproken en de zaak ook in de vorige instanties als één zaak is behandeld, gaat het in werkelijkheid om drie afzonderlijke zaken, waarin althans in de cassatie-instantie ook verschillende, onderling niet met elkaar verband houdende vragen aan de orde zijn(6). Ik bespreek de klachten hierna daarom "los van elkaar".
Voorafgaand aan de bespreking van de verschillende cassatieklachten meen ik er goed aan te doen even stil te staan bij de taak van de appelrechter in Antilliaanse en Arubaanse zaken; dit, omdat verschillende van de in cassatie aangevoerde klachten zien op kwesties die in de appelinstantie niet (expliciet) door de partijen aan het GHvJ ter beoordeling waren voorgelegd.
Omdat een andere cassatieklacht dat onderwerp aan de orde stelt, lijkt het mij ook goed om stil te staan bij de regels betreffende het (niet) horen van procespartijen als getuige in het Antilliaanse en Arubaanse procesrecht.
Uitgangspunt moet daarbij zijn het sedert 2005(8) voor de Nederlandse Antillen en Aruba geldende art. 281a Rv.: "Het Hof kan, indien terzake geen middel is voorgesteld, ambtshalve recht doen."
Die bepaling "codificeert", althans voor een zeer groot deel, een voorheen ook al voor de Nederlandse Antillen en Aruba geldende regel van appelprocesrecht die inhoudt dat het "in beginsel strakke" grievenstelsel zoals dat in de Nederlandse appelprocedure geldt, hier niet van overeenkomstige toepassing is. Eenvoudiger gezegd: de Antilliaans-Arubaanse appelrechter kan besluiten tot vernietiging "buiten de grieven om", en zelfs waar in appel helemaal geen grieven naar voren zijn gebracht(9).
Mij lijkt dat daarmee een aanbevelingswaardige "inkadering" van de hier bedoelde bevoegdheid is gegeven, en dat er alle aanleiding is om voor de nieuw ingevoerde wetsbepaling dezelfde marges te hanteren.
Ik zou zelf denken dat er eerder aanleiding is om aan de in alinea 14 besproken maatstaven vast te houden; maar ik laat dit punt verder onbesproken, omdat deze zaak het hier door Lewin gesignaleerde probleem niet aan de orde stelt.
Ik denk dat die ruimte inderdaad bestaat. Het kan zo zijn dat een in het nadeel van de appellant gegeven beslissing uit de eerste aanleg onjuist is (en dat dat zonder nader (feitelijk) onderzoek kan worden vastgesteld); terwijl tegelijk geldt dat niet valt in te zien dat die beslissing op praktische gronden of op billijkheidsgronden in aanmerking komt voor toepassing van de discretionaire ruimte om vernietiging achterwege te laten.
Het omgekeerde kan ook: het kan zich voordoen dat naar aanleiding van een cassatieklacht over het uitblijven van ambtshalve vernietiging, in cassatie wordt vastgesteld dat die bevoegdheid hier niet mocht worden toegepast (en dat vernietiging dus terecht achterwege is gebleven)(12).
In alinea's 32, 43 en 58 hierna zal ik onderzoeken of een van de bedoelde gevallen in de onderhavige zaak (in cassatie) aan de orde is.
Men leidde deze regel(s) af uit het oude art. 1929 BWNA, overeenkomend met het oude art. 1947 van het Nederlandse BW(14). [20. De huidige Arubaans-Antilliaanse regeling (van art. 145 RvNAA) strekt er overigens - in afwijking van de daarvóór geldende regeling, die het GHvJ in de onderhavige zaak heeft toegepast, en die ook in de aanstonds te bespreken rechtspraak van de Hoge Raad aan de orde was - niet toe dat de partij niet als getuige mag worden gehoord; en die regeling stelt ook geen bijzondere voorwaarden aan de waardering van de verklaring van een partij die wél als getuige is gehoord(15). Wel laat de regeling de rechter de mogelijkheid om aan een aanbod van getuigenbewijs voorbij te gaan voorzover dat de partijgetuige betreft.
Ik zou denken dat de hierna te bespreken materie ook voor het "nieuwe" Antilliaans-Arubaanse bewijsrecht van betekenis is - reden waarom ik aan dat nieuwe recht enige aandacht besteed.] 22. De cassatieklachten brengen, zoals al even bleek, met nadruk de vraag op, in hoeverre de Antilliaans-Arubaanse regels zoals die in deze zaak zijn toegepast, de toets aan art. 6 EVRM doorstaan.
Centraal daarbij staat, zoals voor de hand ligt, het "Dombo"-arrest(18). Zoals bekend werd in dat arrest geoordeeld dat de uitsluiting van (verhoor van) een partijgetuige als bewijsmiddel in de gegeven omstandigheden opleverde dat de partij in kwestie ten opzichte van de andere partij "was ... placed at a substantial disadvantage"; en dat daardoor het in art. 6 EVRM besloten liggende beginsel van de "equality of arms" onvoldoende was gerespecteerd.
Bij de waardering van het bewijs liet het GHvJ de verklaring van één van de aan de eerstgenoemde zijde gehoorde getuigen buiten beschouwing, omdat deze statutair bestuurder van de desbetreffende partij was en er geen omstandigheden waren gesteld die opleverden dat de partij in kwestie zich in haar mogelijkheden om haar zaak te onderbouwen in een substantieel slechtere positie bevond dan de andere partij. Tegelijkertijd werd de verklaring van een getuige aan de kant van de andere partij, die in het recente verleden bestuurder van die partij was geweest en die in de te bewijzen gebeurtenissen een positie bekleedde die vergelijkbaar was met die van de "gediskwalificeerde" partijgetuige, wel in aanmerking genomen (en werd aan die verklaring ook gewicht in het voordeel van de partij in kwestie toegekend).
In aansluiting hierop werd ook een klacht over de uit de overwegingen van het GHvJ resulterende bewijswaardering als gegrond beoordeeld.
Het GHvJ overwoog dat de in het ongelijk gestelde partij niet als getuige kon worden gehoord, en dat hier niet van een "substantieel slechtere positie" ten opzichte van de andere partij sprake was, nu deze evenmin als getuige kon worden gehoord.
Het toegepaste verschil kan dan volgens mij zowel de toelating als getuige betreffen (het geval dat in het aangehaalde arrest aan de orde was), als de terzijdelegging van verklaringen die de betrokkene als getuige heeft afgelegd (wat in de onderhavige zaak aan de orde is).
Dat laat de vraag open of een verschillende maatstaf voor de waardering van het aan desbetreffende verklaringen te ontlenen bewijs (zoals bijvoorbeeld tot uiting komt in art. 164 lid 2 Rv.) binnen of buiten de marge van het aanvaardbare valt. Die vraag is in deze zaak niet aan de orde, zodat ik (met enige opluchting) vaststel dat ik daaraan voorbij kan gaan. [30. Ik meen er goed aan te doen nog te vermelden dat de rechtspraak van het EHRM over het beginsel van de "equality of arms" er blijk van geeft dat aan de rechter een bepaalde marge toekomt om aan het aanbod van bewijslevering, door getuigen of anderszins, voorbij te gaan; met dien verstande dat de beslissing om dat te doen door een voldoende draagkrachtige motivering moet worden ondersteund(26). Niet toelaten van (getuigen)bewijs wegens irrelevantie, strijd met de goede procesorde, buitensporigheid (voorzover al niet onder het vorige "hoofdje" begrepen) of strijd met nationale voorschriften betreffende tijdige melding en termijnen, is in beginsel toelaatbaar, mits de aan de desbetreffende beslissing ten grondslag gelegde motivering de uitkomst inderdaad rechtvaardigt(27).
Ik denk dat een regel die het niet toelaten van bewijslevering op grond van de prognose dat dat, kort gezegd, nergens toe zal leiden - zie alinea 21 hiervóór - met deze jurisprudentie wél te verenigen is.] Bespreking van de cassatiemiddelen 31. Middel I klaagt onder 1 over het feit dat aan [eiseres 1], in weerwil van het feit dat de vorderingen van Banco de Caribe tegen deze partij in eerste aanleg werden afgewezen (waarvan niet geappelleerd is), en in weerwil van het feit dat de rechter van de eerste aanleg overwoog dat in verband met de afwijzing van de vordering een proceskostenveroordeling ten laste van Banco de Caribe moest volgen, in conventie geen proceskostenveroordeling is toegewezen.
Bij de beoordeling van deze klacht moet in aanmerking worden genomen dat van de kant van [eiseres 1] als appellante geen formele grief tegen het hier bedoelde aspect van de beslissing van de eerste aanleg is ingebracht(28).
Eerder heb ik verdedigd dat de geldende regels van Antilliaans-Arubaans appelprocesrecht meebrengen dat het GHvJ in zo'n geval gehouden is de fout ambtshalve te herstellen én dat over het verzuim om dat te doen in cassatie kan worden geklaagd.
Dat betekent dat ik ook denk, dat de onderhavige klacht behoort te worden aanvaard.
De toelichting op dit middelonderdeel is uitvoerig; maar de klacht komt volgens mij hierop neer dat er ten onrechte van uit is gegaan dat verband zou zijn aangenomen tussen de debitering van de rekening van [eiseres 1] voor NAfl. 26.158,80 en een (eveneens ongegronde) creditering van dezelfde rekening met een bedrag van NAfl. 31.000,-, en dat daarom de conventionele vordering van Banco di Caribe tegen [eiseres 1] zou zijn afgewezen; en dat ten onrechte aan art. 6:140 BWNA een argument is ontleend waarom de bedoelde creditering in de weg stond aan honorering van de vordering terzake van de niet-gerechtvaardigde debitering.
In deze overweging van het GEA is te lezen dat de vordering van Banco de Caribe voor een bedrag van NAfl. 31.000,- ten laste van [eiseres 1] moet worden afgewezen (ook) omdat [eiseres 1] blijkens de getuigenverklaringen niet van het overgemaakte bedrag heeft geprofiteerd. Daarbij kan het alleen gaan om het feit dat de desbetreffende creditering werd gedaan ter "dekking" van een debitering in verband met de bankgaranties; en in dat verband is steeds (alleen) de debitering voor NAfl. 26.158,80 waarop [eiseres 1] haar vordering in reconventie baseert, genoemd.
Deze klacht miskent dat het GEA, in de alleszins plausibele lezing die het GHvJ aan de uitspraken van het GEA heeft gegeven, de terugbetaling van het ten onrechte overgeboekte bedrag van NAfl. 31.000,- heeft afgewezen (mede) omdat [eiseres 1], wegens de hiermee samenhangende afboeking van NAfl. 26.158,80, niet van het ten onrechte bijgeschreven bedrag heeft geprofiteerd. Het gaat niet aan om te verlangen dat vervolgens de afwijzing van de vordering betreffende de NAfl. 31.000,- als in kracht van gewijsde vaststaand gegeven wordt beoordeeld, maar tegelijk dat aan de reden die aan het desbetreffende oordeel ten grondslag werd gelegd, voorbij wordt gegaan. Soms geldt ook voor juristen: al te goed (bedacht) is buurmans gek.
Dat argument moet er op afstuiten dat in de feitelijke instanties niet op de relevantie van dit verschil is gewezen (laat staan: dat een argument van die strekking met gegevens is onderbouwd), en dat het GHvJ daarom geredelijk kon oordelen, zoals het kennelijk heeft geoordeeld, dat het hier verschillende namen betrof waarmee door de betrokkenen dezelfde entiteit werd aangeduid.
Overigens: na de pleidooien waarop Banco di Caribe dit argument voor het eerst in stelling zou hebben gebracht, zijn de partijen alle nog uitvoerig aan het woord gelaten (en hebben zij zich ook uitvoerig geuit). Ook daarom kunnen [eiser] c.s. zich er niet over beklagen dat hun de gelegenheid voor "wederhoor" is misgund(34).
Ook wat deze vorderingen betreft geldt, dat er in de appelinstantie namens [eiseres 1] niet specifiek was geklaagd dat de eerste rechter verzuimd had, haar desbetreffende vorderingen toe te wijzen.
Hier lijkt mij namelijk dat geredelijk kon worden geoordeeld dat er geen belang bestond bij een specifiek op opheffing gericht dictum en dat (of: omdat) de beslagen in kwestie "gewoon" als gevolg van het onherroepelijk worden van de desbetreffende uitspraak zouden moeten worden doorgehaald (respectievelijk, als het om roerende zaken ging, hun effect zouden verliezen); en dat ten aanzien van de veroordeling tot schadevergoeding van [eiseres 1] had mogen worden verlangd dat tenminste "summierlijk" werd toegelicht dat er inderdaad van schade sprake was, en waarin die schade dan wel bestond. (Bijvoorbeeld) hierin kon het GHvJ aanleiding vinden om dit aspect van de zaak te laten rusten; en het behoeft geen nadere toelichting, dat een dergelijk oordeel geen motivering behoeft.
Ik merk die klacht om twee redenen als ongegrond aan: ten eerste denk ik, om de zojuist in alinea 43 aangegeven redenen, dat het GHvJ er met recht toe kon besluiten om de vorderingen van [eiseres 1] (ook) in appel af te wijzen; en ten tweede geldt dat alle drie betrokkenen aan de kant van [eiser] c.s. in een gezamenlijk gevoerd betoog de toewijzing van de in eerste aanleg in reconventie ingestelde vorderingen hadden verdedigd. Nu die vorderingen ten aanzien van de overige procespartijen voor het overgrote deel werden afgewezen lijkt het mij niet met het geldende Antilliaans-Arubaanse procesrecht in strijd dat ook [eiseres 1], die zich hier mede achter de verdediging van de afgewezen vorderingen van haar "strijdgenoten" had geschaard, in de kostenveroordeling werd betrokken.
Daarmee is gegeven dat het onaanvaardbaar is wanneer de betrokkenen verschillend worden behandeld ten aanzien van hun bevoegdheid om als getuige op te treden (of, voeg ik toe, ten aanzien van het in de beoordeling betrekken van de verklaringen die de betrokkenen als getuige hebben afgelegd. Of "structureel" verschil ten aanzien van de bewijswaardering geoorloofd zou zijn kan bij gebreke van een Antilliaanse pendant van art. 164 lid 2 Rv. buiten beschouwing blijven).
Het onderhavige geval onderscheidt zich van dat uit HR 10 augustus 2001, NJ 2001, 526 ([F]/[D]): hier gaat het niet om een getuige die kan verklaren over wat zich in zijn bijzijn tussen de partijen heeft afgespeeld, maar om een getuige ([betrokkene 1]) die kan verklaren omtrent wat hij zelf met de desbetreffende partij heeft verhandeld (en wat zich alleen tussen de beide betrokkenen heeft afgespeeld) - nagenoeg hetzelfde geval als dat uit de Dombo-zaak.
Ik geef dit gegeven enige nadruk omdat ik weliswaar met de steller van het middel van mening verschil als het erom gaat dat het GHvJ het aan Banco di Caribe opgedragen bewijs uitsluitend of nagenoeg uitsluitend aan de verklaring van de getuige [betrokkene 1] zou hebben ontleend; maar ik meen dat het feit dat dat niet zo is, en dat er ook wezenlijke aanwijzingen uit andere bron het bewijs in het voordeel van Banco di Caribe ondersteunen(36), er niet aan afdoet dat niet kan worden aanvaard dat bewijs van de kant van [eiser 3] als getuige, door het GHvJ is uitgesloten.
Voor het overige - dus: ook als ik veronderstellenderwijs aanneem dat het eerste onderdeel van Middel II niet zou opgaan - beoordeel ik het tweede onderdeel als ongegrond.
Wat mij betreft kan echter geen van de desbetreffende argumenten als "essentieel" gelden; en ik meen bovendien dat in de motivering van het GHvJ wél een weerlegging van een belangrijk deel van die argumenten besloten ligt.
Het eerste argument is klaarblijkelijk door het GHvJ onder ogen gezien. Dat valt op te maken uit de motivering aan het slot van rov. 4.16. Alle vier de daar genoemde gegevens dragen ertoe bij, de verklaring van [betrokkene 1] te ondersteunen (en het standpunt dat namens [eiser] c.s. werd verdedigd te ondergraven), en daarmee het argument dat op [betrokkene 1]s verklaring geen staat mag worden gemaakt, te weerleggen.
De hier tenslotte door het GHvJ getrokken conclusie is heel goed te begrijpen.
Het derde argument lijkt mij nagenoeg irrelevant. Dat behoefde (dus) eveneens geen expliciete weerlegging.
Hier wordt miskend dat de motiveringsplicht gewoonlijk niet zo ver gaat, dat de voor een beslissing aangedragen redenen op hun beurt weer gemotiveerd moeten worden (door uiteen te zetten waarom die redenen in weerwil van daartegen ingebrachte tegenargumenten, stand houden). Motivering van de motivering mag in het algemeen niet worden verlangd. Hier tref ik niet een geval aan dat een uitzondering op deze "in beginsel"-regel zou mogen opleveren.
Ook hier lijken mij de in alinea's 16 en 17 hiervóór beschreven uitgangspunten van toepassing. Het GHvJ heeft immers in rov. 2.5 van het eindvonnis (in cassatie onbestreden) vastgesteld dat deze kwestie niet door de namens [eiser] c.s. aangevoerde grieven aan de orde werd gesteld.
Dan kan in het midden blijven of er praktische- of billijkheidsredenen konden zijn die het voorbijgaan aan een mogelijke oneffenheid in de beslissing van de eerste rechter konden rechtvaardigen. Mij schijnt overigens toe dat ook dat in deze zaak wél het geval was(38).
Het middel neemt, kennelijk op de voet van HR 15 februari 2002, NJ 2002, 197, rov. 3.6, tot uitgangspunt dat het bij circulaire van de toenmalige President van het GHvJ in 1998 bekend gemaakte liquidatietarief niet als "recht" in de zin van art. 79 RO kan gelden(39).
In dit geval lijkt mij aannemelijk dat het GHvJ wél heeft bedoeld, zich naar het gepubliceerde liquidatietarief te richten. Toepassing daarvan, op de voet van tarief 7 voor zaken met een waarde tussen de NAfl. 86.000,- en 215.000,-, zou in dit geval een salaris hebben opgeleverd van NAfl. (3.100 x 4,5) = NAfl. 13.950,-. Het door het GHvJ gevonden bedrag van NAfl. 31.950,- wekt inderdaad de indruk, te berusten op een verschrijving (door omkering van de eerste twee getallen van het bedrag).
Gezien de referte van Banco di Caribe denk ik verder dat gegrondbevinding van alléén deze cassatieklacht, tot compensatie van de kosten in cassatie zou moeten leiden.
Vandaar de hieronder volgende conclusie.
Conclusie Ik concludeer tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot verwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie; met veroordeling van Banco di Caribe in de kosten.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Deze naam wordt in de stukken voor de beide verzoekers tot cassatie die die naam voeren, meestal zonder accent geschreven. Ik heb mij geconformeerd aan de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (het GHvJ), waarin de naam wél met een accent wordt geschreven.
2 Ontleend aan de vonnissen uit de eerste aanleg van 9 december 2002 en 13 september 2004 en de vonnissen van het GHvJ van 12 september 2006 en 5 juni 2007.
3 Ik vermeld volledigheidshalve dat [eiser] c.s. en [betrokkene 1] over en weer vrijwaringszaken zijn begonnen. Deze zijn zowel in de eerste aanleg als in hoger beroep "gelijk op" behandeld met de thans in cassatie aanhangige zaak; maar zij spelen in cassatie geen rol meer.
4 Ook namens [betrokkene 1] was hoger beroep ingesteld, en ook deze is door het GHvJ veroordeeld. [betrokkene 1] heeft echter geen cassatieberoep laten instellen, zodat diens veroordeling verder buiten beschouwing kan blijven.
5 Het gaat, zoals al even bleek, om een tussenvonnis van 12 september 2006 en een eindvonnis van 5 juni 2007. Het cassatierekest is op 5 september 2007 ingekomen.
6 Men zou zich in veband hiermee kunnen afvragen of het in dit geval toegestaan was, in de drie desbetreffende zaken bij één verzoekschrift cassatieberoep in te stellen - zie bijvoorbeeld HR 23 december 2005, NJ 2007, 162 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3 en HR 27 februari 2004, NJ 2004, 239, rov. 3.
Ik meen dat, nog afgezien daarvan of de hier in de jurisprudentie ontwikkelde regels onverkort opgeld doen voor bij rekest ingestelde cassatieberoepen van Antilliaanse en Arubaanse beslissingen, deze zaak (voldoende) vergelijkbaar is met de in NJ 2004, 239 gepubliceerde zaak. In die zaak werd aangenomen dat in de gegeven omstandigheden op de algemene regel betreffende het instellen van een rechtsmiddel in verschillende zaken bij één document, een uitzondering moest worden gemaakt.
7 Ras - Hammerstein - Lewin, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba, 2008; hierna gemakshalve aan te halen als "Lewin".
8 In de eerder geldende regelingen voor de Nederlandse Antillen en Aruba kwam een overeenkomstige wetsbepaling niet voor; maar, zoals nader te bespreken, gold een vergelijkbare regel reeds naar "ongeschreven recht".
9 Wel geldt daarbij dat vernietiging in het nadeel van de appellant ("reformatio in peius") achterwege moet blijven, HR 7 juni 1996, NJ 1996, 583, rov. 3.4.
10 GHvJ 10 augustus 2004, TAR-Justicia 2004, p. 234 - 235; GHvJ 3 april 2001, TAR-Justicia 2001 nr. 3, rov. 2.2.
11 Een geval dus van de soort waarover Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, op p. 264 - 265 schrijven.
12 (Opnieuw) HR 7 juni 1996, NJ 1996, 583, rov. 3.4.
13 Het GHvJ heeft in rov. 4.15 van zijn vonnis van 12 september 2006 geoordeeld dat in deze zaak het "oude bewijsrecht" moest worden toegepast, en dat oordeel staat al daarom niet ter discussie, omdat er in cassatie niet over wordt geklaagd.
14 HR 10 augustus 2001, NJ 2001, 526, rov. 3.5.1.
15 Er is van afgezien een regel op te nemen van de strekking van art. 164 lid 2 Rv.
16 O.a. te raadplegen bij: Staten van de Nederlandse Antillen Zitting 2001-2002, Landsverordening houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Memorie van Toelichting No. 3, p. 13, par. 2.
17 Zie voor die regel bijvoorbeeld Asser Procesrecht/ Bakels, Hammerstein & Wesseling-Van Gent 4, 2009, nr. 214; Snijders - Klaassen - Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2007, nr. 221 (i.h.b. bij voetnoot 84) 18 EHRM 27 oktober 1993, NJ 1994, 534 m.nt. HJS; zie in het bijzonder de rov. 31 - 35.
19 De conclusies van A-G Bakels voor de twee aanstonds te bespreken arresten van de Hoge Raad geven een goed overzicht van de toentertijd verschenen opvattingen (en de noot van Asser onder NJ 2001, 31 voegt daaraan nog een publicatie toe). Van de daarna verschenen literatuur noem ik Van Dijk - Van Hoof c.s., Theory and practice of the ECHR, 2006, p. 583 - 584.
20 [A] was de bestuurder van de met bewijs belaste partij, wiens verklaring bij de bewijswaardering terzijde werd gesteld; [B] was de gewezen bestuurder van de andere partij wiens verklaring wél in het voordeel van die partij in aanmerking werd genomen.
21 De bewijsopdracht betrof de vraag, ten gunste van welke partij deze betaling was gedaan.
22 Dit waren de procespartijen in deze zaak.
23 Dit is de eerder vermelde makelaar.
24 Zo heetten de partijen ter ener zijde.
25 [F] was de andere partij. [E] was (statutair) directeur van [F]..
26 Van de vele beslissingen van het EHRM over dit onderwerp lijken mij vooral "richtinggevend" EHRM 5 februari 2009, Appl.nr. 22330/05, Olujic/Kroatië, rov. 77, 82 en 84; EHRM 18 augustus 2004, Appl.nr. 56651/00, Destrehem/Frankrijk, rov. 40 - 45; EHRM 5 juli 2004, Appl.nr. 40847/98, Tamminen/Finland, rov. 38 - 41; EHRM 1 juli 2003, Appl.nr. 37801/97, Suominen/Finland, rov. 33 - 38; EHRM 22 april 1992, Vidal/België, A Serie 235B, rov. 33 - 35. (De slechts met "Appl.nr." aangeduide beslissingen heb ik via de Hudoc-databank van het EHRM geraadpleegd.) 27 Dat komt in de overwegingen uit de in de vorige voetnoot aangehaalde arresten tot uitdrukking, zie bijvoorbeeld EHRM 5 juli 2004, Appl.nr. 40847/98, Tamminen/Finland, rov. 38; en in EHRM 18 juni 2002, Appl.nr. 24541/94, Wiezbicki/Polen, rov. 44 - 45.
28 In de pleitnota namens [eiser] c.s. in appel (van 9 mei 2006) is op p. 3, tweede volle alinea wel op deze oneffenheid in de beslissing van de eerste rechter gewezen.
29 HR 19 december 2003, NJ 2004, 386 m.nt. PCEvW, rov. 3.5 (uitleg uitspraak bestuursrechter); HR 7 november 2003, NJ 2004, 99 m.nt. TK, rov. 3.5; HR 3 mei 2002, NJ 2002, 348, rov. 3.2; HR 16 juni 2000, NJ 2000, 584 m.nt. CJHB, rov. 3.3; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 61 (bij noot 5, p. 134).
30 Hier is kennelijk sprake van een typfout. Eerder in dezelfde overweging wordt het bedrag van de vordering van [eiseres 1], NAfl. 26.158,80, wel correct weergegeven.
31 Er wordt in de schriftelijke toelichtingen op gewezen dat deze redenering onverklaard laat waarom Banco di Caribe niet aanspraak zou hebben op het verschil, te haren gunste, tussen de twee hier met elkaar in verband gebrachte bedragen (namelijk NAfl. 31.000,- minus NAfl. 26.158,80 = NAfl. 4.841,20). Dat lijkt mij een legitieme vraag; maar ook een vraag die voor de uitkomst dat [eiseres 1] het lagere bedrag niet mag terugvorderen, niet hoeft te worden beantwoord.
32 Men zou geredelijk kunnen menen dat in de hiervóór onderzochte, in de beoordeling van het GEA aangenomen samenhang tussen de beide boekingen besloten ligt, dat "wegstrepen" van de ene boeking tegen de andere onderwerp van de rechtsstrijd was (geworden).
33 De argumenten die pleiten voor ambtshalve ingrijpen van de appelrechter in het voordeel van de appellant, door Lewin o.a. in nr. 19 geschetst, gelden in dezelfde mate voor het hier aan de orde zijnde geval: verkrijging van een "rechtvaardiger" uitkomst ten opzichte van de geïntimeerde, doordat (ook) ambtshalve bedenkingen tegen de argumenten van de appellant worden onderzocht.
34 In het meer formele Nederlandse appelprocesrecht zou dat anders (kunnen) zijn, zie bijvoorbeeld HR 14 oktober 2005, NJ 2006, 620, rov. 3.3.2. Zie voor een "Antilliaanse" zaak waarin wél van schending van het onderhavige beginsel sprake was HR 9 juli 2004, rechtspraak.nl LJN AO7727, rov. 4.6.5.
35 Het onderhavige deel van het in cassatie aanhangige geschil betreft (alleen) de vraag of [eiser 3] in persoon aansprakelijk mag worden gehouden voor de bedragen die ten onrechte aan [eiseres 2] zijn toegevloeid. Vandaar dat relevant is of [eiser 3] de desbetreffende gedragingen van [betrokkene 1] heeft uitgelokt of bevorderd, en of [eiser 3] van die gedragingen afwist.
36 Het GHvJ noemt als zodanig in rov. 4.16 van het vonnis van 12 september 2006 o.a. het feit dat de desbetreffende overboekingen steeds ten gunste van [eiser] c.s. strekten en dat niet is gebleken dat [betrokkene 1] daarvan heeft geprofiteerd. Dat zijn inderdaad omstandigheden die de indruk dat de betrokkenen bij [eiseres 1] (dus: [eiser 3]) het handelen van [betrokkene 1] moeten hebben gekend én bevorderd, aanmerkelijk kunnen versterken.
37 HR 15 mei 2009, rechtspraak.nl LJN BH3148, rov. 3.7.1 38 Men zou bijvoorbeeld kunnen denken dat het GHvJ aan dit probleem van beperkte omvang voorbij meende te mogen gaan omdat er, om de in voetnoot 31 aangegeven reden, al een voordeel van vergelijkbare omvang aan de kant van [eiser] c.s. "opkwam".
39 Ik stem ermee in dat aan de hand van de aangehaalde beslissing moet worden aangenomen dat het hier géén "recht" betreft.
Ik wil niet onvermeld laten dat ik, wanneer er niet al eerder door de Hoge Raad in deze zin zou zijn geoordeeld, gedacht zou hebben dat het precies omgekeerd was. De circulaire waarin het liquidatietarief voor de Nederlandse Antillen en Aruba is aangekondigd komt op mij over - om niet te zeggen: dringt zich op - als een openbaar bekend gemaakte aankondiging van voor de rechter bindend beleid. Daaraan doet niet af dat de circulaire afwijking van het tarief in uitzonderlijke gevallen toelaat (of voorschrijft). Als een rechterlijke instantie dergelijk beleid publiekelijk bekend maakt, pleegt dat wél als "recht" in de zin van art. 79 RO te worden beoordeeld, zie bijvoorbeeld HR 28 juni 1996, NJ 1997, 495 m.nt. HJS, rov. 3.2. Ik merk op dat het in Nederland gangbare liquidatietarief in zoverre een andere plaats inneemt, dat dit niet een door enige rechterlijke autoriteit bekend gemaakt beleidsstandpunt inhoudt, maar een gezaghebbende richtlijn, die in overleg tussen vertegenwoordigingen van de rechterlijke macht en de Nederlandse Orde van Advocaten tot stand is gekomen (zie bijvoorbeeld de publicatie van dit liquidatietarief op de website rechtspraak.nl).
40 HR 3 april 1998, NJ 1998, 571, rov. 3.4.