Nr. 07/13675 Mr. Vellinga Zitting: 30 juni 2009 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)die, wil deze in feitelijke aanleg en/of cassatie geen werk oproepen, eenvoudig toepasbaar moet zijn. Daarmee is niet verenigbaar dat in feitelijke aanleg en/of in cassatie nog weer zou moeten worden onderzocht of aan een verweer terecht de conclusie "vrijspraak" is verbonden.
- Het tweede middel klaagt dat het Hof het beroep op afwezigheid van alle schuld op onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.
- De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal in hoger beroep het volgende aangevoerd, voor zover hier van belang: "[...] Meer subsidiair doe ik een beroep op afwezigheid van alle schuld bij de verdachte en verzoek ik u de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu de verdachte deze gang van zaken niet valt te verwijten, aangezien door het CBR een fout is gemaakt. [...]"
- Het hof heeft dienaangaande het volgende overwogen: "Strafbaarheid van de verdachte Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman namens de verdachte het verweer gevoerd - voor zover het hof begrijpt - dat de beslissing van het CBR van 2 juli 2002 om de verdachte te verplichten mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid onrechtmatig is genomen, nu de verdachte ten onrechte het feit van 3 november 2001 is aangerekend. Hij is derhalve niet viermaal, maar driemaal op verdenking van overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 aangehouden in een periode van vijf jaar. Naar aanleiding van die administratieve fout door het CBR is ten aanzien van de verdachte een onjuiste beslissing genomen door zijn rijbewijs ongeldig te verklaren. Deze beslissing kan niet aan de verdachte worden toegerekend en de verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens de afwezigheid van alle schuld bij verdachte. Het hof verwerpt dit verweer, reeds nu uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte bewust met zijn auto is gaan rijden, terwijl hij wist dat het rijbewijs ongeldig was verklaard. Voorts blijkt uit het besluit van het CBR d.d. 23 augustus 2007 dat zelfs zonder de bewuste aanhouding van 3 november 2001 er niettemin grond bestond voor een onderzoek naar de geschiktheid, gelet op artikel 8, tweede lid van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, zodat niet aannemelijk is geworden dat de beslissing ten aanzien van de verdachte ten onrechte is genomen. Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar."
- De toelichting op het middel betoogt dat de stelling van het Hof dat ook zonder de bestreden aanhouding van 3 november 2001 grond bestond voor een onderzoek naar de geschiktheid motorrijtuigen te besturen, onjuist is.
- Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof het verweer van de raadsman verworpen, reeds nu is gebleken dat de verdachte bewust een auto heeft bestuurd, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Deze overweging van het Hof, waartegen in het middel niet wordt opgekomen, draagt de verwerping van het gevoerde verweer zelfstandig. Hetgeen het Hof overigens heeft overwogen kan derhalve buiten beschouwing blijven.
- Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde en in zoverre terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, alsmede tot verwerping van het beroep voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Kamerstukken II, 2003-2004, 29255, nr. 3 en 5