ECLI:NL:PHR:2009:BJ7540
07/12756 mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 11 september 2009 Conclusie inzake 1. [Eiser 1] 2. [Eiseres 2] 3. [Eiseres 3] tegen de Ontvanger van de Belastingdienst/Zuidwest Inleiding 1. In de onderhavige zaak gaat het - zij het in cassatie nog slechts zijdelings - om de gevolgen die het succesvolle beroep van thans verweerder in cassatie (verder: de Ontvanger) op art. 4:1107 BW (oud), heeft op de verdeling van de nalatenschap van de op 20 augustus 2000 overleden erflater, vader van thans eisers tot cassatie sub 1 en sub 2 (hierna ook: de zoon en de dochter) en echtgenoot van thans eiseres tot cassatie sub 3 (hierna ook: de moeder). Deze verdeling is door de moeder en de dochter tot stand gebracht nadat de zoon de aan hem opgekomen erfenis had verworpen. De Ontvanger heeft in het onderhavige geding gevorderd de verdeling te vernietigen alsmede de moeder en de dochter te bevelen met de Ontvanger tot een (nieuwe) verdeling over te gaan en de zoon te veroordelen een en ander te gedogen, daartoe aanvoerende dat hij bij onherroepelijk geworden beschikking van de rechtbank op de voet van art. 4:1107 BW (oud) is gemachtigd om de nalatenschap in naam van de zoon en in zijn plaats voor hem te aanvaarden op de grond dat hij, de Ontvanger, door de verwerping is benadeeld. Daartegen richt zich het middel met klachten die naar mijn oordeel niet tot cassatie kunnen leiden. Voorts wordt - mijns inziens eveneens tevergeefs - aangevoerd dat de dagvaarding in de onderhavige procedure nietig is omdat deze door de belastingdeurwaarder is uitgebracht.
Daartoe is het volgende aangevoerd. De Ontvanger heeft op de zoon een opeisbare vordering ter zake van onbetaald gebleven belastingaanslagen, die formele rechtskracht hebben verkregen, ten bedrage van (bij eiswijziging) € 160.495,05 (bij dagvaarding bedroeg de vordering € 91.526,05) te vermeerderen met (invorderings-)rente en kosten. De Ontvanger is bij beschikking van 18 december 2002 op de voet van art. 4:1107 BW (oud) gemachtigd om de nalatenschap in naam van de zoon in zijn plaats voor hem te aanvaarden, op de grond dat hij, de Ontvanger, als schuldeiser van de zoon, door de verwerping was benadeeld, met als gevolg dat de verwerping door de zoon is vernietigd en de Ontvanger tot het beloop van zijn vordering op de zoon in diens plaats is getreden, zodat de verdeling niet zonder de Ontvanger had mogen plaatsvinden en de Ontvanger zich tot het beloop van zijn vordering op de zoon moet kunnen verhalen op dat deel van de nalatenschap dat aan de zoon zou zijn toegevallen als deze de nalatenschap niet had verworpen.
De moeder en de dochter hebben primair aangevoerd dat de dagvaarding nietig is nu deze niet door een gerechtsdeurwaarder is uitgebracht doch door een belastingdeurwaarder. Zij hebben voorts gemotiveerd verweer gevoerd. De zoon heeft eveneens gemotiveerd verweer gevoerd.
Bij beschikking van 18 december 2002 is toegewezen het op art. 4:1107 lid 1 BW (oud) gegronde verzoek van de Ontvanger hem te machtigen de nalatenschap van de zoon in naam van de zoon, in zijn plaats en voor hem te aanvaarden. Gelet op het tweede lid van genoemd artikel brengt zulks met zich dat de verwerping van de erfenis "niet verder dan ten voordeele der schuldeisers, en ten beloope van hunne schuldvorderingen" is vernietigd. (rov. 5 en rov. 3) De rechtbank behoefde die vernietiging, gelet op de duidelijke tekst van voormeld artikel, niet expliciet in bedoelde beschikking uit te spreken. Op grond van deze beschikking heeft de Ontvanger het recht zich tot het beloop van zijn vordering te verhalen op dat deel van de nalatenschap dat aan de zoon zou zijn toegevallen als geen verwerping had plaatsgevonden. (rov. 6) Gesteld noch gebleken is dat tegen de beschikking een rechtsmiddel is aangewend. De zoon heeft de gelegenheid gehad de stelling van de Ontvanger dat hij door de verwerping is benadeeld, in die procedure te bestrijden, doch hij heeft zulks nagelaten. Dit brengt mee dat tussen de zoon en de Ontvanger als vaststaand moet worden aangenomen dat de Ontvanger door de verwerping is benadeeld. Aangezien de beschikking thans onherroepelijk vaststaat, hebben de moeder en de dochter te gedogen dat de Ontvanger tot het beloop van zijn vordering op de zoon, in diens plaats is getreden. Zij hebben evenmin als de zoon de mogelijkheid in de onderhavige procedure als geschilpunt op te werpen of de Ontvanger door de verwerping is benadeeld. (rov. 7) Het vorenoverwogene impliceert dat in dit geding slechts aan de orde is of de rechtbank terecht en op goede gronden de notariële verdeling van de nalatenschap heeft vernietigd, moeder en dochter heeft bevolen met de Ontvanger tot een (nieuwe) verdeling over te gaan en de zoon heeft veroordeeld een en ander te gedogen. (rov. 8) De belastingdeurwaarder is ingevolge art. 4 van de Invorderingswet 1990 in alle gevallen waarin de Ontvanger zelfstandig eisend of verwerend in rechte optreedt, bij uitsluiting bevoegd tot het in opdracht van de Ontvanger verrichten van deurwaarderswerkzaamheden, waaronder het in diens opdracht uitbrengen van dagvaardingen en andere exploten, ongeacht de aard van de door of tegen de Ontvanger ingestelde vordering. (rov. 9) Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, aangezien de Ontvanger een nieuwe verdeling vordert, de vordering van de Ontvanger impliciet ook een vordering tot vernietiging van de notariële verdeling inhoudt. (rov. 10)
Anders dan waarvan appellanten kennelijk uitgaan, is in deze procedure niet aan de orde op welke wijze de verdeling van de nalatenschap dient plaats te vinden en behoeft evenmin in deze procedure te worden vastgesteld hoe groot het erfdeel van de zoon is. De geschilpunten die partijen in dat kader hebben opgeworpen, dienen niet in deze procedure aan de orde te komen, doch desgewenst later, in het kader van de verdeling van de nalatenschap. Met de Ontvanger is het hof van oordeel dat bij de nieuwe verdeling ook de belastingschulden die zijn ontstaan na de verwerping kunnen worden betrokken. (rov. 12) Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op. De Ontvanger stelt zich terecht op het standpunt dat de aan de zoon opgelegde belastingaanslagen formele rechtskracht hebben verkregen nu deze onherroepelijk vaststaan, zodat zulks ook door derden als rechtsfeit moet worden geaccepteerd. Feiten of omstandigheden die een uitzondering op dat beginsel zouden rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. Moeder en dochter zijn niet gerechtigd om bezwaar of beroep tegen de aan de zoon opgelegde belastingaanslagen in te dienen. Voorts moet de stelling van appellanten dat met de verwerping werd beoogd te komen tot een verrekening van vorderingen en schulden tussen de zoon en de nalatenschap, als onjuist worden verworpen. Door de verwerping gaan de vorderingen die de nalatenschap op de zoon zou hebben, immers niet teniet. (rov.13) 6. De zoon, de dochter en de moeder hebben tijdig cassatieberoep ingesteld. De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Vervolgens hebben partijen hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna nog is gerepliceerd.
De cassatiemiddelen 7. Middel I richt zich - naar wordt gesteld - tegen de hiervoor samengevat weergegeven rechtsoverweging 7 in samenhang met de rechtsoverwegingen 8 en 12 alsmede de rechtsoverwegingen 14 en 15 en de vervolgens gegeven beslissing in hoger beroep. In rechtsoverweging 7 oordeelde het hof - overwegende dat de beschikking van 18 december 2002 waarbij de Ontvanger is gemachtigd de nalatenschap in naam van de zoon en voor hem te aanvaarden, onherroepelijk is geworden - dat in de onderhavige procedure niet meer als geschilpunt kan worden opgeworpen of de Ontvanger door de verwerping is benadeeld.
Het middel strekt kennelijk ten betoge dat het hof heeft miskend dat zowel de zoon als de moeder en de dochter in de onderhavige procedure waarin de Ontvanger heeft gevorderd de notariële verdeling van de nalatenschap te vernietigen en - kort gezegd - een nieuwe verdeling te bevelen, de bevoegdheid hebben of houden opnieuw als geschilpunt op te werpen óf de Ontvanger door de verwerping is benadeeld.
Art. 4: 1107 BW (oud), zoals in meergenoemde beschikking van 18 december 2002 toegepast, luidde:
Deze bepaling heeft vragen opgeroepen, in het bijzonder nu over de positie van de schuldeiser die is gemachtigd de nalatenschap in naam van zijn schuldenaar en voor deze te aanvaarden, niets naders is bepaald. Het tweede lid bepaalt wel met zoveel woorden dat toewijzing van het verzoek - en aanvaarding door de schuldeiser - meebrengt dat de verwerping wordt vernietigd. Er is sprake van relatieve nietigheid. De verwerping wordt niet verder vernietigd dan ten belope van de schuldvordering van de schuldeiser en is geenszins nietig ten voordele van de erfgenaam die de vordering heeft verworpen. Volgens de heersende leer moet deze bepaling worden beschouwd als lex specialis van de Pauliana van art. 1377 BW (oud) en art. 3:45 e.v. BW. Zij wordt dan ook wel 'de erfrecht-Pauliana' genoemd.
Art. 4:1107 BW (oud) vereist, evenals de regeling van art. 3:45 e.v. BW, benadeling van de schuldeiser, te weten benadeling van de schuldeiser door de verwerping door zijn schuldenaar van een aan deze opgekomen nalatenschap.
Art. 4:1107 BW (oud) vereist - anders dan art. 3:45 BW - geen wetenschap van benadeling, doch wel de tussenkomst van de rechter. Regelt de wet niet wat de positie is van de schuldeiser wiens verzoek ex art. 4:1107 BW (oud) is toegewezen, aangenomen wordt in de literatuur dat de schuldeiser door de rechterlijke uitspraak als bedoeld in art. 4:1107 BW (oud) niet meer verkrijgt dan de bevoegdheid zijn vorderingen op de goederen der nalatenschap te verhalen, nu art. 4:1107 BW (oud) gelet op de wettekst ertoe strekt aan schuldeisers bescherming te bieden tegen benadeling, dat wil zeggen tegen het onttrekken van vermogensbestanddelen aan verhaal. Zie Asser-Van der Ploeg-Perrick (Erfrecht), 1996, nr. 352, met verdere verwijzingen.
Art. 4:205 BW, dat in zoverre in de plaats treedt van art. 4:1107 BW (oud), bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de schuldeiser die klaarblijkelijk is benadeeld doordat zijn schuldenaar een nalatenschap heeft verworpen, kan bepalen dat de nalatenschap zal worden vereffend in het belang van de schuldeisers van degene die verworpen heeft, en dat de rechtbank zonodig een vereffenaar kan benoemen.
Art. 4:219 BW regelt de verdere gang van zaken ten aanzien van de vorderingen van de schuldeiser. Zie over deze bepalingen MvA II, Parl. Gesch. Vaststellingswet Erfrecht, p. 986 resp. 1020 met verwijzingen. Zie over art. 4:205 BW Asser-Perrick 6B, 2005, nr. 460. Zie voorts W.D. Kolkman, "De Erfrechtspauliana (art. 4:205 BW)", Nieuw Erfrecht, oktober 2005, nr. 5, p. 75.
Voor zover het middel uitgaat van de veronderstelling dat het hof met zijn rechtsoverweging 12 heeft geoordeeld dat in het geheel niet meer aan de orde kan komen hoe groot het erfdeel van de zoon is en in hoeverre de Ontvanger zich op dat erfdeel kan verhalen, faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rechtsoverweging 12 geoordeeld dat het niet behoefde te beslissen op welke wijze de verdeling van de nalatenschap dient plaats te vinden en evenmin hoe groot het erfdeel van de zoon is, doch dat de geschilpunten die partijen in dat kader hebben opgeworpen, waaronder die betreffende de hoogte van de belastingschulden van de zoon alsmede omtrent de vraag of de zoon schulden aan de nalatenschap heeft en of deze voor verrekening in aanmerking komen, desgewenst aan de orde dienen te komen in het kader van de verdeling van de nalatenschap die ingevolge het door het hof bekrachtigde vonnis van de rechtbank dient plaats te vinden ten overstaan van de door de rechtbank benoemde notaris. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtopvatting.
Het middel klaagt dat het hof, dat aldus het beroep op nietigheid van de in casu door de belastingdeurwaarder uitgebrachte dagvaarding verwierp, van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan nu de Ontvanger niet als zelfstandig eiser optreedt, doch als gemachtigde van de zoon. Op een verdelingsprocedure zijn de gewone regels van het burgerlijk procesrecht van toepassing, zodat de Ontvanger de burgerlijke deurwaarder had moeten inschakelen, aldus het middel.
Aldus lijkt het middel zich aan te sluiten bij de beslissing van het hof, hetgeen impliceert dat het belang mist. In ieder geval is niet duidelijk waarover het middel bedoelt te klagen, zodat het niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.
Het middel mist reeds feitelijke grondslag nu het kennelijk uitgaat van de veronderstelling dat het oordeel dat bij de nieuwe verdeling ook belastingschulden kunnen worden betrokken die zijn ontstaan na de verwerping, inhoudt dat de Ontvanger zijn vordering kan verhalen op een groter deel van de nalatenschap dan het erfdeel van de zoon.
Conclusie Deze strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden