Nr. 00387/07 P Mr. Machielse Zitting 22 september 2009 Conclusie inzake: [Betrokkene]
(2)en inhoudende dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats], sinds 23 mei 2005 is ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [0000 AA] [woonplaats]. 3.
- In het kader van de aanzegging van art. 435 lid 1 Sv is een GBA-overzicht verstrekt op 19 april 2007, waaruit inderdaad is op te maken dat verdachte vanaf 23 mei 2005 is ingeschreven op [b-straat 1] te [0000 AA] [woonplaats]. 3.
- In HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken heeft de Hoge Raad onder 3.16 aangegeven dat wanneer de verdachte niet in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven maar wel een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland heeft , die feitelijke woon- of verblijfplaats als uitgangspunt dient te worden genomen, dat naar dat adres de dagvaarding als gewone brief over de post dient te worden verzonden, maar dat een nadere verificatie van het adres in de GBA achterwege kan blijven. Art. 588 lid 3 onder c Sv brengt de termijn van vijf dagen slechts in verband met een verdachte die op de dag van aanbieding van de dagvaarding in de GBA is ingeschreven, niet in verband met een verdachte die niet is ingeschreven maar van wie wel een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is. Dat brengt mij tot de conclusie dat voor de geldigheid van de betekening van de dagvaarding van de verdachte van wie enkel een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is alleen de gegevens die bekend zijn op de dag van uitreiking relevant zijn. Als de dagvaarding is aangeboden aan dat adres, als een bericht van aankomst is achtergelaten en als de dagvaarding vervolgens als gewone brief naar dat adres is verstuurd is aan de wettelijke eisen voldaan. Van verdachte kan voorts worden gevergd dat hij maatregelen neemt om te bereiken dat de appeldagvaarding hem bereikt als zijn in de appelakte opgegeven feitelijke woon- of verblijfplaats wijzigt in een GBA-inschrijving of in een andere feitelijke woon- of verblijfplaats. Het middel faalt.
- Ambtshalve wijs ik er op dat sinds het instellen van het beroep tot de dag van vandaag al bijna 3 jaren zijn verstreken zodat de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden. In de hoofdzaak leende de opgelegde straf zich niet voor een vermindering wegens schending van de redelijke termijn. Mijns inziens staat dat er niet aan in de weg dat de Hoge Raad wel de opgelegde betalingsverplichting verlaagt.
- Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag zal verlagen en het beroep voor het overige zal verwerpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Deze zaak hangt samen met zaaknummer 00390/07 in welke zaak ik heden ook concludeer. 2 Vgl. HR 19 juni 2001, NJ 2001, 520 rov. 4.8.