ECLI:NL:PHR:2009:BK0668
Zaaknr. 08/04574 Mr. Huydecoper Zitting van 16 oktober 2009 Conclusie inzake [De vader] eiser tot cassatie tegen [De moeder] verweerster in cassatie In deze zaak, een kort geding waarin het vooral om de naleving van een omgangsregeling gaat, kan volgens mij met een verkorte conclusie worden volstaan.
In de eerste aanleg had de subsidiaire vordering van [de vader] succes (en de vordering van [de moeder] van de tegengestelde strekking dus niet). In een namens [de moeder] ingesteld spoedappel kwam het hof tot een tegengestelde uitkomst. Bij de beslissing van het hof heeft klaarblijkelijk het door de Raad voor de Kinderbescherming ingenomen standpunt - waarin [de vader] in bepaalde opzichten negatief wordt beoordeeld - een belangrijke rol gespeeld.
Bespreking van de cassatiemiddelen 5. De klacht van Middel I komt erop neer dat in strijd met art. 155 Rv. eindarrest is gewezen door een kamer met een andere samenstelling dan die, die eerder een tussenarrest had gewezen waarin een comparitie van partijen werd bevolen.
Deze klacht gaat niet op, reeds omdat er in dit geval geen sprake van is, dat ten overstaan van de raadsheren die het tussenarrest wezen "bewijs is bijgebracht", zoals dat in art. 155 lid 1 Rv. is aangegeven.
Overigens lijkt mij dat de onder vigeur van het vroeger geldende, en van enigszins vergelijkbare strekking zijnde art. 212 Rv. (oud) gevormde rechtspraak, die ertoe strekte dat veronachtzaming van de voorschriften van deze bepaling geen tot nietigheid leidend verzuim opleverde, ook onder het "nieuwe" recht navolging zou verdienen(8).
Deze klacht faalt om meer dan een reden. In het algemeen geldt dat de rechter zijn oordeel mag vormen aan de hand van alle informatie die hem in het kader van een procedure regelmatig bereikt, en dat het aan de rechter is overgelaten om te beoordelen, welk gewicht aan zulke informatie moet worden toegekend. Voor de procedure in kort geding gelden in dit opzicht eerder minder beperkingen dan méér(10). Er bestaat geen enkele aanwijzing dat het recht waar het informatie afkomstig van de Raad voor de Kinderbescherming betreft, iets anders zou inhouden.
Deze klacht stuit onder meer daarop af, dat bij HR 27 februari 2009, NJ 2009, 164 m.nt. Wortmann, rov. 3.4.3, is geoordeeld dat iedere afwijzing van een verzoek om omgang van rechtswege bij gewijzigde omstandigheden of na ommekomst van tenminste een jaar, op basis van een nieuw verzoek in heroverweging kan worden genomen. Wat daar is overwogen lijkt mij in versterkte mate toepasselijk op een voorlopig oordeel in kort geding als het onderhavige. Daarmee ontvalt aan de klacht de grondslag.
Daarop stuit ook deze klacht af.
Conclusie Ik concludeer tot verwerping, met compensatie van de kosten.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 De geboortedatum is 24 november 2004.
2 Zie echter de in voetnoot 4 vermelde ontwikkeling.
3 Uit de gedingstukken blijkt van tenminste vijf procedures in kort geding (waarvan er twee in de onderhavige procesgang gelijktijdig zijn behandeld), naast de aanstonds te vermelden zaak "ten gronde".
4 Bij deze uitspraak is het gezag over [de zoon] bij uitsluiting opgedragen aan de verweerster in cassatie, [de moeder], en is aan [de vader] het recht op omgang ontzegd.
Deze gegevens zouden er misschien toe kunnen doen besluiten dat partijen, althans wat betreft de materiële vorderingen die in dit kort geding aan de orde zijn, geen belang meer hebben bij een verdere beoordeling in cassatie. Men kan echter ook menen dat het feit dat er over en weer aanspraak is gemaakt op kostenveroordelingen, zowel in de feitelijke instanties als in cassatie, betekent dat er voldoende belang bij beoordeling in cassatie is blijven bestaan.
Overigens: reeds het feit dat de hier te berde gebrachte gegevens niet door partijen in cassatie zijn aangevoerd, dat daarvan ook overigens (behalve uit deze conclusie) niets blijkt uit de in cassatie gevormde dossiers, en dat partijen zich daarover in cassatie (dan) ook niet hebben kunnen uitlaten, brengt volgens mij mee dat die gegevens bij de beoordeling in cassatie niet in aanmerking behoren te worden genomen.
5 Nader aangeduid in rov. 2.4 van het in deze zaak in de eerste aanleg gewezen vonnis van 4 juni 2008.
6 Primair vorderde [de vader] kort gezegd: bepaling, voorlopig, dat de verblijfplaats van [de zoon] bij hem zou zijn.
Ik merk, ter vermijding van mogelijk misverstand, op dat blijkens rov. 7.2 van het vonnis van de eerste aanleg, de aanvankelijk gekozen aanwijzingen van het primair en subsidiair gevorderde ter zitting in eerste aanleg is gewijzigd en, daar komt het op neer, omgekeerd.
7 De cassatietermijn bedraagt ingevolge art. 402 lid 2 Rv. jo art. 339 Rv. acht weken. Het arrest is van 19 augustus 2008. De cassatiedagvaarding is op 8 oktober 2008 uitgebracht. De cassatietermijn verstreek op 14 oktober.
8 HR 12 april 1996, NJ 1996, 488, rov. 3.2; HR 26 januari 1996, NJ 1996, 369, rov. 3.10. Ik moet er wel op wijzen dat een passage uit de "oude" wettekst waaraan in de aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad betekenis wordt toegekend, in de "nieuwe" wettekst niet is teruggekeerd.
9 Dat zou onder meer hieruit blijken dat de Raad voor de Kinderbescherming - naar inderdaad is komen vast te staan - [de moeder] had geadviseerd de in kort geding vastgestelde omgangsregeling niet na te leven, en om met [de zoon] "onder te duiken" (wat [de moeder] ook daadwerkelijk zou hebben gedaan).
10 Zo worden in kort geding met enige regelmaat personen "ad informandum" gehoord zonder dat de regels voor het getuigenverhoor daarbij worden toegepast; zie Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Tjong Tjin Tai, art. 254, aant. 15.
11 Zie onder meer art. 1:239 en 1:242 BW; Personen- en Familierecht (losbl.), Doek, art. 238, aant. 4; T&C Burgerlijk Wetboek boeken 1, 2, 3, 4 en 5, Broekhuijzen-Molenaar, 2009, art. 1:238, aant. 2 en aant. 5; Asser - De Boer, 2006, nr. 797.