Nr. 01565/07 Mr. Machielse Zitting 3 november 2009 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Het oordeel van het Hof dat het woord 'onttrekken' mede voldoende feitelijk betekenis heeft geeft geen blijk van een miskenning van de eisen van artikel 261 Sv. Er zijn meerdere woorden die aan delictsomschrijvingen worden ontleend die op verschillende wijzen feitelijk kunnen worden ingevuld maar toch op zichzelf voldoende feitelijk betekenis hebben. Ik wijs op 'deelnemen' in artikel 140 Sr (HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425), 'zich wederrechtelijk toe-eigenen' (HR 24 oktober 1989, NJ 1990, 256), 'brandstichten' (HR 6 februari 1996, NJ 1996, 438), 'anders dan door misdrijf onder zich hebben' (HR 12 mei 1998, NJ 1998, 695), 'aannemen van een valse hoedanigheid' (HR 2 februari 1999, NJ 1999, 368), 'verwerven', 'voorhanden hebben' en 'overdragen' (HR 9 februari 1999, NJ 1999, 327), 'opzettelijk mishandelen' (HR 31 oktober 2000, NJ 2000, 737), 'seksueel binnendringen' (HR 28 juni 2005, LJN AT7301), 'zich ophouden' (HR 5 februari 2008, NJ 2008, 396 m.nt. Mevis), 'verbergen en/of verhullen' (HR 9 september 2008, LJN BD2772), 'zich presenteren als prostituee en/of als zodanig diensten aanbieden' (HR 16 december 2008, LJN BF3792). 3.
- Uit de als bewijsmiddel 9 door het Hof gebezigde verklaring van verdachte is af te leiden dat verdachte heeft begrepen waarvan hij werd beschuldigd, te weten het weggeven van een aantal auto's aan een garage waar verdachte in het krijt stond en de verkoop van twee andere auto's aan een ander garagebedrijf. Dat de advocaat in zijn pleitnota de vraag heeft gesteld welke gedragingen aan verdachte worden verweten poetst deze verklaring van verdachte tegenover de politie zomaar niet weg. Het middel faalt. 4.
- Het tweede middel klaagt over het bewijs. Uit de bewijsconstructie is niet af te leiden dat verdachte zelf en eigenhandig de auto's aan het beslag heeft onttrokken. Evenmin zou het opzet uit de bewijsmiddelen zijn af te leiden. 4.
- Bewijsmiddel 2 houdt als verklaring van de belastingdeurwaarder in dat deze op 28 april 2004 de auto's die in de bewezenverklaring zijn genoemd in beslag heeft genomen. Bewijsmiddel 4 bevat een verklaring van de belastingdeurwaarder, inhoudende dat deze op 28 april 2004 het proces-verbaal van inbeslagneming van deze auto's aan verdachte heeft gegeven. Bewijsmiddel 8 vermeldt dat de belastingdeurwaarder op 26 augustus 2004, toen hij tot executoriale verkoop van de auto's wilde overgaan, deze niet meer aantrof. Blijkens bewijsmiddel 10 heeft de belastingdeurwaarder aan verdachte een toelichting bij beslaglegging uitgereikt, waarvan de inhoud in bewijsmiddel 7 is opgenomen. Verdachte zelf heeft blijkens bewijsmiddel 9 verklaard te weten dat er beslag is gelegd en met de belastingdeurwaarder daarover te hebben gesproken. De deurwaarder heeft aan verdachte toen papieren uitgereikt. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij auto's aan een garagebedrijf heeft gegeven ter compensatie van een schuld en andere auto's aan een ander garagebedrijf heeft verkocht. 4.
- In zijn verkort arrest heeft het Hof nog het volgende overwogen: "Zijdens de verdediging is voorts aangevoerd dat er bij verdachte geen sprake was van opzet gericht op het tenlastegelegde feit. Mede op basis van de door [betrokkene 1] bij de raadsheer-commmissaris afgelegde verklaring met betrekking tot de wijze van betekening van het beslag en de daarbij gegeven schriftelijke toelichting, acht het hof bewezen dat het verdachte duidelijk moet zijn geweest dat er beslag lag en dat hij geen goederen aan het beslag mocht onttrekken." 4.
- In de woorden dat het aan "verdachte duidelijk moet zijn geweest" ligt besloten dat de verdachte opzet heeft gehad op het feit dat er beslag op de auto's lag en dat hij die auto's niet aan het beslag mocht onttrekken.