08/03074 Mr L. Strikwerda Parket, 13 nov. 2009 conclusie inzake [Verzoekster] tegen de Staat der Nederlanden Edelhoogachtbaar College,
- Het tijdig door verzoekster tot cassatie, hierna: [verzoekster], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 april
- Bij deze beschikking heeft de rechtbank het door [verzoekster] op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap ingediende verzoek tot vaststelling van haar Nederlanderschap afgewezen.
- Het cassatieberoep berust op één middel. Thans verweerder in cassatie, de Staat, heeft het middel bestreden en de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
- Het middel kan naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
- Als ik het goed zie, bevat het middel, gelezen in samenhang met de toelichting daarop, twee klachten.
- De eerste klacht verwijt de rechtbank in r.o. 5.3 van haar beschikking aan de bepaling van art. 6 lid 4 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname van 25 november 1975, Trb. 1975, 132, hierna: TOS, een uitleg te hebben gegeven die onjuist en in strijd met de grondgedachte van die bepaling is.
- De klacht faalt. Het middel geeft in het geheel niet aan waarom de uitleg die de rechtbank aan de bepaling van art. 6 lid 4 TOS heeft gegeven onjuist en in strijd met de grondgedachte van die bepaling zou zijn. De klacht voldoet daarom niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen. Zie Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nr.
- Ten overvloede teken ik aan dat de toepassing die de rechtbank in dit geval aan de bepaling heeft gegeven niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Uit de door de rechtbank - onbestreden in cassatie - vastgestelde feiten volgt immers dat [verzoekster], indien zij ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS meerderjarig zou zijn geweest, geen andere nationaliteit zou hebben verkregen dan zij als minderjarige heeft verkregen, zodat de optiemogelijkheid van art. 6 lid 4 TOS voor haar niet openstond. Vgl. HR 26 juni 1987, NJ 1988, 135 nt. GRdG.
- De tweede klacht komt erop neer dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoekster] van de optiemogelijkheid van art. 6 lid 4 TOS geen rechtsgeldig gebruik heeft gemaakt.
- De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank, die - in cassatie tevergeefs bestreden - heeft geoordeeld in dat [verzoekster] geen beroep toekwam op de optiemogelijkheid van art. 6 lid 4 TOS, heeft zich over de vraag of [verzoekster] van deze optiemogelijkheid rechtsgeldig gebruik heeft gemaakt, niet uitgesproken. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,