← Nederland

ECLI:NL:PHR:2009:BK4520

08/02287 Mr L. Strikwerda Zt. 20 nov. 2009 conclusie inzake

  1. [Eiseres 1]
  2. [Eiser 2]
  3. [Eiser 3]
  4. [Eiseres 4]
  5. [Eiser 5]
  6. [Eiser 6] tegen [Verweerster] Edelhoogachtbaar College,
  7. Het tijdig door eisers tot cassatie, hierna: [eiser] c.s., ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een tussenarrest van 23 mei 2006 en een eindarrest van 31 januari 2008 van het gerechtshof te 's-Gravenhage, gewezen tussen [eiser] c.s. als appellanten, incidenteel geïntimeerden, en thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], als geïntimeerde, incidenteel appellante. Bij het eindarrest heeft het hof in het principale en incidentele beroep het beroepen vonnis van de rechtbank Dordrecht van 26 januari 2000 vernietigd en, opnieuw recht doende, de door [eiser] c.s. bij de inleidende dagvaarding tegen [verweerster] ingestelde vorderingen alsnog afgewezen.
  8. Het cassatieberoep berust op twee middelen. [verweerster] heeft de middelen bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
  9. De voorgestelde middelen kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
  10. Middel 1 is gericht tegen het tussenarrest en het eindarrest van het hof en beklaagt zich erover dat het hof heeft nagelaten te overwegen dat het door [verweerster] geproduceerde gewasberschermingsmiddel Curzate M pas als bestrijdingsmiddel in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 is toegelaten in 1993, en niet in 1983, zoals [verweerster] heeft gesteld. Voor zover [eiser] c.s. deze stelling van [verweerster] onvoldoende hebben betwist, had het hof op grond van art. 25 Rv ambtshalve moeten vaststellen dat Curzate M pas in 1993 als bestrijdingsmiddel is toegelaten, aangezien hier sprake is van de situatie dat aanvaarding van de stelling van [verweerster] zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat als bedoeld in art. 149 lid 1 Rv, aldus het middel.
  11. Het middel faalt. Uit art. 25 Rv, gelezen in samenhang met art. 24 Rv, volgt dat het hof bevoegd en gehouden was de vorderingen van [eiser] c.s. toe te wijzen op andere rechtsgronden, doch niet op andere feitelijke gronden dan waarop [eiser] c.s. hun vorderingen hebben doen steunen. [Eiser] c.s. hebben hun vorderingen niet doen steunen op de feitelijke grond dat Curzate M in 1992 niet als bestrijdingsmiddel in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 was toegelaten. Het hof was derhalve, al aangenomen dat Curzate M in 1992 inderdaad niet als bestrijdingsmiddel was toegelaten, bevoegd noch gehouden de vorderingen van [eiser] c.s. op deze grond toe te wijzen. Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen

(2005), nr. 134; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 22e dr. 2009, nr.
  1. Voor zover het middel wil betogen dat aanvaarding van de stelling van [verweerster] (dat Curzate M in 1992 als bestrijdingsmiddel was toegelaten) leidt tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat als bedoeld in art. 149 lid 1 Rv, stuit dit betoog, wat daar verder ook van zij, reeds af op gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de bestreden arresten blijkt niet dat het hof de bedoelde stelling van [verweerster] heeft aanvaard; het hof heeft zich over de vraag of de stelling als vaststaand kan worden beschouwd, überhaupt niet uitgesproken.
  2. Middel 2 gaat ervan uit dat het hof in r.o. 2 t/m 17 van het tussenarrest heeft geoordeeld dat [eiser] c.s. eigen schuld hebben door niet adequaat de phytophtora-besmetting te bestrijden, in het bijzonder nu zij in de periode van extreme phytophtora-druk in augustus en september 1992 niet de in het voorlichtingsmateriaal van [verweerster] voor dat geval voorgeschreven spuitinterval van zeven dagen in acht hebben genomen, welke eigen schuld zodanig groot is dat in de onderlinge verdeling van de vergoedingsplicht, die schade geheel voor rekening van [eiser] c.s. moet blijven (cassatiedagvaarding onder 27), en dat het hof de vorderingen van [eiser] c.s. op deze grond heeft afgewezen (cassatiedagvaarding onder 28). Het middel klaagt erover dat dit aldus begrepen oordeel van het hof onjuist respectievelijk onbegrijpelijk is (cassatiedagvaarding onder 29) en werkt deze klacht uit in negen subonderdelen.
  3. Het middel berust op een verkeerde lezing van het bestreden tussenarrest en moet daarom in zijn geheel falen wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn oordeel dat de vorderingen van [eiser] c.s moeten worden afgewezen niet gegrond op het oordeel dat [verweerster] weliswaar onrechtmatig jegens [eiser] c.s. heeft gehandeld, maar dat de schade niettemin wegens 'eigen schuld' van [eiser] c.s. geheel voor rekening van [eiser] c.s. moet blijven, doch op het oordeel dat niet kan worden aangenomen dat [verweerster] jegens [eiser] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld (r.o. 20 van het tussenarrest). De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.