Nr. 08/00180 E Mr. Bleichrodt Zitting 25 augustus 2009 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Zoals in de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet is gesteld, blijft het strafrecht gereserveerd voor ernstige inbreuken op de rechtsorde; overtredingen die hebben geleid of zeer aannemelijk zullen leiden tot ongevallen met dodelijke afloop, ernstig letsel, dan wel blijvende gezondheidsschade. 3.6 Art. 32 van de Wet, het misdrijf waarop de tenlastelegging is toegespitst, eist kort gezegd dat (
- i)handelingen worden verricht in strijd met de Wet of de daarop rustende bepalingen, (
- ii)daardoor levensgevaar etc. ontstaat of te verwachten is en (iii) de werkgever een en ander weet of redelijkerwijs moet weten. De Rechtbank had verdachte vrijgesproken omdat (iii), het subjectieve bestanddeel, niet bewezen was. Het Hof heeft zijn vrijspraak daarop gebaseerd, dat aan (
- ii)niet was voldaan. 3.7 In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat in de tenlastelegging een causaal verband wordt gelegd tussen het (nalatig) handelen van verdachte en de dood van het slachtoffer. Voldoende is immers dat door dat handelen levensgevaar etc. is ontstaan, ook al zou niet kunnen worden vastgesteld dat in concreto het overlijden van de desbetreffende werknemer van dat handelen het gevolg was. 3.8 Ik meen dat deze klacht berust op een onjuiste lezing van 's Hofs overwegingen. In de eerste plaats ziet het middel over het hoofd wat het Hof voorafgaande aan de in het middel aangevallen zin heeft overwogen. Overduidelijk is, gelet op die passage, dat het Hof zich ervan bewust is geweest dat beslissend was of door het handelen of nalaten levensgevaar etc. is ontstaan. Die aangevallen zin moet dus in de eerste plaats in haar context worden gelezen. Verder wordt in de zin zelf gesproken over "het uiteindelijk (mijn cursiv.C.B.) te verwachten/ontstane gevolg, te weten de dood van het slachtoffer". Dat het leven van het slachtoffer op een bepaald moment in gevaar is gekomen, is duidelijk; dat gevaar heeft zich ook gerealiseerd. Het gaat erom waardoor dat gevaar is ontstaan. Hoewel het Hof (ook in het vervolg van zijn overwegingen) zijn oordeel preciezer had kunnen formuleren, is mijns inziens duidelijk dat het tot uitdrukking heeft willen brengen dat op basis van de tenlastelegging diende te worden onderzocht of de gestelde overtredingen van het Besluit - anders gezegd: de manier waarop placht te worden gewerkt - levensgevaar etc. heeft opgeleverd (en in concreto uiteindelijk tot de dood van het slachtoffer heeft geleid). De vraag was dus of zodanig gevaar door de manier waarop met behulp van de trap ten aanzien van de deegbak en menger/wolf werd gewerkt, werd veroorzaakt. Ook uit het vervolg van 's Hofs overwegingen blijkt dat het heeft onderzocht of de gebruikte werkwijze zodanig gevaar kon hebben doen ontstaan, waarbij het tot de feitelijke en niet onbegrijpelijke conclusie is gekomen dat het niet uitschakelen of het niet drukloos of spanningsloos maken van het arbeidsmiddel alsmede het negeren van de beveiligingsinrichting daarvan (waarbij met het arbeidsmiddel is gedoeld op de menger/wolf) niet tot zodanig gevaar had geleid. Ik kom tot de slotsom dat deze klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden. 3.9 Het middel zelf bevat nog de klacht dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de daarin voorkomende, aan art. 32, eerste lid, van de Wet ontleende, termen "levensgevaar" en/of "ernstige schade aan de gezondheid". Als dit al als een zelfstandige klacht zou moeten beschouwd, merk ik op dat een nadere toelichting waarom van een onjuiste uitleg sprake zou zijn, ontbreekt. Ik zie ook geen reden waarom dat zo zou zijn. Anders gezegd: het Hof heeft er mijns inziens geen blijk van gegeven die termen, die in de tenlastelegging in overeenkomstige zin zullen zijn gebruikt als in genoemde wetsbepaling, op een onjuiste wijze te hebben uitgelegd. 3.10 Het middel faalt en kan, naar het mij voorkomt, met de aan art. 81 RO te ontlenen korte motivering worden afgedaan. 4. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Zie Kamerstukken II, 1997-1998, 25879, nr. 3, blz. 26 e.v. en blz. 40 ten aanzien van het toenmalige art. 31, thans art. 32.