Rolnrs. 08/01550 en 08/01502 mr. E.M. Wesseling-van Gent Zitting: 20 november 2009 Conclusies inzake: Luchthaven Schiphol N.V. tegen Chip(s)hol III B.V. (08/01550) en Chip(s)hol III B.V. tegen Luchthaven Schiphol N.V. (08/01502) Inleiding en inhoudsopgave Het gaat in deze zaak samengevat over de door de rechtbank op de voet van de Luchtvaartwet toegekende schadeloosstelling die de economisch eigenaar van een terrein lijdt als gevolg van een op dat terrein uitgevaardigd bouwverbod. Beide partijen, die hierna Chipshol en de Luchthaven worden genoemd, hebben cassatieberoep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank en enkele daaraan voorafgaande tussenvonnissen. Omdat het in beide cassatieberoepen in de kern om dezelfde problematiek draait, concludeer ik in beide zaken in één conclusie. Voor de overzichtelijkheid van het geheel is de volgende inhoudsopgave opgesteld.
- Feiten en procesverloop in beide zaken Inzake het cassatieberoep Luchthaven/Chipshol (08/01550)
- Ontvankelijkheid
- Bespreking van het cassatiemiddel Onderdeel 1 - Wettelijk kader - De tot schadeloosstelling gerechtigden in de Luchtvaartwet a. parlementaire geschiedenis b. begrip eigenaar in de Onteigeningwet c. kring van persoonlijk gerechtigden tot de terreinen in de Luchtvaartwet en de Wet bouwverbod langs rijkswegen d. begrip derde belanghebbenden in de Onteigeningswet e. nadere analyse van de onteigeningsrechtspraak f. verband met art 55 LVWp. 21 g. de tot schadeloosstelling gerechtigden na de wetswijziging van 27 juni 2002 - Tussenconclusie onderdeel 1
- Eigen schuld (onderdelen 2 en 3) en gevolgtrekking (onderdeel 4) Onderdeel 2 Onderdeel 3 Onderdeel 4 Tussenconclusie onderdelen 1 tot en met 4
- De onderdelen 5 tot en met 8 Onderdeel 5 Onderdeel 6 (leer van de bindende eindbeslissing) Onderdeel 7 Onderdeel 8
- Gevolgtrekking in het cassatieberoep Luchthaven/Chipshol (08/1550) Inzake het cassatieberoep Chipshol/Luchthaven (08/01502)
- Bespreking van het cassatiemiddel Onderdeel 1 (art. 404 Rv.) Onderdeel 2 (onpartijdigheid deskundige) Onderdeel 3 Onderdeel 4 (belastingschade) Onderdeel 5
- Gevolgtrekking in het cassatieberoep Chipshol/Luchthaven (08/01502)
- Na cassatie en verwijzing; uitleiding in beide zaken
- Conclusie - in het cassatieberoep Luchthaven/Chipshol (08/01550) - in het cassatieberoep Chipshol/Luchthaven (08/01502)
- Feiten
(1)en procesverloop
(2)in beide zaken 1.1 Bij akte van 22 december 1993
(3)heeft Chipshol van [betrokkene 1] de economische eigendom verkregen van een aan het terrein van de Luchthaven grenzend stuk grond ter grootte van 38,5 ha. Dit terrein wordt hierna aangeduid als: het [...]terrein. 1.2 In deze akte zijn - voor zover thans van belang - de volgende bepalingen opgenomen: "Heden, tweeëntwintig december negentienhonderd drieënnegentig, verschenen -voor mij, (..) notaris:
- [Betrokkene 1], landbouwer, hierna ook te noemen "verkoper" en
- [betrokkene 2], (...) te dezen handelend: a. in zijn hoedanigheid van directeur van Chip(s)hol III B.V. hierna ook te noemen "koper' en b. als gevolmachtigde van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: Chip(s)ho1 Holding B.V. Verkoper en Chip(s)hol Holding B.V. hebben op vier mei negentienhonderd achtentachtig een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de na te melden registergoederen, waarbij Chip(s)hol Holding B.V. heeft gekocht voor zich of nader te noemen meester. Door Chip(s)hol Holding B.V. wordt bij deze als meester aangewezen koper. Door koper wordt deze aanwijzing aangenomen; koper is bekend met de inhoud van de koopovereenkomst en zal voldoen aan alle verplichting van Chip(s)hol Holding voortvloeiende, en vrijwaart Chip(s)hol Holding B.V. te dier zake. (...) ARTIKEL
- GEEN LEVERING Met deze akte kan geen eigendomsoverdracht van het verkochte worden bewerkstelligd. ARTIKEL
- OVERDRACHT IN ECONOMISCHE ZIN/RISICO
- Het verkochte behoort met ingang van het tijdstip van het passeren van deze akte in economische zin aan koper toe, zodat vanaf dat moment bij hem het gehele belang bij het verkochte berust, alle baten en lasten daarvan voor zijn rekening zijn en hij het volledige risico daarvan draagt en vanaf dat tijdstip met name ook voordelen of nadelen, voortvloeiende uit vervreemnding van het verkochte aan derden, te zijnen bate en te zijnen laste komen. (...) ARTIKEL 8 . TIJDSTIP FEITELIJKE LEVERING, BATEN EN LASTEN, RISICO De feitelijke levering (aflevering) van het verkochte vindt plaats onmiddellijk na de ondertekening van deze akte. Vanaf dat tijdstip komen de baten de koper ten goede, zijn de lasten, met inachtneming van het hiervoor bepaalde, voor zijn rekening en draagt hij het risico van het verkochte. ARTIKEL 10 . GARANTIES DOOR VERKOPER/ONDERZOEK KOPER
- Verkoper heeft gegarandeerd ten tijde van het sluiten van de koop: (...) b. Onteigening van het verkochte is niet aangezegd; (...) d. Het verkochte is niet in een ruilverkaveling of herinrichtingsplan begrepen. (...) ARTIKEL
- BEVOEGDHEID KOPER
- Koper is bevoegd vanaf het tijdstip van het ondertekenen van deze akte met betrekking tot het beheer van en de beschikking over het verkochte alle feitelijke- en rechtshandelingen te verrichten.
- Indien en voor zover in verband met deze handelingen enige medewerking van verkoper noodzakelijk of gewenst is, zulks naar het oordeel van koper, en koper deze handelingen niet kan verrichten op grond van de na te melden volmacht, zal verkoper op eerste schriftelijk, bij aangetekende brief gedaan, verzoek van koper zijn medewerking verlenen.
- Verkoper onthoudt zich overigens van enige feitelijke- of rechtshandeling, met betrekking tot het verkochte, behoudens indien schriftelijke toestemming van koper is verkregen, dan wel het waarnemen der zaken van koper zulks vergt.
- Koper vrijwaart verkoper voor alle aanspraken die jegens verkoper gedaan kunnen worden als juridisch gerechtigde, behoudens voor zover deze aanspraken aan verkoper toerekenbaar zouden zijn.
- Wanneer door gebruikmaking van een hij deze akte aan koper te verlenen volmacht rechtsgevolgen in het leven worden geroepen waarbij derden zijn betrokken, vrijwaart de gebruiker van de volmacht de volmachtgever voor aanspraken van derden. ARTIKEL
- VOLMACHT In het kader van deze overeenkomst en als onverbrekelijk onderdeel daarvan geeft, in het belang van de gevolmachtigde:
- verkoper bij deze aan koper onherroepelijk volmacht, welke volmacht op geen der in het Burgerlijk Wetboek bepaalde wijzen eindigt: a. de overdracht van het verkochte te bewerkstelligen (mits, indien ter zake van de juridische levering koper omzetbelasting dient te voldoen, koper die omzetbelasting bij het verlijden van de akte van levering aan verkoper of aan de Ontvanger zal voldoen) en voorts terzake van het verkochte alle overige rechtshandelingen te verrichten, waaronder begrepen, b. de bevoegdheid het verkochte -met verkoper uitsluitend als onderzetter- met hypotheekrechten te bezwaren tot zekerheid voor de voldoening van zodanige verplichtingen en onder zodanige bepalingen als koper goeddunkt, een en ander met inachtneming van het bepaalde in deze akte;
- koper bij deze aan verkoper een gelijke volmacht de overdracht aan koper te bewerkstelligen ingeval koper, na door middel van deurwaardersexploit in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de voldoening aan een of meer van zijn uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, een en ander met inachtneming van het bepaalde in deze akte. In dit geval is verkoper bevoegd de notaris aan te wijzen." 1.3 Op het moment van de overdracht van het economische eigendom had het [...]terrein de bestemming "agrarische doeleinden". De gemeente Haarlemmermeer (hierna ook: de gemeente) heeft bij besluit van 4 juli 2000 de bestemming gewijzigd in "bedrijfsdoeleinden I", welk besluit op 4 september 2002 onherroepelijk is geworden. 1.4 Het [...]terrein viel vanwege haar ligging nabij luchthaven Schiphol onder de werking van art. 38 van de Luchtvaartwet (LVW), welk artikel tot 20 februari 2003 op die situatie van kracht was. 1.5 Chipshol heeft op 22 november 2002 vergunningen aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer voor het bouwen van bedrijfspanden en kantoren op het [...]terrein. De verzochte vergunningen zijn op 11 februari 2003 door de gemeente verleend. 1.6 Op 16 januari 2003 heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat in de Staatscourant kennis gegeven van het voornemen tot toepassing van art. 38 LVW op het [...]terrein. 1.7 Vervolgens heeft Chipshol op 13 februari 2003 vergunningen aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer voor het bouwen van bedrijfshallen en een kantoorpand op het [...]terrein. Deze vergunningen zijn op 6 mei 2003 verleend. 1.8 Bij besluit van 19 februari 2003, gepubliceerd in de Staatscourant van 20 februari 2003
(4), heeft de staatssecretaris de bouwmogelijkheden op het [...]terrein op grond van art. 38 LVW beperkt. De beperking hield in dat niet langer hoger mocht worden gebouwd dan een bepaalde hoogte en dat op bepaalde delen van het terrein in het geheel geen bebouwing mogelijk was. Overeenkomstig het in deze procedures gehanteerde spraakgebruik wordt het besluit van de staatssecretaris aangeduid als: het bouwverbod. 1.9 Chipshol heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen het bouwverbod, maar dat bezwaar naderhand ingetrokken
(5). 1.10 Bij inleidende dagvaarding van 16 september 2003 heeft Chipshol de Luchthaven gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem en daarbij gevorderd dat de Luchthaven, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van € 97.200.000,--, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2003, althans vanaf de datum van verzuim, althans vanaf 16 september 2006 tot de dag van voldoening. 1.11 Aan deze vordering heeft Chipshol ten grondslag gelegd dat zij ten gevolge van het bouwverbod schade heeft geleden die de Luchthaven moet vergoeden op grond van het bepaalde in art. 50 LVW. 1.12 De Luchthaven heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 1.13 Bij incidentele conclusie tot voeging althans tussenkomst heeft de publiekrechtelijke rechtspersoon De Provincie Noord-Holland, hierna: de provincie, gevorderd dat zij wordt toegelaten tot het geding als gevoegde partij aan de zijde van de Luchthaven, althans als tussenkomende partij. De rechtbank heeft de voeging van de provincie aan de zijde van de Luchthaven bij vonnis van 3 maart 2004 toegestaan. 1.14 Na verdere conclusiewisseling en pleidooien ter zitting van de rechtbank op 29 november 2004 heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 12 januari 2005 geoordeeld dat de Luchthaven de door Chipshol ten gevolge van het bouwverbod geleden schade moet vergoeden (rov. 5.8) en dat de rechtbank behoefte heeft aan deskundige voorlichting over de omvang van de schade (rov. 5.9). Vervolgens heeft de rechtbank bij vonnis van 30 maart 2005 een deskundigenonderzoek bevolen en drie deskundigen benoemd. 1.15 Nadat de deskundigen op 5 juli 2006 schriftelijk bericht hebben uitgebracht en op 10 januari 2007 een aanvullend advies, heeft de rechtbank bij vonnis van 4 april 2007 resumerend overwogen (rov. 2.80) dat geen van de deskundigen voor niet onpartijdig wordt gehouden en dat het advies van de deskundigen op drie onderdelen niet of niet volledig wordt gevolgd, hetgeen betekent dat in beginsel vaststaat dat de Luchthaven ten minste een bedrag van (€ 17.350.000,-- plus € 470.000,-- minus 10% =) € 16.000.000,-- aan Chipshol dient te voldoen als schadeloosstelling in de zin van art. 50 LVW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2003 tot de dag van voldoening. Vervolgens heeft de rechtbank, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de door Chipshol opgevoerde belastingschade. 1.16 Bij rolbericht van 2 mei 2007 heeft Chipshol mededeling gedaan van een eenstemmig verzoek tot royement van de procedure tussen haar en de provincie. Tevens heeft Chipshol bij incidentele conclusie van die datum een provisionele vordering ingesteld, die door de Luchthaven is bestreden. 1.17 De Luchthaven heeft bij incidentele conclusies van 11 juli 2007 een provisionele vordering en een vordering tot verstrekking van afschriften van stukken ingediend. 1.18 Naar aanleiding van de door Chipshol ingestelde provisionele vordering heeft de rechtbank de Luchthaven bij (provisioneel) vonnis van 13 juni 2007 voor de duur van het geding veroordeeld om binnen tien dagen na betekening van het vonnis een voorschot van € 19.000.000,-- aan Chipshol te voldoen. De rechtbank heeft voorts deze betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard nadat in opdracht van Chipshol en ten gunste van de Luchthaven een bankgarantie voor een bedrag van in totaal € 21.500.000,-- is afgegeven. 1.19 De Luchthaven heeft tegen dit provisionele vonnis van 13 juni 2007 alsmede tegen de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 12 januari 2005 en van 4 april 2007 beroep in cassatie ingesteld. Chipshol heeft eveneens cassatieberoep ingesteld tegen het provisionele vonnis van 13 juni 2007. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 6 februari 2009 (met rolnummers 07/11297 en 07/10596) zowel de Luchthaven als Chipshol niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoep
(6). 1.20 De rechtbank heeft op de incidentele vorderingen van de Luchthaven bij vonnis van 19 september 2007 de gevraagde provisie dat Chipshol wordt verboden het provisionele vonnis van 13 juni 2007 ten uitvoer te leggen, geweigerd, voorts bevolen dat Chipshol gewaarmerkte kopieën van de schikkingsbescheiden bij akte in het geding brengt en onder aanhouding van iedere verdere beslissing bepaald dat partijen op een nader te bepalen zitting van de rechtbank inlichtingen verstrekken over (onder meer) de belastingschade. 1.21 De voorzieningenrechter te Haarlem heeft bij vonnis van 17 juli 2007, NJ 2007, 440 voorshands bepaald dat Chipshol mag overgaan tot executie van het vonnis van de rechtbank van 13 juni 2007, nadat in haar opdracht ten gunste van de Luchthaven een bankgarantie is afgegeven die voldoet aan de in dat vonnis genoemde voorwaarden. Over de inhoud van de voorwaarden van de bankgarantie is doorgeprocedeerd in appel, hetgeen heeft geleid tot het arrest van het hof te Amsterdam van 22 november 2007, NJ 2008, 46. 1.22 Bij eindvonnis van 30 januari 2008 (hierna ook: het eindvonnis) heeft de rechtbank in het exhibitieincident het meer of anders gevorderde afgewezen en in de hoofdzaak - verkort weergegeven - de Luchthaven veroordeeld tot betaling aan Chipshol van een bedrag van € 16.000.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2003. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat Chipshol zekerheid dient te stellen. In de zaak met rolnummer 08/01550 1.23 De Luchthaven heeft tijdig
(7)cassatieberoep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank van 30 januari 2008, alsmede tegen de tussenvonnissen van 12 januari 2005, 4 april 2007, 13 juni 2007 en van 19 september 2007
(8). Chipshol heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna zij hebben gere- en gedupliceerd. In de zaak met rolnummer 08/01502 1.24 Chipshol heeft tijdig
(9)cassatieberoep ingesteld tegen - blijkens de op 11 februari 2008 (verbeterd gelezen) afgelegde verklaring ter griffie van de rechtbank te Haarlem - het eindvonnis van 30 januari 2008 alsmede - blijkens haar schriftelijke toelichting (onder 5) en de onderdelen 2 en 3 - tegen het tussenvonnis van 4 april 2007. De Luchthaven heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna zij hebben gere- en gedupliceerd. Inmiddels opgetreden ontwikkelingen in beide zaken a. met betrekking tot de opheffing van het bouwverbod (besluit van 19 februari 2003) 1.25 Bij besluit van 21 september 2006 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat het verzoek van de Luchthaven tot opheffing van het bouwverbod van 19 februari 2003 afgewezen. Zowel de Luchthaven als Chipshol hebben tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft de minister van Verkeer en Waterstaat bij besluit van 28 juni 2007 de bezwaren van beide partijen ongegrond verklaard, het deel van het besluit van 21 september 2006 waarbij het verzoek om opheffing van het verbod is afgewezen op grond van veranderde omstandigheden herroepen en dat verzoek alsnog toegewezen
(10). Het daartegen door Chipshol ingestelde beroep is door de rechtbank te Haarlem bij uitspraak van 17 maart 2008 gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 februari 2009 heeft de Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak, het daartegen gerichte beroep van Chipshol gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard
(11). b. art. 55 LVW-procedure 1.26 De Luchthaven heeft Chipshol bij dagvaarding van 22 augustus 2007 gedagvaard voor de rechtbank Haarlem en daarbij - voor zover thans van belang - gevorderd dat Chipshol ingevolge art. 55 LVW wordt veroordeeld de waardevermeerdering van het [...]terrein als gevolg van de opheffing van het bouwverbod aan de Luchthaven te vergoeden tot maximaal de schadeloosstelling in de artikel 50 procedure, welke waardevermeerdering tenminste € 20.5000.000,-- bedraagt. De rechtbank heeft de zaak bij tussenvonnis van 28 januari 2009, LJN:BH1221, na het nemen van verscheidene eindbeslissingen, verwezen naar de parkeerrol en iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van een uitspraak van de Hoge Raad in de onderhavige zaken. c. overdracht eigendom 1.27 [Betrokkene 1] heeft op 23 november 2007 het [...]terrein geleverd aan Chipshol, waarna Chipshol het merendeel van het [...]terrein vervolgens heeft verkocht en geleverd aan 37 besloten vennootschappen
(12). Inzake Luchthaven/Chipshol (08/1550) 2. Ontvankelijkheid 2.1 Overeenkomstig art. 54 lid 4 en lid 5 LVW in verbinding met art. 53 Onteigeningswet (Ow) heeft de Luchthaven op 12 februari 2008, derhalve binnen twee weken nadat het eindvonnis is gewezen, een verklaring afgelegd ter griffie van de rechtbank te Haarlem tot het instellen van cassatie. Binnen zes weken na afloop van de in art. 54 lid 4 LVW genoemde termijn van twee weken, namelijk op 25 maart 2008, heeft de Luchthaven een cassatiedagvaarding aan Chipshol uitgebracht met een ontwikkeling van de gronden der cassatie. 2.2 In deze cassatiedagvaarding is vermeld dat de betrokken verklaring wordt betekend, maar het desbetreffende gedingstuk is niet aan de cassatiedagvaarding gehecht. Bij schriftelijke toelichting heeft Chipshol dit verzuim gemeld en zich beroepen op de niet-ontvankelijkheid van de Luchthaven
(13). De Luchthaven heeft de verklaring vervolgens bij conclusie van repliek alsnog in het geding gebracht en het ontvankelijkheidsverweer bestreden. 2.3 M.i. kan de Luchthaven in haar cassatieberoep worden ontvangen. In zijn arrest van 24 april 2009, NJ 2009, 207 heeft de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak beslist dat het niet betekenen van een (tijdig) afgelegde verklaring als bedoeld in art. 52 lid 3 Ow een vormverzuim is dat zich leent voor herstel in een geval waarin tijdig is gedagvaard en mits de wederpartij daardoor niet is bemoeilijkt in zijn verweer. Dit laatste is niet het geval, aldus de Hoge Raad - onder verwijzing naar zijn arrest van 13 oktober 1999, NJ 1999, 770 (COVA/ Amersfoort) - door het enkele feit dat een verweerder in cassatie niet reeds binnen maar eerst kort na de voor de dagvaarding in cassatie gestelde termijn heeft kunnen kennisnemen van de verklaring waarbij cassatieberoep is ingesteld en voorts evenmin indien de verweerder weliswaar eerst bij repliek heeft kunnen kennisnemen van de verklaring, maar in de dagvaarding van het bestaan daarvan wel in kennis was gesteld. 2.4 Vastgesteld kan worden dat in de cassatiedagvaarding de datum waarop de verklaring ter griffie werd afgelegd, is vermeld en dat de dagvaarding tijdig aan Chipshol is betekend, zodat het aan Chipshol kenbaar is geweest dat en op welk moment de griffieverklaring werd uitgebracht. Uit de bij repliek overgelegde kopie van de ter griffie van de rechtbank Haarlem afgelegde verklaring kan daarnaast worden opgemaakt dat de Luchthaven daadwerkelijk op de in de dagvaarding vermelde datum haar verklaring heeft afgelegd, hetgeen als zodanig ook niet door Chipshol is betwist. Voorts heeft Chipshol zelf verklaard in haar schriftelijke toelichting (onder 13) dat zij geen hinder heeft ondervonden van het vormverzuim. Uit deze feiten en omstandigheden kan de gevolgtrekking worden gemaakt dat Chipshol door het onderhavige vormverzuim niet is bemoeilijkt in het verweer dat zij in dit geding wil voeren. Het verzuim behoeft niet meer te worden hersteld bij een aanvullend exploot omdat de wederpartij en de cassatierechter uit de dagvaarding en de later ingebrachte kopie van de verklaring evengoed hebben kunnen nagaan dat de cassatietermijn in acht is genomen
(14). 3. Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel bestaat uit acht onderdelen en verschillende subonderdelen. 3.2 Onderdeel 1 is gericht tegen rechtsoverweging 5.2.1 van het tussenvonnis van 12 januari 2005 waarin de rechtbank als volgt heeft geoordeeld over het verweer van de Luchthaven dat Chipshol geen beroep toekomt op art. 50 LVW omdat zij als economisch eigenares niet door die bepaling wordt beschermd: "Dit verweer wordt verworpen. Met de Luchthaven en de Provincie kan worden geoordeeld dat het begrip "economisch eigendom" geen vastomlijnd juridisch begrip is. Onbetwist is evenwel, dat Chipshol blijkens de hiervoor onder 2a genoemde akte een recht op levering van de juridische eigendom van het [...]terrein heeft, hetgeen is te kwalificeren als een persoonlijk recht. Aldus valt Chipshol naar de letter onder "hen, die een persoonlijk recht hebben ten aanzien de terreinen", als bedoeld in artikel 50 lid 1 onder c van de Luchtvaartwet. Het beroep van de Luchthaven en de Provincie op de wetsgeschiedenis heeft de rechtbank er niet van overtuigd dat het in beginsel ruime begrip 'persoonlijk recht' in dit geval slechts zou zien op huurders of beperkt zakelijk gerechtigden. Een uitleg van de Luchtvaartwet op dit punt analoog aan de Onteigeningswet kan niet worden gevolgd, nu laatstgenoemde wet de vergoeding regelt van schade die het gevolg is van het afnemen van de juridische eigendom, zodat daar de vraag naar de schade lijdende partij een niet vergelijkbare rol speelt." 3.3 De Luchthaven klaagt primair dat de rechtbank heeft miskend dat een economisch eigenaar in het geheel niet gerechtigd is tot schadeloosstelling en dus (ook) geen persoonlijk recht heeft als bedoeld in art. 50 lid 1 onder c LVW. Volgens de Luchthaven stond de wetgever bij het in dit voorschrift opnemen van de term "hen, die een persoonlijk recht hebben" slechts een beperkte kring van schadegerechtigden voor ogen, te weten huurders. 3.4 Subsidiair heeft de Luchthaven aangevoerd dat indien het oordeel van de rechtbank dat Chipshol als economisch eigenaar gelijk moet worden gesteld met een persoonlijk rechthebbende als bedoeld in art. 50 lid 1 onder c LVW als juist moet worden aanvaard, de rechtbank heeft miskend dat slechts de eigenaar van de grond in aanmerking komt voor vergoeding van de waardevermindering van de grond. Chipshol komt derhalve als persoonlijk rechthebbende een dergelijke vergoeding niet toe, gelijk Chipshol als persoonlijk rechthebbende op de voet van art. 55 LVW ook niet kan worden aangesproken tot terugbetaling van de waardevermindering van de grond bij opheffing van het bouwverbod. Chipshol komt dan ook, aldus de subsidiaire klacht, louter in aanmerking voor vergoeding van de bijkomende schade die gekoppeld is aan haar positie van persoonlijk rechthebbende. 3.5 Meer subsidiair heeft de Luchthaven geklaagd dat als het oordeel juist is dat Chipshol als economisch eigenaar in aanmerking komt voor vergoeding van de waardevermindering van de grond, de rechtbank heeft miskend dat Chipshol als economisch eigenaar in dat geval voor de toepassing van art. 50 lid 1 LVW op één lijn moet worden geplaatst met de "eigenaren der terreinen" als bedoeld in art. 50 lid 1 onder a LVW. Wettelijk kader 3.6 Het [...]terrein viel (zie hiervoor onder onder 1.4) ten tijde van de oplegging van het bouwverbod vanwege haar ligging nabij luchthaven Schiphol onder de werking van hoofdstuk IV (de art. 38-56) van de LVW. Van dit hoofdstuk zijn voor het onderhavige geval in het bijzonder van belang de artikelen 38 (bouwverbod), 50 (schadeloosstelling) en art. 55 (terugvordering waardevermeerdering), die als volgt luidden
(15): "Artikel 38
- Onze Minister kan op terreinen, gelegen binnen een afstand van 500 m van de grens van een luchtvaartterrein, een verbod leggen ten aanzien van het hebben van roerende zaken, het oprichten of het hebben van bouwwerken of andere opstallen dan wel het planten of het hebben van gewassen op die terreinen of op die terreinen boven een door hem te bepalen hoogte.
- Onze Minister kan op terreinen, gelegen binnen een afstand van 500-5000 m van de grens van een luchtvaartterrein, een verbod leggen ten aanzien van het hebben van roerende zaken, het oprichten of het hebben van bouwwerken of andere opstallen dan wel het planten of het hebben van gewassen op die terreinen boven een door hem te bepalen hoogte, welke niet minder kan zijn dan de in het derde lid aangegeven minimum hoogte. (...) Artikel 50
- De schade, welke door: a. de eigenaren der terreinen, b. de rechthebbenden op een beperkt recht waaraan de terreinen zijn onderworpen, c. hen, die een persoonlijk recht hebben ten aanzien van de terreinen, waarop een verbod als bedoeld in artikel 38, gelegd wordt, door dit verbod mocht worden geleden, wordt door de exploitant van het luchtvaartterrein vergoed.
- Bij de berekening van de schadeloosstelling wordt mede gelet op de waardevermindering van de gezamenlijke gronden, ten aanzien waarvan dezelfde persoon rechthebbende is, ook voor zover zij niet onder het verbod vallen, op het tijdstip van inwerkingtreding als onmiddellijk gevolg van het verbod. Geen rekening wordt gehouden met veranderingen, aangebracht of ontworpen na de kennisgeving in de Staatscourant, bedoeld in artikel
- De hypotheekhouder en de ingeschreven beslaglegger hebben geen recht op afzonderlijke schadevergoeding (...). Artikel 55
- Indien een verbod, als bedoeld in artikel 38, geheel of gedeeltelijk wordt opgeheven, kan de exploitant van het luchtvaartterrein van: a. de eigenaren der terreinen, b. de rechthebbenden op een beperkt recht waaraan de terreinen zijn onderworpen, waarop het verbod rustte, de waardevermeerdering vorderen, welke voor deze onroerende zaken ten aanzien van deze personen uit deze opheffing voortvloeit, tot, in geval van gehele opheffing, ten hoogste het bedrag, dat bij de oplegging van het verbod als schadevergoeding werd toegekend.
- De vordering moet binnen een jaar na de inwerkingtreding van de opheffing worden ingesteld.
- De artikelen 50, tweede lid, 53, eerste lid, en 54 zijn van overeenkomstige toepassing." 3.7 Met ingang van 20 februari 2003 is hoofdstuk IV van de LVW buiten werking gesteld voor de luchthaven Schiphol
(16). In plaats daarvan werd hoofdstuk 8 ingevoegd in de Wet Luchtvaart, waarmee een ander regime van toepassing werd ter zake van beperkingen met betrekking tot de bestemming en het gebruik van het gebied in de nabijheid van de luchthaven. Bij Wet van 18 december 2008 (Stb. 2008, 561) zijn de art. 38-56 LVW vervallen verklaard. De tot schadeloosstelling gerechtigden in de Luchtvaartwet a. parlementaire geschiedenis 3.8 Zoals reeds kort geschetst in mijn conclusie vóór HR 6 februari 2009, LJN BG5056, RvdW 2009, 268 werd door de regering op 31 oktober 1911 een voorlopige regeling van het verkeer met vliegtuigen en luchtschepen aan de Tweede Kamer aangeboden, welk ontwerp nadien talloze wijzigingen onderging die verband hielden met de voortschrijdende ontwikkelingen op het gebied van de luchtvaart
(17)en die uiteindelijk na een parlementaire behandeling van vijftien jaar leidde tot de Luchtvaartwet 1926 (hierna: LVW 1926)
(18). 3.9 In het eerste ontwerp van de LVW 1926 kwam geen regeling voor van een verbod op het aanwezig hebben van belemmeringen op terreinen rond luchthavens en evenmin van een schadeloosstelling. Bij gewijzigd ontwerp van wet uit 1918-1919
(19)werd echter, gelet op het gegeven dat inmiddels de behoefte aan veiligheidsvoorschriften was gegroeid, een nieuw art. 12 voorgesteld dat in de leden 1 en 2 een bouwverbod inhield voor bouwwerken en houtgewas binnen een afstand van 400 en 600 meter van een vliegveld, alsmede een nieuw art. 14 over schadeloosstelling. Art. 13 van het gewijzigd ontwerp luidde vervolgens: "
- Aan de belanghebbenden bij de gronden, ten aanzien waarvan het bij het vorig artikel gestelde verbod geldt, wordt met inachtneming van de artikelen 14-22 eene schadeloosstelling toegekend.
- Onder belanghebbenden worden in deze wet, behalve de eigenaren, verstaan huurders en zij, die zakelijke rechten op de betrokken gronden hebben, alsmede zij, die recht van hypotheek op een dier zakelijke rechten hebben." 3.10 De artikelen betreffende het bouwverbod werden (groten)deels ontleend aan de Wet van 22 december 1922, Stb. 698 houdende regeling inzake vaststelling van een bouwverbod op gronden langs Rijkswegen (hierna aangeduid als: Wet bouwverbod langs rijkswegen)
(20). Aanvankelijk werd in art. 2 van het ontwerp van deze wet bepaald dat belanghebbenden hun bezwaren tegen een bouwverbod kenbaar konden maken, waarbij onder belanghebbenden werd verstaan: eigenaren, huurders, zakelijk gerechtigden op de betroken gronden alsmede zij die recht van hypotheek op een van die zakelijke rechten hebben. Naderhand werd het ontwerp echter herzien en werd op het voetspoor van de Onteigeningswet voorgeschreven dat eigenaren en derde belanghebbenden hun bezwaren tegen een bouwverbod kenbaar konden maken, waarbij onder derde belanghebbenden werd verstaan: (a) zij die een ander zakelijk recht dan het recht van eigendom hebben op de grond waarop een bouwverbod is of vermoedelijk zal worden gelegd, (b) zij die hypotheek hebben op een recht dat op bedoelde grond is gevestigd en (c) zij die een persoonlijk recht hebben op bedoelde grond
(21). 3.11 Ook in de parlementaire geschiedenis van de LVW 1926 werd naar de Onteigeningswet verwezen. Zo werd in de memorie van antwoord uit het zittingsjaar 1920-1921
(22)door de ministers
(23)op gemerkt: "Nu bij artikel 20 (nieuw) op het geding in het algemeen de Onteigeningswet toepasselijk is verklaard, schijnt het aangewezen, ook de woordenkeus van die wet te volgen en de woorden "belanghebbenden" te vervangen door de in die wet gebezigde woorden "eigenaars en derde belanghebbenden." Vervolgens zijn in een opnieuw gewijzigd ontwerp van de LVW 1926
(24), andermaal met verwijzing naar de Wet bouwverbod langs rijkswegen
(25), de begrippen eigenaren en derde belanghebbenden in art. 1 opgenomen en als volgt omschreven: "VI. eigenaren: zij, die het recht van eigendom hebben op terrein, dat is of vermoedelijk zal worden bestemd tot luchtvaartterrein of waarop een bouwverbod is of vermoedelijk zal worden gelegd; VII. derde belanghebbenden: a. zij, die een ander zakelijk recht dan het recht van eigendom hebben op terrein, als onder VI bedoeld; b. zij, die hypotheek hebben op een recht, dat op terrein, als onder VI bedoeld, is gevestigd; c. zij, die een persoonlijk recht hebben ten aanzien van terrein, als onder VI bedoeld." 3.12 Deze redactie heeft in de LVW 1926 kracht van wet verkregen. Voorts is in art. 34 LVW 1926 de volgende schadeloosstellingsbepaling opgenomen: "De schade, welke door eigenaren en derde belanghebbenden met uitzondering van de hypotheekhouders, door het bouwverbod mocht worden geleden, wordt, met inachtneming van de artikelen 35 tot en met 42 vergoed door dengene, te wiens behoeve het bouwverbod is gelegd." 3.13 De LVW 1926 is vervolgens in afwachting van een in voorbereiding zijnde algehele herziening van de Luchtvaartwet partieel
(26)gewijzigd bij de Wet van 12 december 1935 tot wijziging van de Luchtvaartwet 1926 (hierna: LVW 1935)
(27). Het in deze wet in art. 1 onder VI opgenomen begrip derde belanghebbenden luidde: "VI. derde belanghebbenden bij perceelen: a. zij, die een ander zakelijk recht dan eigendom hebben op de perceelen; b. zij, die hypotheek hebben op een recht op de perceelen; c. zij, die een persoonlijk recht hebben ten aanzien van de perceelen; Deze wijziging werd toegelicht met de enkele opmerking dat aan de oude definitie geen behoefte bestond
(28). De rechten van hypotheekhouders met betrekking tot de schadeloosstelling werd omschreven in art. 36 lid 3, die van eigenaren en derde belanghebbenden werd opgenomen in het volgende eerste lid van art. 36 LVW 1935: "De schade, welke door eigenaren van en derde belanghebbenden bij de perceelen, waarop een verbod gelegd wordt, door dit verbod mocht worden geleden, wordt door den rechthebbende op het luchtvaartterrein vergoed." 3.14 De reeds aangekondigde vaststelling van een geheel nieuwe Luchtvaartwet heeft in de Wet van 15 januari 1958, houdende nieuwe regelen omtrent de luchtvaart, Stb. 47 (hierna: LVW 1958) zijn beslag gekregen. Behoudens enige wijzigingen van ondergeschikt belang is echter in art. 50 in dezelfde schadeloosstellingen wegens het opleggen dan wel opheffen van een verbod van belemmeringen voorzien als in de art. 36-40 en 41, vierde lid, van de LVW 1935
(29). Art. 50 LVW 1958 luidt voor zover hier van belang: 1. De schade, welke door: a. de eigenaren der terreinen, b. de zakelijk gerechtigden op de terreinen c. de zakelijk gerechtigden op een recht op de terreinen d. hen, die een persoonlijk recht hebben ten aanzien van de terreinen, waarop een verbod,als bedoeld in artikel 38, gelegd wordt, door dit verbod mocht worden geleden, wordt door de exploitant van het luchtvaartterrein vergoed." 3.15 Deze bepaling werd vervolgens - uitsluitend terminologisch - gewijzigd in 1992 in verband met de invoering van het NBW
(30). De in art. 50 lid 1, aanhef en onder b en c, LVW 1958 opgenomen begrippen "de zakelijk gerechtigden op de terreinen" en "de zakelijk gerechtigden op een recht op de terreinen" werden vanaf 1992 samengevoegd in art. 50 lid 1, aanhef en onder b, onder het NBW-begrip "de rechthebbenden op een beperkt recht". De tekst van art. 50 lid 1, aanhef en onder d, LVW 1958 werd in ongewijzigde vorm opgenomen in art. 50 lid 1, aanhef en onder c. 3.16 De tekst van het eerste lid van deze bepaling heeft gegolden van 1 januari 1992 tot de vervallenverklaring van het artikel op 23 december 2008
(31), met dien verstande dat deze bepaling (evenals de meeste overige bepalingen van hoofdstuk IV van de LVW) ten aanzien van de luchthaven Schiphol reeds met ingang van 20 februari 2003 buiten werking is gesteld
(32). Het op deze zaak toepasselijke art. 50 LVW luidt daarmee als volgt:
- De schade, welke door: a. de eigenaren der terreinen, b. de rechthebbenden op een beperkt recht waaraan de terreinen zijn onderworpen, c. hen, die een persoonlijk recht hebben ten aanzien van de terreinen, waarop een verbod als bedoeld in artikel 38, gelegd wordt, door dit verbod mocht worden geleden, wordt door de exploitant van het luchtvaartterrein vergoed.
- Bij de berekening van de schadeloosstelling wordt mede gelet op de waardevermindering van de gezamenlijke gronden, ten aanzien waarvan dezelfde persoon rechthebbende is, ook voor zover zij niet onder het verbod vallen, op het tijdstip van inwerkingtreding als onmiddellijk gevolg van het verbod. Geen rekening wordt gehouden met veranderingen, aangebracht of ontworpen na de kennisgeving in de Staatscourant, bedoeld in artikel
- De hypotheekhouder en de ingeschreven beslaglegger hebben geen recht op afzonderlijke schadevergoeding (...). 3.17 Uit het voorgaande volgt dat in de LVW 1926 de woordkeus (zie hiervoor onder 3.11) van de Onteigeningswet is gevolgd voor de aanduiding van de eigenaar en (derde) belanghebbende(n) en dat die aanduidingen vanaf de inwerkingtreding van die wet tot aan de vervallenverklaring in 2008 in tekstueel opzicht geen wezenlijke verandering hebben ondergaan alsook dat er geen verdere discussie over is geweest. De vraag rijst dan ook of ten aanzien van de inhoud van de begrippen eigenaar en (derde) belanghebbende(n) eveneens is aangesloten bij die van de Onteigeningswet. b. begrip eigenaar in de Onteigeningwet 3.18 Zoals hiervoor onder 3.10 vermeld, is in het gewijzigd ontwerp van de LVW 1926 voor een aantal bepalingen kortheidshalve verwezen naar het ontwerp van de Wet bouwverbod langs rijkswegen en de toelichting daarop. Daarin is met betrekking tot de inhoud van het begrip eigenaar op de volgende wijze aangesloten bij de Onteigeningswet
(33): "Volgens de Onteigeningswet (artikel 3), - zie Staatsblad nr. 25 van 1922 - worden als eigenaars of mede-eigenaars van een te onteigenen perceel en van een perceel, ten behoeve waarvan eene te onteigenen erfdienstbaarheid is gevestigd, en als rechthebbende of mede-rechthebbende op een te onteigenen zakelijk recht van opstal, erfpacht, vruchtgebruik, gebruik, bewoning of beklemming zij beschouwd, die als zoodanig in de registers van het kadaster voorkomen. Het schijnt aangewezen bij de onderwerpelijke regeling ten aanzien van de eigenaren en de derde belanghebbenden in het algemeen van dezelfde gedachte uit te gaan, in zooverre, dat voor vermelding op de lijst alleen in aanmerking zullen kunnen komen eigenaren en derde belanghebbenden, die in de registers als zoodanig zijn aangeduid."
(34)3.19 Iedere verdere toelichting ontbreekt. Met name blijft duister waarom het "aangewezen is" dat de aan de Onteigeningswet ten grondslag liggende gedachte dat met het begrip eigenaar alleen wordt bedoeld degene die als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, ook voor de Wet bouwverbod langs rijkswegen zou moeten gelden, terwijl een toelichting wél op zijn plaats was geweest in verband met de wezenlijk verschillende belangen die met de respectievelijke regelingen gediend worden. Zo staat in de Onteigeningswet het belang centraal dat de overgang van eigendom vrij van alle lasten en rechten plaatsvindt en hecht de Hoge Raad om deze reden grote waarde aan de kadastrale registratie in de (hierna nog te bespreken) onteigeningsjurisprudentie. Bij het opleggen van een bouwverbod is echter geen sprake van overgang van eigendom maar van beperking in het gebruik van eigendom. De eis van een kadastrale registratie lijkt hier dan ook minder voor de hand te liggen. Het antwoord op de hiervoor onder 3.17 gestelde vraag moet echter luiden dat in de Wet bouwverbod langs rijkswegen en daarmee ook in de LVW 1926 en de latere Luchtvaartwetten kennelijk is aangesloten bij de inhoud van het begrip 'eigenaar' uit de Onteigeningswet. 3.20 Dat voor het begrip 'eigenaar' in de Onteigeningswet de vermelding als zodanig in de kadastrale registratie doorslaggevend is, blijkt ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad over de vraag of economische eigendom onder art. 3 van de Onteigeningswet (Ow) valt. In zijn arrest van 24 juni 1992, NJ 1993, 548 oordeelde de Hoge Raad kort en krachtig dat de economisch eigenaar niet als zodanig in de kadastrale registratie kan worden vermeld omdat verkrijging van economische eigendom niet een feit is dat kan worden ingeschreven in de openbare registers, zodat de economisch eigenaar niet als eigenaar of rechthebbende in de zin van art. 3 Ow kan worden aangemerkt. Van dit oordeel is de Hoge Raad blijkens zijn arrest van 31 januari 1996, NJ 1996, 615 uitdrukkelijk niet teruggekomen. c. kring van persoonlijk gerechtigden tot de terreinen in de Luchtvaartwet en de Wet bouwverbod langs rijkswegen 3.21 Evenals met betrekking tot het begrip 'eigenaar' is voor de terminologie van 'derde belanghebbende' in de LVW 1926 aangesloten bij de Wet bouwverbod langs rijkswegen. In de memorie van antwoord op het ontwerp van die wet is het volgende opgenomen
(35): "Uit de omschrijving van den term "derde belanghebbenden", onder wie o.m. begrepen zijn zij, die een persoonlijk recht hebben ten aanzien van grond, waarop een bouwverbod is of vermoedelijk zal worden gelegd, d.z. dus in hoofdzaak de huurders van zoodanigen grond, moge blijken, dat ondergeteekende in zooverre niet de juistheid kan erkennen van de opmerking, welke is gemaakt bij artikel 11 oud, dat niet zoude mogen worden aangenomen dat b.v. een huurder door het leggen van een bouwverbod schade zal kunnen lijden. De pachter van grond kan door het leggen van een bouwverbod ernstige bedrijfsschade lijden of op zoodanige wijze in het genot van den gehuurden grond worden gestoord, dat, hadde hij deze stoornis vóór het sluiten van de huur- en verhuurovereenkomst kunnen voorzien, hij die overeenkomst wellicht niet zoude hebben aangegaan. Zoude hem de schade in dat geval niet door het Rijk worden vergoed, dan zou het geenszins zijn uitgesloten, dat deze geheel of anders voor een deel te zijnen laste zoude komen, of dat hij althans groote moeite zoude hebben die op een ander te verhalen. Intusschen kan worden toegegeven, dat hoewel onder den term: "belanghebbenden" in laatsgenoemd artikel ingevolge het tweede lid van artikel 2 oud, de huurders zijn begrepen, de redactie van de artikelen 12 oud en 13 oud alsmede de toelichting op artikel 12 oud aanleiding geeft tot het vermoeden, dat de huurders het recht op schadevergoeding zouden ontberen. De artikelen 12 en 13 toch, welke den grondslag aangeven voor de berekening der schadeloosstelling en waarnaar het kernvoorschrift nopens de schadevergoeding, d.i. artikel 11 oud o.m. verwijst, wekken den schijn, alsof bij de berekening dier schadeloosstelling uitsluitend de waardevermindering van den grond in eenmerking zoude mogen worden gebracht, en mitsdien de schade, welke uit anderen hoofde zoude worden geleden, bijv. de bedrijfsschade, geheel zoude moeten worden verwaarloosd. Ware dit juist, dan zoude daaruit ook volgen, dat de huurders het recht op vergoeding van de door hen tengevolge van het bouwverbod geleden schade zouden moeten derven. Dit is de bedoeling niet geweest. Op het voetspoor van verschillende wetten (zie bijv. de wet van 26 april 1918, Staatsblad nr. 276, die van 10 November 1900, Staatsblad nr. 176 en de Rivierenwet) behoort alle schade aan de in artikel 14 nieuw bedoelde eigenaren en derde belanghebbenden, onder wie de huurders begrepen zijn, door het Rijk te worden vergoed, en overeenkomstig dit beginsel, hetwelk de billijkheid te aanvaarden gebiedt, zijn dan ook de betrekkelijke artikelen van het ontwerp zoodanig gewijzigd, dat de erkenning daarvan in dit ontwerp buiten twijfel wordt gesteld (...)." 3.22 In dit citaat worden tot de kring van persoonlijk gerechtigden tot de terreinen in hoofdzaak de huurders en pachters van de grond gerekend. 3.23 In de toelichting bij de wetswijziging van 1992 wordt via verwijzing naar een ander onderdeel uit de toelichting eveneens uitsluitend melding gemaakt van "persoonlijk gerechtigden als huurders en pachters"
(36): "e. Voorts wordt bijvoorbeeld in de Monumentenwet, de Inkwartieringswet en de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven <<rechthebbenden op een zaak>> vervangen door: rechthebbende ten aanzien van een zaak. In de terminologie van het nieuw B.W. hebben immers uitsluitend zakelijk gerechtigden een recht <<op>> een zaak, terwijl in deze wetten bedoeld is met deze term ook persoonlijk gerechtigden als huurders en pachters te omvatten. Hierdoor stemmen genoemde wetten tevens overeen met de terminologie zoals die wordt gebezigd in artikel 6 van de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven en de Belemmeringenwetten." 3.24 Chipshol heeft in haar schriftelijke toelichting (onder 123) met een beroep op de parlementaire geschiedenis van de Wet bouwverbod langs rijkswegen betoogd dat onder derde belanghebbenden niet alleen de huurders maar alle persoonlijk gerechtigden moeten worden begrepen. Zij doet daarbij met name een beroep op hetgeen in de memorie van toelichting is opgemerkt over toekenning van een zelfstandig recht op schadevergoeding aan alle belanghebbenden, dit in afwijking van de Onteigeningswet
(37). 3.25 De desbetreffende passage luidt als volgt: "Artikelen 11, 14 en 15, eerste lid. Volgens deze artikelen wordt aan alle belanghebbenden, met uitzondering van hypotheekhouders, zooals nader bij artikel 18 wordt bepaald, een zelfstandig recht op schadevergoeding gegeven. Deze regeling wijkt af van die, welke in zake de toekenning van schadeloosstelling ten aanzien van verschillende derde belanghebbenden in de Onteigeningswet is getroffen. Het beginsel, dat in eerstebedoelde regeling is neergelegd, is om zooveel mogelijk procedures te voorkomen; ditzelfde beginsel is in de Rivierenwet ontwikkeld." 3.26 M.i. kan in deze passage niet zozeer een oogmerk tot uitbreiding van de kring van persoonlijk gerechtigden worden gelezen, maar blijkt veeleer dat is beoogd aan derde belanghebbenden het recht te verlenen om zelfstandig een schadeloosstellingsprocedure te entameren en niet, zoals op de voet van de Onteigeningswet, door middel van tussenkomst in de procedure. Steun voor deze uitleg kan ook worden gevonden in de parlementaire geschiedenis van de LVW
- Daarin is in de memorie van antwoord de volgende nadere overweging van de regering gegeven: "Artikel 18 (artikel 20 nieuw). Bij nadere overweging, komt het gewenscht voor, hier niet de gewone procedure te volgen, maar een eenvoudigere en snellere, n.l. de onteigeningsprocedure. Derhalve zijn enkele artikelen van de Onteigeningswet, zij het dan ook met eenige wijzigingen, in de onderwerpelijke regeling overgenomen. Die wijzigingen, welke overigens van weinig beteekenis zijn, houden verband met de feiten, dat bij genoemde regeling:
- de aanlegger is degeen, die de schadeloosstelling vraagt, en niet zooals dit bij de onteigening het geval is, hij die de vergoeding heeft te voldoen;
- de derde belanghebbenden het geding zelfstandig kunnen voeren, in tegenstelling met het bepaalde in de Onteigeningswet, waarbij zij zich hebben te beperken tot tusschenkomst in het geding tegen de onteigende partij;
- (...)
(38)." d. begrip derde belanghebbenden in de Onteigeningswet 3.27 In de Onteigeningswet is de kring van persoonlijk gerechtigden onder het begrip derde belanghebbende vanaf de eerste afkondiging van deze wet in 1851 tot heden geleidelijk uitgebreid van huurder en zakelijk gerechtigden tot de huidige opsomming in art. 3 lid 2 Ow van: beperkt gerechtigden, huurders, onderhuurders, pachters, onderpachters, bezitters, eigenaren in geval van mandeligheid volgens 5:60, lid 2, BW, schuldeisers als bedoeld in art. 6:252 BW, en zij die op het te onteigenen goed of op een recht waaraan dat is onderworpen, beslag hebben gelegd
(39). Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de economisch eigenaar echter niet onder deze kring van derde belanghebbenden worden geschaard
(40). e. nadere analyse van de onteigeningsrechtspraak 3.28 In zijn annotatie van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 24 juni 1992, NJ 1993, 548 waarin is geoordeeld dat de economisch eigenaar geen eigenaar is in de zin van art. 3 Ow en dat hij dus geen eigen recht heeft op vergoeding van schade die hij lijdt als gevolg van de onteigening, heeft Mörzer Bruyns onder meer geconstateerd dat het merkwaardige feit zich voordoet dat de juridisch eigenaar die wel in het geding is, eigenlijk geen schade lijdt omdat hij de waarde van de onroerende zaak al heeft ontvangen ten tijde van de verkoop van zijn economisch belang bij de zaak. Volgens Mörzer Bruyns zal men er niettemin van uit moeten gaan dat er niet onteigend kan worden zonder vergoeding van de werkelijke waarde aan de juridisch eigenaar die dit 'voordeel' zal moeten afstaan aan de economisch eigenaar. Gecompliceerder wordt het z.i. echter indien de economisch eigenaar ook bijkomende schade heeft omdat dan de vraag rijst of de juridisch eigenaar deze schade die hij niet zelf lijdt, wel kan claimen. 3.29 Daarover handelden de zaken die leidden tot de arresten van 10 augustus 1995, NJ 1996, 614 en van 31 januari 1996, NJ 1996, 615, waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor zover de schade die de economisch eigenaar lijdt moet worden aangemerkt als schade die rechtstreeks en noodzakelijk door de onteigening wordt geleden, hij weliswaar niet een eigen aanspraak heeft jegens de onteigende partij op vergoeding van die schade, maar dat de juridisch eigenaar die aanspraak wel heeft. Alsdan, aldus de Hoge Raad, heeft de economisch eigenaar op de voet van art. 6:78 BW jegens de juridisch eigenaar recht op vergoeding van zijn schade ter grootte van hetgeen de juridisch eigenaar op grond van voormelde aanspraak heeft verkregen. Daarbij is van belang dat bij het bedingen van economisch eigendom aan degene die economisch eigenaar wordt middelen ten dienste staan om te verzekeren dat hij schade die hij als gevolg van onteigening kan lijden, ook daadwerkelijk vergoed zal krijgen van de juridisch eigenaar. 3.30 De Hoge Raad hield dus vast aan de (om)weg van het ageren door de juridisch eigenaar tot het verkrijgen van de schadevergoeding die door de economisch eigenaar wordt geleden, met daarbij de opdracht aan de economisch eigenaar om contractueel te regelen dat hij zijn onteigeningsschade inderdaad langs die weg vergoed krijgt. Ik denk overigens dat Chipshol daar wel voor heeft gezorgd. In de tussen [betrokkene 1] en Chipshol op 22 december 1993 gesloten overeenkomst ligt in artikel 12 lid 2 besloten dat Chipshol de bevoegdheid heeft om de juridisch eigenaar te sommeren te zijnen behoeve een schadeloosstellingsprocedure te starten. Daarnaast is in artikel 6 bepaald dat vanaf het moment van het passeren van de akte alle baten en lasten voor rekening van de economisch eigenaar zijn, zodat op deze bepaling een aanspraak op doorbetaling van een eventueel aan de juridisch eigenaar toekomende schadeloosstelling zou kunnen worden gegrond. f. verband met art 55 LVW 3.31 Omdat de begrippen 'eigenaar' en 'derde belanghebbende' in de diverse artikelen van de LVW verband met elkaar houden en m.i. dan ook op dezelfde wijze moeten worden uitgelegd, is voor deze uitleg ook (de parlementaire geschiedenis van) art. 55 LVW van belang. In art. 55 LVW 1958 werd de in art. 43 LVW 1926 en in art. 41 LVW 1935 neergelegde regeling - dat bij opheffing van het bouwverbod van de eigenaar en derde belanghebbenden betaling mag worden gevorderd tot ten hoogste het bedrag van de eerdere schadeloosstelling - gewijzigd waardoor de waardevermeerdering uitsluitend nog kan worden gevorderd van de eigenaar en de (latere)
(41)rechthebbenden op een beperkt recht op de terreinen. De bij het wetsontwerp betrokken ministers gaven voor deze beperking de volgende reden: "Het wordt niet juist geacht de in artikel 55 bedoelde vordering bij opheffing van een verbod tot belemmeringen op een aan een luchtvaartterrein grenzend terrein ook te laten gelden tegenover hen, die een persoonlijk recht hebben ten aanzien van deze terreinen. Als nl. door opheffing van het verbod de gebruikswaarde van het onroerende goed stijgt, zal dit zijn uitdrukking vinden in de verhoging van de som, welke de gerechtigde voor het gebruik van het onroerend goed moet betalen."
(42)3.32 Aangezien het begrip 'persoonlijk gerechtigde' verder niet is toegelicht, en evenmin in de wetsgeschiedenis van art. 43 LVW 1926 en van art. 41 LVW 1934 enige opmerking is gemaakt over de kring van gerechtigden, kan, mede in het licht van de opmerking in de memorie van antwoord dat "het gestelde in dit artikel niet nieuw is en dat artikel 41 van de bestaande Luchtvaartwet soortgelijke bepalingen bevat"
(43), uit de wetsgeschiedenis van art. 55 worden opgemaakt dat de kring van persoonlijk gerechtigden tot de terreinen is beperkt tot degenen die van de grond gebruik maken en dat deze kring ten opzichte van de eerdere Luchtvaartwetten of de Onteigeningswet niet is uitgebreid. g. de tot schadeloosstelling gerechtigden na de wetswijziging van 27 juni 2002 3.33 Bij Wet van 27 juni 2002 tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol
(44)is - zie hiervoor onder 3.7 - hoofdstuk IV van de LVW 1958 met ingang van 20 februari 2003 ten aanzien van de luchthaven Schiphol buiten werking gesteld en is een nieuw hoofdstuk 8 ingevoerd
(45). De wetswijziging is ingegeven door het in gebruik nemen van een vijfde baan op Schiphol ter uitvoering van het beleidsvoornemen om enerzijds Schiphol zich als "mainport" te laten ontwikkelen (groei) en anderzijds de kwaliteit van de leefomgeving niet te laten verslechteren en zelfs deels te verbeteren (veiligheid en milieu). De gedachten daarover zijn ontwikkeld in het begin van de negentiger jaren van de vorige eeuw
(46). Aangezien het daartoe benodigde nieuwe stelsel van grenswaarden en het nieuwe handhavingstelsel niet op de destijds bestaande wetgeving konden worden gebaseerd, werd een wijziging van de wetgeving noodzakelijk geacht
(47). Volgens het nieuwe stelsel worden beperkingen in bestemming en gebruik van in de nabijheid van de luchthaven gelegen grond niet langer in de vorm van een bouwverbod opgelegd, maar gelden zij als uitgangspunt en worden zij vastgesteld bij het Luchthavenindelingsbesluit. Dit besluit werkt door in bestemmingsplannen, in die zin dat die bestemmingsplannen overeenkomstig het besluit moeten worden vastgesteld of herzien
(48). Afwijking van de beperkingen is mogelijk door middel van een vrijstelling (WRO) en een verklaring van geen bezwaar
(49). Een ander belangrijk verschil met hoofdstuk IV van de LVW is dat de schadeplichtige niet langer de Luchthaven is, maar het Rijk (art. 8.31), waarmee de schadeloosstellingsregeling een meer bestuursrechtelijk karakter krijgt. De kring van gerechtigden op die schadeloosstelling is voorts ruimer onder de nieuwe wet, althans niet langer beperkt tot eigenaar en derde-belanghebbenden maar aangeduid met "belanghebbende". 3.34 Voordat ik nader inga op dit belanghebbendebegrip onder de LVW 2002, merk ik op dat in de memorie van toelichting op de Wet van 27 juni 2002 niet expliciet is stilgestaan bij de kring van gerechtigden onder de oude LVW. Opvallend is wel dat in de memorie van toelichting in algemenere zin ter zake van art. 38 e.v. van de oude LVW is opgemerkt dat dit regime in de praktijk, vanwege de zeer ingewikkelde regeling, nooit is toegepast
(50). 3.35 Art. 8.31 van de LVW 2002 bepaalt in het eerste lid: "Indien een belanghebbende ten gevolge van het luchthavenindelingbesluit of het luchthavenverkeerbesluit schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd, kent Onze Minister van Verkeer en Waterstaat hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe." 3.36 In de toelichting op deze bepaling wordt verwezen naar art. 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
(51): "Schadevergoeding De door het luchthavenindelingsbesluit veroorzaakte schade komt, onder de in artikel 8.31, eerste lid, geformuleerde omstandigheden, voor rekening van het Rijk. Het gaat dan om schade die redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd. Deze regeling is vergelijkbaar met vergoeding van de planschade op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (...)." 3.37 Volgens art. 49 WRO (oud)
(52)kan een belanghebbende die ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, schadevergoeding verzoeken. In het oorspronkelijke wetsontwerp werd die mogelijkheid alleen geboden aan de eigenaar of pachter van of zakelijkgerechtigde op de grond
(53). Naar aanleiding van opmerkingen in het voorlopig verslag
(54)is de kring van gerechtigden echter uitgebreid tot het ruimere begrip 'belanghebbende'
(55). Met deze wijziging kwam in ieder geval ook de huurder in aanmerking voor schadevergoeding op de voet van art. 49 WRO
(56). Het belanghebbendenbegrip in art. 49 WRO omvat echter meer gerechtigden. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer gaf de regering desgevraagd
(57)de volgende toelichting op art. 49 WRO: "Op de vraag wie in dit artikel onder belanghebbende wordt verstaan, zouden de ondergetekenden in aansluiting aan de jurisprudentie op de vigerende Woningwet als hun mening kenbaar willen maken, dat hiermede van ouds de rechthebbenden op de in het plan begrepen grond zijn bedoeld. De jongste jurisprudentie heeft het begrip "belanghebbende" zelfs nog verruimd en verstaat er een ieder onder, die een persoonlijk belang bij de beslissing heeft. Daaronder kunnen óók pachters van grond of huurders worden gebracht." 3.38 Ook in de literatuur wordt het belanghebbendebegrip van art 49 WRO ruim uitgelegd. Volgens Van der Schaaf zijn onder belanghebbenden "zonder twijfel te verstaan de eigenaren van onroerend goed, zowel zij die het in volle eigendom bezitten, als zij die slechts mede-eigenaar, ook in gebonden vorm, of bloot-eigenaar zijn, alsook kopers, aan wie de eigendom nog niet is overgedragen. Verder zij die gerechtigd zijn tot vruchtgebruik, tot erfdienstbaarheden, beklemde meiers en in het algemeen alle zakelijk gerechtigden. Naar de gebleken bedoeling van de wetgever moeten tot de belanghebbenden ook worden gerekend pachters en onderpachters, huurders en onderhuurders; naar mijn mening ook zij die gebruikers zijn onder andere titel"
(58). Van Geest en Hödl stellen dat belanghebbende in de zin van art. 49 degene is die schade lijdt of zal lijden en dat het belanghebbendebegrip in deze bepaling ruimer is dan dat van art. 1:2, eerste lid Awb
(59). Van Zundert is in zijn commentaar op art. 6.1 Wro, de opvolger van art. 49 WRO eveneens van mening dat het begrip 'belanghebbende' niet te beperkt dient te worden uitgelegd en dat het enkele feit dat iemand schade lijdt hem tot belanghebbende maakt. Hij voegt daaraan echter het volgende toe: "Iemand die zijn onroerend goed economisch heeft overgedragen met een recht op een nader te bepalen tijdstip van levering, is geen belanghebbende meer."
(60). Tot slot wijs ik op het door de Raad van advies voor ruimtelijke ordening ingenomen standpunt ten aanzien van het belanghebbende-begrip, zoals dit blijkt uit zijn advies over het rapport van de commissie artikel 49 WRO: "iedere belanghebbende heeft recht op vergoeding van onevenredige schade, veroorzaakt door een bestemmingsplan, ongeacht of hij eigenaar of gebruiker is van onroerend goed, danwel of hij werknemer of beroepsbeoefenaar is."
(61). 3.39 De jurisprudentie op art. 49 WRO bevestigt het beeld dat onder de belanghebbenden die op grond van die bepaling schadevergoeding kunnen verzoeken, mede de economisch eigenaar begrepen kan worden. Ik verwijs daartoe naar ABRvS 12 augustus 1999, AB 2000, 65 en ABRvS 10 maart 2004, BR 693 (en de daarmee samenhangende uitspraak ABRvS 25 mei 2005, LJN: AT6165). Zie echter ook ABRvS 16 februari 2005, LJN: AS6226, dat een andere kant uit lijkt te gaan nu de Afdeling in die uitspraak oordeelde dat het verzoek tot schadevergoeding van een economisch eigenares terecht was afgewezen omdat de vrouw ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan geen (juridisch) eigenares was. De Afdeling doet de zaak echter niet af met het oordeel dat de vrouw daarom geen belanghebbende is, maar op grond van de overweging dat de beweerderlijk door haar geleden schade niet het gevolg is van voornoemd bestemmingsplan, op de causaliteit dus. De uitspraak lijkt derhalve niet in tegenspraak met de eerdergenoemde uitspraken. Tussenconclusie onderdeel 1 3.40 Het voorgaande samenvattend kom ik tot de volgende tussenconclusies. In de oude LVW is geen nadere invulling gegeven aan de inhoud van de begrippen eigenaar en derde belanghebbende (persoonlijke gerechtigde op de terreinen) en is op dit punt aansluiting gezocht bij de Onteigeningswet. Hoewel de wetgever daarbij blijkens de parlementaire geschiedenis van de LVW nimmer de positie van de economisch eigenaar in zijn overwegingen heeft betrokken
(62), lijkt uit die aansluiting bij de Onteigeningswet en de in de rechtspraak van de Hoge Raad aan voormelde begrippen gegeven nadere uitleg te volgen dat Chipshol noch op grond van de LVW noch naar analogie met de Onteigeningswet als economisch eigenaresse van het [...]terrein een zelfstandig recht tot het vorderen van schadeloosstelling toekomt. Deze conclusie zou echter tot gevolg hebben dat deze procedure, die reeds sinds 16 september 2003 loopt, zou moeten worden beëindigd en dat Chipshol [betrokkene 1] zal moeten sommeren te zijnen behoeve alsnog een art. 50 LVW-procedure te starten tegen de Luchthaven om - naar verwachting, ik laat eventuele ontvankelijkheidsvraagstukken nu even daar
(63)- over een aantal jaren op hetzelfde punt aan te belanden waar we nu reeds zijn. Ik acht deze consequentie, mede gelet op het gegeven dat Chipshol als economisch eigenenaresse onder de huidige LVW wel een vorderingsrecht zou hebben gehad, vanuit proceseconomische overwegingen en doelmatige besteding van overheidsgeld volstrekt onaanvaardbaar. 3.41 Gegeven (
- i)deze onaanvaardbare consequentie, (
- ii)de omstandigheid dat zich niet eerder een geval als dit heeft voorgedaan (zie hiervóór onder nr. 3.34), zich in de toekomst ook niet zal gaan voordoen, en derhalve sprake is van een uniek en eenmalig geval, (iii) de omstandigheid dat Chipshol als economisch eigenaar degene is die als gevolg van het bouwverbod schade heeft geleden terwijl de Wet bouwverbod langs rijkswegen (welke wet model stond voor de LVW) de strekking heeft dat de billijkheid vordert dat de schade die door het bouwverbod wordt veroorzaakt wordt vergoed
(64), en (iv) de omstandigheid dat schade als gevolg van een beperking in gebruik van eigendom (zoals door een bouwverbod) van een geheel andere aard is dan schade als gevolg van ontneming van eigendom, en in dat kader beter aansluiting kan worden gezocht bij een naar zijn aard meer overeenstemmende regeling zoals art. 49 WRO (planschade) voor welke benadering overigens ook in de huidige LVW is gekozen, meen ik dat er voldoende grond is om in het onderhavige geval de economisch eigenaar gelijk te stellen met de (juridisch) eigenaar in de zin van art. 50 lid 1 sub a LVW. 3.42 Dat de economisch eigenaar voor de toepassing van de Luchtvaartwet 1958 moet worden gelijkgesteld met de juridisch eigenaar, en niet met de persoonlijk gerechtigde, sluit allereerst het beste aan bij het systeem van de Luchtvaartwet indien men de gevolgen van het opleggen van een bouwverbod in ogenschouw neemt. De persoonlijk gerechtigde lijdt als gebruiker van de grond geen schade door waardevermindering van de grond, maar schade die voortvloeit uit dan wel samenhangt met het desbetreffende gebruik van de grond, bijvoorbeeld bedrijfsschade
(65). De economisch eigenaar daarentegen wordt op gelijke wijze als de juridisch eigenaar in zijn belang getroffen door de oplegging van een bouwverbod, namelijk door (onder meer) waardevermindering van de grond ten aanzien waarvan het verbod is opgelegd
(66). 3.43 De gelijkstelling van de economisch eigenaar met de juridisch eigenaar vindt daarnaast zijn rechtvaardiging in de consequenties van het systeem van de LVW zoals dat is uitgewerkt in de art. 50 en 55. Zou de economisch eigenaar worden gelijkgesteld met de persoonlijk gerechtigde, dan zou hij, voor zover hij schadeloos is gesteld voor de waardevermindering van de grond als gevolg van oplegging van een bouwverbod, in geval van opheffing van dat verbod niet kunnen worden aangesproken bij een op de voet van art. 55 ingestelde vordering tot terugbetaling van een waardevermeerdering van de grond als gevolg van bedoelde opheffing
(67). Een dergelijke onbillijke situatie heeft de wetgever nu juist met invoering van art. 55 LVW willen voorkomen, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis van het artikel
(68): "De commissie vraagt naar de gronden, waarop de bepalingen in dit artikel berusten. (...) Billijkheidsoverwegingen vormen de gronden van deze bepalingen: indien een exploitant van een luchtvaartterrein ten gevolge van het leggen van een verbod ingevolge artikel 50 de schade heeft moeten vergoeden, voortvloeiende uit de waardevermindering van de terreinen, doch daarna het verbod weer wordt opgeheven, ten gevolge waarvan deze terreinen weer de oorspronkelijke waarde verkrijgen, is het billijk, dat de exploitant in de gelegenheid wordt gesteld de door hem betaalde schadevergoeding geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Anders zouden de gerechtigden op de terreinen onredelijk verrijkt worden." 3.44 Ten slotte stemt de positie van Chipshol blijkens de akte van 22 december 1993 materieel in hoge mate overeen met de positie van een juridisch eigenaar (zie hiervoor onder 1.2). In tegenspraak met haar eerdere tussenvonnis van 12 januari 2005 heeft de rechtbank in haar vonnis van 28 januari 2009, LJN:BH1221 in de door de Luchthaven ingestelde art. 55 LVW-procedure - m.i. terecht - als volgt geoordeeld: "5.7 (...) Anders dan artikel 50 Lvw, op grond waarvan ook aan hen die een persoonlijk recht hebben ten aanzien van de terreinen waarop een bouwverbod wordt gelegd de daardoor geleden schade wordt vergoed, biedt artikel 55 Lvw blijkens de Memorie van Toelichting bewust geen grond om de waardevermeerdering te vorderen van hen die een persoonlijk recht hebben ten aanzien van de terreinen, maar alleen van de eigenaren van de terreinen en rechthebbenden op een beperkt recht waaraan de terreinen zijn onderworpen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat economische eigendom zozeer gelijkend is op gewone eigendom dat dit in het kader van de artikelen 50 en 55 Lvw gelijkgesteld kan worden. Zij verschilt immers alleen van gewone eigendom doordat de betreffende zaak juridisch nog niet is geleverd, terwijl er, op basis van een onherroepelijke volmacht, op elk moment geleverd kan worden, zoals feitelijk thans ook is geschied. Gelet op het hangende cassatieberoep en de daarmee gepaard gaande onzekerheden acht de rechtbank zich vrij om op dit ondergeschikte punt af te wijken van de overwegingen in de artikel 50 procedure, te meer nu dit materieel geen verschil maakt. Indien immers de rechtbank in de artikel 50 procedure de ontvankelijkheid van Chip(s)hol niet op een persoonlijk recht, maar op de (economische) eigenaarsrechten had gebaseerd, zou dit voor de uitkomst van die zaak geen verschil hebben gemaakt." 3.45 Tegen deze achtergrond meen ik dat Chipshol wel een vorderingsrecht toekomt op de voet van artikel 50 lid 1 sub a LVW zodat de meer subsidiaire klacht in zoverre slaagt. De overige klachten van onderdeel 1 treffen geen doel. 4. Eigen schuld (onderdelen 2 en 3) en gevolgtrekking (onderdeel 4) 4.1 De onderdelen 2 en 3 hebben betrekking op het eigenschuldverweer van de Luchthaven, dat door de rechtbank is verworpen in de rechtsoverwegingen 2.54 tot en met 2.71 van het tussenvonnis van 4 april 2007. Volgens de Luchthaven bestond de eigen schuld van Chipshol erin
(1)dat zij op 26 september 2005 haar bezwaarschrift tegen het bouwverbod heeft ingetrokken, en
(2)dat Chipshol niet heeft meegewerkt aan opheffing van het bouwverbod door het door de minister aangewezen traject te doorlopen. Onderdeel 2 4.2 Onderdeel 2 richt zich met vier subonderdelen (klachten) tegen de verwerping van het onder
(1)bedoelde verweer. De rechtbank heeft aan die verwerping de volgende overwegingen ten grondslag gelegd: "2.
- De Luchthaven stelt dat Chipshol op 26 september 2005 welbewust haar bezwaarschrift tegen het bouwverbod heeft ingetrokken; zij wist sedert mei 2005 dat het bouwverbod bij een ex nunc-beoordeling niet in stand zou kunnen blijven. De intrekking van het bezwaarschrift heeft de op handen zijnde heroverweging van het bouwverbod en de daaruit voortvloeiende herroeping door de staatssecretaris onmogelijk gemaakt. Hierdoor heeft Chipshol de op haar rustende verplichting tot beperking van de door het bouwverbod veroorzaakte schade veronachtzaamd. Met de intrekking van het bezwaarschrift heeft zij juist getracht de schade zo groot mogelijk te maken, daar waar reeds het bestaan van een "gerede kans" op succes haar ook vanwege de belangen van de Luchthaven verplichtte door te procederen. 2.
- De deskundigen melden dat zij zich wel de vraag hebben gesteld of de door Chipshol geleden schade deels aan haar kan worden toegerekend vanwege de intrekking van haar bezwaarschrift, maar voegen daaraan toe dat zij die vraag niet hebben onderzocht en bij hun advies derhalve niet met een mogelijke aftrek wegens eigen schuld rekening hebben gehouden
(42). 2.
- Vooreerst laat het verwijt van de Luchthaven aan het adres van Chipshol, dat zij in 2005 haar bezwaar tegen het bouwverbod heeft ingetrokken om de schade zo groot mogelijk te maken, zich in termen van eigen schuld niet aanstonds rijmen met het gegeven dat het de Luchthaven zelf is geweest die in 2003 het opleggen en handhaven van het bouwverbod met klem heeft bepleit. 2.
- Voorts is maar de vraag of het bezwaarschrift inderdaad tot opheffing van het bouwverbod zou hebben geleid. Uit de overgelegde uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juni 2005 en 30 augustus 2006 (rechtsoverwegingen 2.5., respectievelijk 2.3.) kan eerder het tegendeel worden afgeleid, waar de Afdeling overweegt, in een beroepsprocedure naar aanleiding van de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer een door Chipshol gevraagde bouwvergunning voor het [...]terrein te verlenen, dat de rechtbank terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het college, vanwege het op 20 februari 2003 in werking getreden Luchthavenindelingsbesluit, de gevraagde vrijstelling ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet mocht weigeren. Bovendien kan uit de brief van 21 september 2006 van de minister van Verkeer en Waterstaat aan de raadsman van de Luchthaven worden opgemaakt dat eerst in mei 2006 het standpunt van de minister ten aanzien van de mogelijke opheffing van het bouwverbod zover is geëvolueerd dat bereidheid tot opheffing wordt uitgesproken en dan nog alleen indien eerst aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. De eveneens overgelegde brief van 27 februari 2006 bevestigt dat de staatssecretaris op dat moment nog niet tot opheffing wilde overgaan, omdat zij daaraan voorwaarden wilde verbinden en zij geen wettelijke grondslag aanwezig achtte om dat te doen. Zij verzocht de raadsman van de Luchthaven, die haar na intrekking van het bezwaar door Chipshol om opheffing van het bouwverbod had verzocht, met voorstellen te komen voor een oplossing, aan welk verzoek deze bij brief van 6 april 2006 gevolg heeft gegeven. Gelet op de stand van de bezwaarschriftprocedure op moment van intrekking van het bezwaarschrift (26 september 2005) dient ervan te worden uitgegaan, ook volgens de Luchthaven (proces-verbaal, blz 8, ad 20), dat binnen een halfjaar nadien door de staatssecretaris uitspraak op het bezwaar zou zijn gedaan (verg. ook de aanname van ing. [betrokkene 4] in zijn door de Luchthaven overgelegde brief van 27 december 2006 aan de raadsman van de Luchthaven). 2.
- Al met al brengt de hiervoor weergegeven stand van zaken mee dat onvoldoende grond bestaat om de Luchthaven te volgen in haar stelling dat het bezwaarschrift van Chipshol, indien niet ingetrokken, op korte termijn na 26 september 2005 tot herroeping van het bouwverbod zou hebben geleid. Het laat zich veeleer aanzien dat dit niet zou zijn gebeurd, omdat de inzichten op het ministerie daartoe in bedoelde periode nog onvoldoende waren voortgeschreden. De overgelegde correspondentie uit de eerste helft van 2006 geeft het beeld dat men zich in Den Haag nog afvroeg op welke wijze juridisch moest worden omgegaan met de technische bevindingen van ir [betrokkene 5] en dr ir [betrokkene 6] in hun rapport van april 2005, uitgebracht in opdracht en ter advisering van de ingevolge het bezwaar van Chipshol ingestelde commissie ex artikel 43 Luchtvaartwet (welke bevindingen er kort samengevat op neerkwamen dat de conclusie dat het statische verstoringsbudget met 13,3 % wordt overschreden, louter het gevolg is van de aanwezigheid van geparkeerde vrachtwagens op een grote "bewaakte Truckparking" aan de westkant van kavel I op het [...]terrein, welke verstoringsfactor op de derde - maar bij de bouwaanvraag klaarblijkelijk niet ingediende - revisietekening van 27 maart 2003 door een oppervlakte waterpartij is vervangen). 2.
- De Luchthaven heeft nog te bewijzen aangeboden, door het horen van getuigen, dat het bezwaarschrift bij handhaving gegrond zou zijn verklaard. Dit bewijsaanbod wordt gepasseerd, nu de Luchthaven heeft nagelaten toe te lichten, zoals zij gelet op het voorgaande had moeten doen, hoe de door haar voor te brengen getuigen over de eigen wetenschap beschikken dat gegrondverklaring van het bezwaarschrift tegen oplegging van het bouwverbod zou zijn gevolgd in een periode waarin de minister zelf met zoveel woorden mededeelt geen mogelijkheden tot opheffing van dat verbod te zien." 4.3 Chipshol heeft als preliminair verweer aangevoerd (onder 142 van haar schriftelijke toelichting) dat de Luchthaven bij haar klachten in dit onderdeel heeft nagelaten te verwijzen naar haar stellingen ter zake in de feitelijke instantie. Zoals hierna zal blijken gaat dit verweer ten dele op. 4.4 Subonderdeel 2.1 luidt dat voor het geval rechtsoverweging 2.57 mededragend is voor de verwerping van het beroep op eigen schuld, die overweging onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de rechtbank miskent dat de omstandigheden begin 2003 geenszins zijn te vergelijken met de omstandigheden in oktober
- Zo heeft de Luchthaven in 2003 verzocht om oplegging van een bouwverbod omdat verlening van de bouwvergunning comform het (toen) ingediende bouwplan van Chipshol, waarin de aanwezigheid van een grote "bewaakte truckparking" was opgenomen, zou leiden tot zeer ernstige beperkingen in het gebruik van de Aalsmeerbaan. Na oplegging van het bouwverbod heeft Chipshol haar bouwplan gereviseerd en de aanwezigheid van een grote "bewaakte truckparking" vervangen door een oppervlakte waterpartij. Het rapport van april 2005 van ir. [betrokkene 5] en dr. ir. [betrokkene 6] heeft vervolgens voor een ommekeer in het denken gezorgd door te concluderen dat de door de Luchtverkeersleiding Nederland vastgestelde verstoringen louter het gevolg zouden zijn van de aanwezigheid van geparkeerde vrachtwagens op een grote "bewaakte truckparking" in het oorspronkelijke bouwplan. Een vergelijkbaar standpunt werd vervolgens in oktober 2005 ingenomen door de Luchtverkeersleiding Nederland. Tegen deze achtergrond is alleszins verklaarbaar en begrijpelijk dat de Luchthaven in oktober 2005 anders dacht over (handhaving van) het bouwverbod dan in 2003, aldus de klacht. 4.5 M.i. is de door het subonderdeel bedoelde overweging mededragend voor de verwerping van het beroep op eigen schuld, althans voor zover dit het verwijt betreft van de Luchthaven dat Chipshol geprobeerd heeft haar schade zo groot mogelijk te maken. De klacht treft echter geen doel. De rechtbank heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk in rechtsoverweging 2.57 waarde gehecht aan het uitgangspunt dat bij beoordeling van wat in redelijkheid van Chipshol als benadeelde kan worden gevergd in het kader van haar schadebeperkingsplicht, niet uit het oog mag worden verloren dat het de Luchthaven is geweest die haar in de positie heeft gebracht die haar tot schadebeperkend handelen verplichtte
(69). Voorts heeft de rechtbank kennelijk en niet onbegrijpelijk tot uitdrukking willen brengen dat het niet aangaat Chipshol als benadeelde te verwijten dat zij door intrekking van haar bezwaarschrift heeft geprobeerd de schade zo groot mogelijk te maken, terwijl de Luchthaven, als verzoeker van het bouwverbod en wettelijk schadeplichtige, zelf in de gelegenheid was initiatieven te ontplooien om tot een ongedaanmaking of opheffing van het bouwverbod te komen, maar daarvan pas in een laat stadium gebruik heeft gemaakt
(70). Aan de Luchthaven was immers reeds in april 2005 bekend dat de - naar eigen zeggen: enige - reden voor het opleggen van het bouwverbod was komen te vervallen. Zij heeft echter pas bij brief van 26 oktober 2005 een verzoek aan de staatssecretaris gericht tot opheffing van het bouwverbod
(71). Onder deze omstandigheden kan de Luchthaven naar het kennelijke oordeel van de rechtbank niet worden gevolgd in haar hiervoor omschreven verwijt aan Chipshol. Anders dan subonderdeel 2.1 betoogt, heeft de rechtbank daarbij niet miskend dat de omstandigheden begin 2003 geenszins te vergelijken zijn met de omstandigheden in oktober 2005. 4.6 Subonderdeel 2.2 richt zich tegen de rechtsoverwegingen 2.58 en 2.59 waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat handhaving van het bezwaar waarschijnlijk niet op korte termijn tot herroeping van het bouwverbod zou hebben geleid. De rechtbank heeft dat oordeel gebaseerd (a) op de overweging dat uit twee uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (15 juni 2005 en 30 augustus 2006)
(72)eerder het tegendeel kan worden afgeleid en (b) op de grond dat uit correspondentie van de minister en staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat uit 2006
(73)zou blijken dat de inzichten op het ministerie inzake de (mogelijkheden tot) herroeping van het bouwverbod in de eerste helft van 2006 nog onvoldoende waren voortgeschreden. Volgens het subonderdeel kunnen deze argumenten het oordeel van de rechtbank geenszins dragen. 4.7 Ten aanzien van de onder (
- a)genoemde grond wordt aangevoerd dat de bewuste uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak betrekking hebben op de weigering van een vrijstelling aan Chipshol terzake van het destijds geldende bestemmingsplan op basis van het (in de toekomst in werking tredende) Luchthavenindelingbesluit (hierna ook: Lib). Dat aan Chipshol, bij gebreke van de vereiste vrijstelling uit hoofde van artikel 19 WRO, geen bouwvergunning wordt verleend, is echter een geheel andere kwestie dan de vraag of de minister het bouwverbod zou hebben herroepen indien het bezwaarschrift niet zou zijn ingetrokken, aldus het subonderdeel. 4.8 De klacht faalt op de grond dat niet nader wordt toegelicht waarom de ene procedure een geheel andere kwestie betreft dan de andere en eveneens niet wordt verduidelijkt waarom die verschillen maken dat hetgeen in de ene procedure is overwogen niet van invloed kan of mag zijn in de andere procedure. 4.9 Met betrekking tot de hiervoor onder (
- b)genoemde grond - de correspondentie van het ministerie van Verkeer en Waterstaat in 2006 - wordt geklaagd dat die correspondentie dateert van ná de intrekking van het bezwaarschrift en betrekking heeft op het door de Luchthaven naar aanleiding van die intrekking bij de minister gedane verzoek tot opheffing van het bouwverbod. Volgens de klacht valt niet in te zien waarom mededelingen van het ministerie inzake een verzoek van de Luchthaven tot opheffing van een bouwverbod enige betekenis, laat staan doorslaggevende betekenis zouden kunnen hebben bij de beantwoording van de vraag of het bezwaarschrift van Chipshol tegen de oplegging van het bouwverbod - de intrekking van het bezwaarschrift weggedacht - vroeg of laat kans van slagen had gehad. 4.10 Nu de eerste klacht faalt, faalt deze klacht bij gebrek aan belang. Ten overvloede merk ik op dat het - door de klacht niet aanwezig geachte - verband tussen het verzoek tot opheffing van het bouwverbod en de herroeping van dat verbod naar aanleiding van een bezwaarprocedure in de onderhavige zaak is gelegen in het feit dat het opheffingsverzoek (mede) is geïnitieerd door een rapport van ir [betrokkene 5] en dr ir [betrokkene 6] uit april 2005
(74), welk rapport is uitgebracht in opdracht en ter advisering van de ingevolge het bezwaar van Chipshol ingestelde commissie op de voet van art. 43 LVW. Zou het bezwaarschrift niet zijn ingetrokken, dan ligt het niet voor de hand dat de staatssecretaris ten tijde van de te verwachten beslissing op bezwaar (26 maart 2006 of eerder) reeds tot een onvoorwaardelijke herroeping van het bouwverbod zou zijn gekomen terwijl zij in het kader van het verzoek tot opheffing pas in mei 2006 de bereidheid toonde om tot een voorwaardelijke opheffing over te gaan. De klacht faalt derhalve ook bij bespreking, in welk geval het belang aan de klacht over de eerste grond komt te ontvallen. 4.11 Volgens subonderdeel 2.3 heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.60 een onbegrijpelijk oordeel gegeven in haar overweging om het bewijsaanbod van de Luchthaven te passeren. Het subonderdeel voert in de eerste plaats aan dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van het hiervoor onder 4.6 genoemde subonderdeel 2.2. Dit betoog stuit af op het falen van de klacht waarop het voortbouwt. 4.12 In de tweede plaats wordt geklaagd dat de rechtbank met haar oordeel over de vereiste nadere toelichting van het bewijsaanbod, aan dit aanbod tot bewijslevering door middel van getuigen eisen stelt die niet mogen worden gesteld. 4.13 Hoofdregel bij de beoordeling van het aanbod om bewijs te leveren (art. 166 lid 1 Rv.) is dat een partij die aanbiedt haar stelling(en) door middel van het horen van getuigen te bewijzen, in beginsel recht daarop heeft. De rechter heeft mitsdien niet veel vrijheid wat betreft het passeren van een bewijsaanbod, tenzij getuigenbewijs niet door de wet is toegelaten, het aanbod geen betwiste feiten betreft of die feiten niet tot beslissing van de zaak kunnen leiden. De rechter mag alleen aan een bewijsaanbod van een partij voorbijgaan met een voldoende en rechtens juiste motivering, bijvoorbeeld omdat het aanbod te vaag is/te weinig gespecificeerd of niet serieus is bedoeld of niet ter zake dienend/niet doorslaggevend voor de beslissing van het geschil en/of tardief
(75). 4.14 In het onderhavige geval heeft de rechtbank het door de Luchthaven bij pleidooi van 15 januari 2007 gedane bewijsaanbod - inhoudende dat aannemelijk is dat het bezwaarschrift van Chipshol tegen het bouwverbod bij handhaving gegrond zou zijn verklaard zodat de gevorderde schadevergoeding geheel is veroorzaakt door de intrekking van dat bezwaarschrift - gepasseerd met de motivering dat het aanbod een nadere toelichting vereist gelet op de omstandigheid dat de minister in de relevante periode zelf met zoveel woorden heeft medegedeeld geen mogelijkheden tot opheffing te zien. In dit oordeel ligt besloten dat de rechtbank het bewijsaanbod te vaag vond. 4. 15 Ten aanzien van de eis dat een bewijsaanbod voldoende specifiek moet zijn heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 9 juli 2004, NJ 2005, 270 m.nt. W.D.H. Asser geoordeeld dat het antwoord op de vraag of aan die eis is voldaan, afhangt van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. Hoewel dit arrest betrekking heeft op een bewijsaanbod in hoger beroep en de Hoge Raad volgens annotator Asser de nadere eisen slechts voor het bewijsaanbod in hoger beroep lijkt te hebben geformuleerd, meen ik dat de door de Hoge Raad geformuleerde criteria ook van toepassing zijn op een bewijsaanbod in eerste aanleg en in ieder geval in de onderhavige procedure waarin de wet de mogelijkheid van hoger beroep heeft uitgesloten (art. 54 LVW). Overigens betoont Asser zich in zijn annotatie wel een pleitbezorger van overeenkomstige toepasselijkheid van de nadere eisen in eerste aanleg. 4.16 Chipshol heeft het eigenschuldverweer van de Luchthaven, voor zover dit verweer is gebaseerd op de stelling dat de bezwaren van Chipshol tegen het bouwverbod bij handhaving van het bezwaarschrift gegrond zouden zijn verklaard, op verschillende gronden betwist, zowel bij conclusie na deskundigenbericht
(76)als bij pleidooi van 15 januari 2007
(77). Een betoog met de strekking dat een gegrondverklaring van de bezwaren van Chipshol niet aannemelijk was ten tijde van de intrekking van het bezwaarschrift omdat de minister in die periode zelf met zoveel woorden heeft medegedeeld geen mogelijkheden tot opheffing te zien, heb ik daarin niet kunnen ontdekken. Wel wordt in de pleitnota
(78)verwezen naar de brief van de staatssecretaris van 31 mei 2006 (ter ondersteuning van het betoog dat alle betrokken tegenstanders van bebouwing na de veroordeling van de Luchthaven tot vergoeding van alle schade hun standpunt hadden gewijzigd) en naar de brief van de minister van 21 september 2006 (in het kader van het betoog dat slechts de wens van de Luchthaven om tot opheffing van het bouwverbod te komen enige ruimte heeft gecreëerd, met een overigens negatief resultaat, te weten weigering in verband met het parkeren van vrachtwagens). Hoewel deze verwijzingen (en betogen) - vooral laatstgenoemde - wel raakvlakken hebben met de redenering die de rechtbank aan haar passeren van het bewijsaanbod ten grondslag heeft gelegd, meen ik dat partijen op dit specifieke punt geen debat hebben gevoerd, althans bieden die verwijzingen in ieder geval onvoldoende grond voor de conclusie dat het processuele debat zich op dit punt zodanig heeft ontwikkeld dat de Luchthaven haar bewijsaanbod nader had moeten toelichten. Daarbij dient ook in aanmerking te worden genomen dat voor ontwikkeling van het debat niet veel gelegenheid meer was, gezien het stadium waarin de procedure zich bevond op het moment dat naar de desbetreffende stukken werd verwezen. 4.17 Ik meen dan ook dat de rechtbank te strenge eisen heeft gesteld aan het bewijsaanbod van de Luchthaven, zodat de tweede klacht van subonderdeel 2.3 slaagt. 4.18 Onder deze omstandigheden behoeft de laatste klacht van het subonderdeel, inhoudende dat de rechtbank zich schuldig heeft gemaakt aan een verboden prognose omtrent de uitkomst van bewijslevering, geen behandeling meer. 4.19 Subonderdeel 2.4 voert tot slot aan dat het oordeel van de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.58 en 2.59 waarbij het beroep van de Luchthaven op eigen schuld wordt verworpen, van een onjuiste rechtsopvattting getuigt nu de rechtbank miskent dat de leer van de gemiste kans met zich brengt dat de rechtbank in haar oordeel had moeten betrekken de kans dat het bezwaarschrift bij handhaving daarvan zou hebben geleid tot herroeping van het bouwverbod, waarna de schadevergoedingsplicht naar evenredigheid van die kans had moeten worden verminderd. Voor zover de rechtbank dit niet heeft miskend, geldt, aldus het subonderdeel, dat haar oordeel onbegrijpelijk is omdat uit de bewoordingen van rechtsoverweging 2.59 en de inzichten van het ministerie zoals blijkend uit de correspondentie waaraan in rechtsoverweging 2.58 en 2.59 wordt gerefereerd, de conclusie kan worden getrokken dat de rechtbank het kanspercentage zeker niet op nul stelde dan wel kon stellen, zodat onbegrijpelijk is dat de rechtbank in het geheel geen eigenschuldcorrectie heeft toegepast. 4.20 Het subonderdeel berust op de veronderstelling dat de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.58 en 2.59 geoordeeld zou hebben dat het beroep op eigen schuld wordt verworpen. Deze veronderstelling mist echter feitelijke grondslag nu de rechtbank in de desbetreffende rechtsoverwegingen slechts heeft geoordeeld dat er onvoldoende grond bestaat om de Luchthaven te volgen in haar stelling dat het bezwaarschrift van Chipshol, indien niet ingetrokken, op korte termijn na 26 september 2005 tot herroeping van het bouwverbod zou hebben geleid. In rechtsoverweging 2.71 komt de rechtbank, na vermelding van de overige gronden, tot verwerping van het beroep op eigen schuld. Ik lees in de klacht niet dat deze (mede) is gericht tegen het oordeel in rechtsoverweging 2.
- 4.21 Overigens merk ik op dat de Luchthaven, anders dan gesteld, in de procedure voor de rechtbank geen beroep op dat leerstuk gedaan. De stukken waarnaar in de cassatiedagvaarding wordt verwezen - de pleitaantekeningen van de Luchthaven van 15 januari 2007, paragraaf 20 en 21 en de antwoord-conclusie na deskundigenbericht van de Luchthaven van 20 september 2006, paragraaf 16 - bevatten slechts het algemene betoog dat het bezwaarschrift bij handhaving tot herroeping of vernietiging van het bouwverbod zou hebben geleid, zodat intrekking van het bezwaarschrift een omstandigheid oplevert op grond waarvan de schade voor rekening van Chipshol komt vanaf het moment dat zij redelijkerwijs een beslissing op bezwaar had kunnen verkrijgen. Onderdeel 3 4.22 Onderdeel 3 komt in drie subonderdelen op tegen de verwerping door de rechtbank van de stelling van de Luchthaven dat sprake is van eigen schuld aan de kant van Chipshol in verband met het niet indienen van een nieuwe bouwaanvraag. De rechtbank heeft dienaangaande in de rechtsoverwegingen 2.61 tot en met 2.71 van haar tussenvonnis van 4 april 2007 als volgt geoordeeld: "Mogelijkheid voor Chipshol tot schadebeperking door het indienen van een nieuwe bouwaanvraag 2.
- De Luchthaven betoogt dat de door de minister in het slot van haar hiervoor reeds ter sprake gekomen brief van 21 september 2006 uitgesproken bereidheid om onder voorwaarden tot opheffing van het bouwverbod over te gaan, meebrengt dat Chipshol op dit moment op volledige medewerking van de minister kan rekenen als zij haar bouwplannen volgens de tekening van 27 maart 2003 alsnog wenst uit te voeren. Indien zij dit nalaat dient de schade tengevolge van het bouwbesluit met toepassing van artikel 6:101 BW, de vaste onteigeningsjurisprudentie en artikel 49 WRO verder voor haar rekening te komen. Tevens geldt dat de waarde van het [...]terrein door de opstelling van de minister en van de gemeente Haarlemmermeer (blijkens de weergave in de media van een tussen Chipshol en de gemeente op 10 januari 2007 getroffen schikking) weer dezelfde is als zonder het bouwverbod, waardoor ook de restwaarde van de grond ver boven het door de deskundigen genoemde bedrag van € 2.500.000,- is komen te liggen. De Luchthaven stelt de kans dat Chipshol haar bouwplannen op de voet van de tekening van 27 maart 2003 alsnog kan realiseren wanneer zij volgens de wens van de minister eerst de procedure ex artikel 19 WRO jo. artikel 8.9 Wet luchtvaart doorloopt desgevraagd op 100% (proces-verbaal, blz 12). 2.
- De deskundigen (blz 24 van het Advies) melden dat zij bij hun taxatie geen rekening hebben gehouden met de naar het oordeel van de Luchthaven in 2005 en 2006 gestegen kans dat het bouwverbod op afzienbare termijn zal worden opgeheven. 2.
- Op zichzelf beschouwd kan worden betoogd, gelijk de Luchthaven ook doet, dat concrete ontwikkelingen, die zich na het ontstaan van schade hebben voorgedaan en tevens direct gevolg hebben voor de uiteindelijke omvang van die schade, behoren te worden meegewogen bij het vaststellen van de vergoedingsplicht van de tot vergoeding gehouden partij, zoals in dit geval de Luchthaven. 2.
- Waar in dit geval de kans dat Chipshol haar bouwplannen alsnog kan doorvoeren wanneer zij het door de minister aangewezen traject doorloopt naar het oordeel van de rechtbank op 75% kan worden gesteld (met inachtneming van een periode van twee jaar alvorens alle vergunningen/vrijstellingen definitief zijn verleend), zou in het verlengde van het hiervoor overwogene in beginsel grond hebben bestaan de omvang van de toerekenbare schade ook met 75% te verminderen en daarmee tevens de vergoedingsplicht van de Luchthaven zoals die jegens Chipshol op grond van artikel 38 jo. artikel 50 Luchtvaartwet bestaat. 2.
- Evenwel staat het systeem van de Luchtvaartwet eraan in de weg op de hiervoor aangegeven wijze bestaande herstelkansen te verdisconteren in de schadeloosstelling die de Luchthaven aan Chipshol is verschuldigd. Ingevolge de terugbetalingsverplichting als bedoeld in artikel 55 van die wet dient Chipshol bij opheffing van het bouwverbod de door haar van de Luchthaven ontvangen schadeloosstelling in beginsel aan de Luchthaven terug te betalen wanneer deze dat vordert (en aan de verder daarvoor bestaande voorwaarden is voldaan). Dat zou betekenen dat bij voornoemde kansverdiscontering de Luchthaven ofwel de door haar te betalen 25% van het totale schadebedrag van Chipshol terugkrijgt (bij opheffing van het bouwverbod) ofwel 75% van de werkelijk geleden schade niet hoeft te betalen (bij handhaving van het bouwverbod), hoewel Chipshol daarop krachtens artikel 50 Luchtvaartwet ook aanspraak heeft. In beide gevallen komt de Luchthaven grotendeels met de schrik vrij (zij betaalt maximaal 25%), terwijl Chipshol daarentegen 25% kans loopt om met 75% van de schade te blijven zitten en tevens 75% kans dat zij de door haar ontvangen schadeloosstelling weer bij de Luchthaven moet inleveren. Een dergelijke onevenwichtige benadering van de vergoedingsplicht kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest en moet daarom worden verworpen. 2.
- Het voorgaande zou alleen anders zijn wanneer op dit moment de kans op planrealisering voor Chipshol, na het doorlopen van de vrijstellingsprocedure(s) en daarop volgende opheffing van het bouwverbod, op 100% kon worden gesteld, zoals de Luchthaven ook doet. Alsdan zou reeds thans met zekerheid van de opheffing van het bouwverbod kunnen worden uitgegaan en zou aanleiding bestaan om de Luchthaven in het zicht van de terugbetalingsverplichting van Chipshol niet toch nog tot betaling van schadeloosstelling (behoudens vertragingschade en legeskosten) aan Chipshol te veroordelen. 2.
- Evenwel bestaat op dit moment onvoldoende grond om als vaststaand aan te nemen dat het bouwverbod binnen afzienbare tijd van de baan zal zijn. Met name de weinig coöperatieve opstelling van de overheden jegens Chipshol en de door haar gepresenteerde plannen voor het [...]terrein gedurende het traject van 1990 tot op heden gebiedt met niet meer dan gematigd optimisme uit te zien naar het antwoord op de vraag of het Chipshol zal worden vergund haar oorspronkelijke plannen binnen afzienbare tijd alsnog te realiseren (waarna de minister zich volgens haar brief van 21 september 2006 in beginsel tot opheffing van het bouwverbod bereid houdt). 2.
- Bij het voorgaande wordt ervan uitgegaan dat de terugbetalingsverplichting van Chipshol ex artikel 55 Luchtvaartwet ook na de komst van de Wet luchtvaart voor het onderhavige geval onverminderd van kracht is gebleven, nu uit het oogpunt van de hiervoor onderscheiden systematiek van de Luchtvaartwet niet met de in het tussenvonnis van 12 januari 2005 aangenomen toepasselijkheid van artikel 50 Luchtvaartwet valt te rijmen dat artikel 55 van die wet vervolgens niet meer van toepassing zou zijn. 2.
- De Luchthaven heeft aangeboden te bewijzen dat de minister (evenals de gemeente Haarlemmermeer en de Provincie) bereid is alsnog, met inachtneming van de hiervoor reeds aangegeven (vrijstellings-)procedure, mee te werken aan realisering van de bouwplannen van Chipshol. 2.
- Dit bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat de gestelde bereidheid, ook indien het bestaan daarvan in de praktijk zal blijken, onvoldoende is om in dit geding als vaststaand te kunnen aannemen dat Chipshol haar bouwplannen daadwerkelijk binnen afzienbare tijd zal kunnen gaan realiseren. Hiertoe wordt verwezen naar de opmerkingen, die de deskundige [betrokkene 7] terzake ter pleidooizitting heeft gemaakt (proces-verbaal, blz 9). Daarbij komt dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat bij een hernieuwde bouwaanvraag derdenbelanghebbenden bezwaren zullen aandragen, die nopen tot bijstelling van de plannen met hogere kosten, minder opbrengsten en verdere vertraging als gevolg. Dit betekent tevens dat voorbij wordt gegaan aan het door de Luchthaven overgelegde advies van prof. mr [betrokkene 8], dat op dit punt geen eigen onderbouwing heeft waar het tot uitgangspunt neemt dat inmiddels wel vast staat dat het bouwverbod zal worden opgeheven indien volgens de bouwtekening van 27 maart 2003 wordt gebouwd. De hier aan de orde zijnde vraag is nu juist of Chipshol op korte termijn werkelijk volgens die tekening mag gaan bouwen en dat is, ook bij een meer coöperatieve opstelling van de overheden, op dit moment niet zeker. 2.
- Al met al is niet gebleken dat de vergoedingsplicht van de Luchthaven op grond van eigen schuld van Chipshol dient te worden verminderd." 4.23 Subonderdeel 3.1 is gericht tegen rechtsoverweging 2.68 (en impliciet rechtsoverweging 2.65) waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat art. 55 LVW 1958 voor het onderhavige geval is blijven gelden ondanks de buitenwerkingstelling bij de Wet van 27 juni 2002, Stb.
- De Luchthaven klaagt primair dat dit oordeel onjuist is omdat (i) art. 55 LVW krachtens overgangsrecht in verband met het bepaalde in het huidige art. 80a lid 1 LVW niet meer van toepassing kan zijn indien de opheffing van het bouwverbod dateert van na inwerkingtreding van de Wet Luchtvaart op 20 februari 2003 en/of (ii) art. 55 LVW de terugbetalingsverplichting uitdrukkelijk beperkt tot eigenaren van de terreinen en beperkt rechthebbenden ten aanzien van die terreinen, terwijl de rechtbank juist in rechtsoverweging 5.2.1 van het tussenvonnis van 12 januari 2005 heeft geoordeeld dat Chipshol als economisch eigenaar van de grond valt onder "hen, die een persoonlijk recht hebben ten aanzien van de terreinen" in de zin van art. 50 lid 1 onder c LVW. 4.24 Dit primaire standpunt faalt. Artikel 80a lid 1 van de Wet tot wijziging van de Wet Luchtvaart bepaalt dat hoofdstuk IV van de LVW - waarin zijn opgenomen de art. 50 en 55, toev. W-vG - niet van toepassing is op de luchthaven Schiphol. Deze wet, die op 20 februari 2003 in werking is getreden
(79), bevat enige overgangsbepalingen, maar niet met betrekking tot de buiten toepassing stelling van hoofdstuk IV van de LVW 1958, zodat moet worden aangenomen dat ook art. 80a lid 1 met ingang van 20 februari 2003 werking heeft verkregen
(80). Dit betekent echter niet dat op de terugvorderingsactie van de Luchthaven op de voet van art. 55 LVW 1958, die is ingesteld ná 20 februari 2003, hoofdstuk IV van de LVW niet meer van toepassing zou zijn. Niet bestreden is het oordeel van de rechtbank dat hoewel art. 50 LVW 1958 op het moment van de inleidende dagvaarding (16 september 2003) geen geldend recht meer was, de uit dat artikel voortvloeiende verbintenis tot schadevergoeding is ontstaan vóór 20 februari 2003 en dat deze verbintenis niet teniet is gegaan doordat art. 50 LVW 1958 met ingang van 20 februari 2003 niet meer op de luchthaven Schiphol van toepassing was. Een soortgelijke redenering heeft m.i. te gelden voor de art. 55-procedure, nu deze onverbrekelijk samenhangt met de oplegging en vervolgens de opheffing van het bouwverbod. Beide procedures dienen dan ook onder hetzelfde regime te vallen, te weten dat van de LVW 1958. Een andere opvatting, bijvoorbeeld dat van het primaire standpunt, zou bovendien op grote praktische bezwaren stuiten nu de wijzigingswet LVW 2002 en het Lib een wezenlijk andere systematiek kennen dan de LVW 1958, bijvoorbeeld het feit dat schadeloosstelling onder de LVW 1958 wordt betaald door de Luchthaven (art. 50 lid 1) en onder Wijzigingswet/Lib door de Minister van Verkeer en Waterstaat (art. 8.31)
(81). 4.25 Met betrekking tot de onder (
- ii)vermelde grond verwijs ik naar mijn bespreking van onderdeel 1, waarin ik onder 3.41 de tussenconclusie heb getrokken dat in dit geval Chipshol als economisch eigenaresse met de (juridisch) eigenaar van art. 50 LVW 1958 dient te worden gelijkgesteld. Noodzakelijk complement van deze zienswijze - het is van tweëen één - is dat de economisch eigenaar ook voor art. 55 LVW 1958 dient te worden gelijkgesteld met de juridisch eigenaar, zodat de Luchthaven, voor zover zij een schadeloosstelling op de voet van art. 50 LVW 1958 heeft betaald aan Chipshol als economisch eigenaar, het recht heeft om van Chipshol op grond van art. 55 LVW 1958 een eventuele waardevermeerdering te vorderen als gevolg van opheffing van het bouwverbod dat aanleiding gaf tot de aanvankelijke schadeloosstelling. 4.26 Het subonderdeel vervolgt met het betoog dat, uitgaande van de onjuistheid van het oordeel in rechtsoverweging 2.68, het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.65 - dat het systeem van de LVW eraan in de weg staat dat de planrealiseringskansen verdisconteerd worden in de schadeloosstelling die de Luchthaven aan Chipshol is verschuldigd nu een dergelijke verdiscontering zou leiden tot een onevenwichtige benadering van de vergoedingsplicht, wat niet de bedoeling van de wetgever geweest kan zijn - onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Ter ondersteuning van de rechtsklacht wordt aangevoerd dat het systeem van de LVW in het algemeen en de vergoedingsregeling van art. 55 LVW in het bijzonder de toepassing van art. 6:101 lid 1 BW onverlet laten, althans nu Chipshol heeft nagelaten schadebeperkend op te treden. Ter toelichting van de motiveringsklacht wordt eveneens een beroep gedaan op het verzuim van Chipshol om schadebeperkend te handelen. Daarnaast wordt betoogd dat de redenering van de rechtbank dat de Luchthaven ofwel de door haar te betalen 25% van het totale schadebedrag van Chipshol terugkrijgt (bij opheffing van het bouwverbod) ofwel 75% van de werkelijk geleden schade niet hoeft te betalen (bij handhaving van het bouwverbod), niet opgaat nu van een terugkrijgen van Chipshol op de voet van art. 55 LVW in het geheel geen sprake kan zijn. Tot besluit van de primaire klacht wordt gesteld dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom een eigenschuldcorrectie alleen dan op haar plaats is indien op het moment van het wijzen van vonnis de kans op planrealisering voor Chipshol op 100% kon worden gesteld. 4.27 Nu de onder 4.26 geciteerde rechts- en motiveringsklachten voortbouwen op het falende primaire standpunt, delen zij dat lot. 4.28 De Luchthaven stelt zich subsidiair op het standpunt dat rechtens juist is het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.68 (en impliciet rechtsoverweging 2.65) dat de terugbetalingsverplichting van art. 55 LVW onverminderd van kracht is gebleven, zodat de Luchthaven na opheffing van het bouwverbod op de voet van art. 55 LVW jegens Chipshol aanspraak kan maken op vergoeding van de waardevermeerdering die het gevolg is van de opheffing van het bouwverbod. Hiervan uitgaande wordt geklaagd (
- i)dat het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.65 rechtens onjuist is omdat het systeem van de Luchtvaarwet in het algemeen en de vergoedingsregeling van art. 55 LVW in het bijzonder de toepassing van art. 6:101 lid 1 BW onverlet laten, althans in een situatie als de onderhavige waarin Chipshol verzuimd heeft schadebeperkend op te treden. Daarnaast wordt betoogd (
- ii)dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom een eigenschuldcorrectie alleen dan op haar plaats is indien op het moment van het wijzen van vonnis de kans op planrealisering voor Chipshol op 100% kon worden gesteld
(82). Bovendien, aldus de klacht, ziet de rechtbank in haar redenering (iii) eraan voorbij dat art. 55 LVW niet als automatisme regelt dat op die voet integraal kon worden teruggevorderd hetgeen eerder op de voet van art. 50 LVW is betaald. Op de voet van art. 55 LVW kan de waardevermeerdering van de grond als gevolg van de gehele of gedeeltelijke opheffing van het bouwverbod worden gevorderd, met als maximum het bedrag dat eerder op de voet van art. 50 LVW is toegekend. 4.29 Ik meen dat de klacht onder (
- i)slaagt. De redenering van de rechtbank in rechtsoverweging 2.64 is als volgt: indien Chipshol het door de minister aangewezen traject had doorlopen, zou de planrealiseringskans 75 % zijn geweest. Dit brengt mee dat op basis van de causaliteitsmaatstaf van art. 6:101 lid 1 BW grond zou hebben bestaan de omvang van de toerekenbare schade ook met 75 % te verminderen en daarmee tevens de vergoedingsplicht van de Luchthaven zoals die jegens Chipshol op grond van art. 38 in verbinding met art. 50 LVW bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.65 staat het systeem van de LVW er echter aan in de weg om op deze wijze de bestaande herstelkansen te verdisconteren in de schadeloosstelling die de Luchthaven aan Chipshol is verschuldigd, nu daaruit een onevenwichtige benadering voortvloeit, hetgeen niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. 4.30 Volgens mij vloeit de "onevenwichtige benadering" niet voort uit het systeem van de LVW, maar uit de toepassing van eigen schuld op de vergoedingsplicht van de Luchthaven (d.i. na toepassing van de causaliteitsmaatstaf van art. 6:101 BW) waarbij de kans op planrealisering bepalend is voor de uitkomst van het oordeel over de mate waarin het nalaten van Chipshol om de door de minster aangewezen route te doorlopen, heeft bijgedragen aan de toegenomen omvang van de schade. Dit blijkt m.i. tevens uit het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.66 dat het voorgaande alleen anders zou zijn wanneer op dit moment de kans op planrealisering voor Chipshol, na het doorlopen van de vrijstellingsprocedure(
- s)en daarop volgende opheffing van het bouwverbod, op 100% kon worden gesteld. Het lijkt erop dat het dus vooral het element van de kansverdiscontering is geweest dat aanleiding heeft gegeven tot het oordeel dat sprake is van een onevenwichtige benadering. De klacht voert derhalve terecht aan dat het systeem van de Luchtvaartwet de toepassing van art. 6:101 lid 1 BW onverlet laat. 4.31 In het licht van het voorgaande slaagt de motiveringsklacht onder (
- ii)eveneens nu de rechtbank haar oordeel om de vergoedingsplicht van de Luchthaven geheel in stand te laten en het daarop voortbouwende oordeel dat dit slechts anders zou zijn indien de planrealiseringskans 100% zou zijn, slechts heeft gegrond op haar overweging dat het systeem van de Luchtvaartwet zich zou verzetten tegen toepassing van art. 6:101 lid 1 BW. Weliswaar mocht de rechtbank afwijken van het resultaat dat voortvloeide uit toepassing van de causaliteitsmaatstaf indien zij van oordeel was dat de billijkheid op grond van de omstandigheden van het geval (of wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten) een andere verdeling meebracht, maar zij had in dat geval haar oordeel als zodanig moeten motiveren
(83). In de term "onevenwichtige benadering" kan wellicht een verwijzing naar de billijkheid worden gelezen, maar zonder enige nadere toelichting op grond van welke omstandigheden het resultaat onevenwichtig zou zijn (anders dan het hiervoor besproken en verworpen argument dat het systeem van de Luchtvaartwet zich tegen toepassing zou verzetten) acht ik het oordeel van de rechtbank onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, waarbij bedacht moet worden dat de motiveringseisen strenger worden naarmate de omstandigheden die tot de schade hebben bijgedragen op het eerste gezicht sterker lijken te impliceren dat de vergoedingsplicht van de aansprakelijke partij geheel of ten dele vervalt, maar de vergoedingsplicht naar het oordeel van de rechter op grond van de billijkheid niettemin geheel in stand dient te blijven (HR 3 juni 2005, NJ 2005, 286). 4.32 Tot slot acht ik ook de klacht onder (iii) gegrond. Zoals hiervoor onder 3.6 en 3.31 uiteengezet, bepaalt art. 55 LVW 1958 dat de exploitant van het luchtvaartterrein bij opheffing van het bouwverbod van de eigenaar en de rechthebbenden op een beperkt recht op de terreinen de waardevermeerdering mag vorderen die uit deze opheffing voortvloeit, tot, in geval van gehele opheffing, ten hoogste het bedrag van de eerdere schadeloosstelling. Uitsluitend in het geval de waardevermeerdering van de grond gelijk is aan of hoger is dan het bedrag van de ontvangen schadeloosstelling, zijn de beide bedragen van art. 50 en 55 LVW aan elkaar gelijk. Zoals terecht wordt aangevoerd, lijkt de rechtbank in rechtsoverweging 2.65 uit het oog te hebben verloren dat de schadeloosstelling van art. 50 LVW dus niet altijd integraal behoeft te worden terugbetaald, althans is het oordeel van de rechtbank onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. 4.33 Subonderdeel 3.2 is gericht tegen de hiervoor onder 4.22 geciteerde rechtsoverweging 2.70 van het tussenvonnis van 4 april 2007, waarin de rechtbank het bewijsaanbod van de Luchthaven dat de minister bereid is mee te werken aan realisering van de bouwplannen, heeft gepasseerd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de gestelde bereidheid, ook indien het bestaan daarvan in de praktijk zal blijken, onvoldoende is om in dit geding als vaststaand te kunnen aannemen dat Chipshol haar bouwplannen daadwerkelijk binnen afzienbare tijd zal kunnen gaan realiseren. Volgens het subonderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk voor zover wordt verwezen naar de opmerkingen van de deskundige [betrokkene 7]
(84)omdat uit die opmerkingen niet, althans niet zonder toelichting die echter geheel ontbreekt, kan worden afgeleid dat door middel van getuigenverhoor niet zou kunnen worden aangetoond dat Chipshol haar bouwplannen, al dan niet in gewijzigde vorm, daadwerkelijk binnen afzienbare tijd zal kunnen gaan realiseren. 4.34 De klacht faalt op de grond dat het bewijsaanbod de bereidheid van de minister om mee te werken aan de realisering van de bouwplannen van Chipshol betrof
(85)terwijl de motiveringsklacht betrekking heeft op de stelling dat Chipshol haar bouwplannen, al dan niet in gewijzigde vorm, daadwerkelijk binnen afzienbare tijd zal kunnen gaan realiseren. 4.35 Volgens het subonderdeel heeft de rechtbank daarnaast, door de mogelijke bezwaren van derde-belanghebbenden in geval van een hernieuwde bouwaanvraag bij haar oordeel te betrekken, in strijd gehandeld met het bepaalde in art. 24 Rv. nu Chipshol dit argument in het geheel niet heeft aangevoerd en had, aldus het subonderdeel, dit argument in het kader van de getuigenverhoren door de rechtbank ter sprake kunnen worden gebracht, zodat het argument de afwijzing geenszins kan dragen. 4.36 Ook deze klachten falen. De omstandigheid dat - in de bewoordingen van de rechtbank - op voorhand niet kan worden uitgesloten dat bij een hernieuwde bouwaanvraag derde-belanghebbenden bezwaren zullen aandragen, is een feit van algemene bekendheid dat de rechtbank ingevolge art. 149 lid 2 Rv. aan haar oordeel ten grondslag mocht leggen. Gevoegd bij de overige in rechtsoverweging 2.70 genoemde omstandigheden, is het oordeel van de rechtbank dat in dit geding onvoldoende kan worden vastgesteld dat Chipshol haar bouwplannen daadwerkelijk binnen afzienbare tijd zal kunnen realiseren, en dat daarmee het bewijsaanbod wordt gepasseerd, voldoende begrijpelijk gemotiveerd. 4. 37 Subonderdeel 3.3 klaagt dat het oordeel van de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.66, 2.67 en 2.70 dat van eigen schuld geen sprake is omdat ten tijde van het vonnis niet is komen vast te staan dat 100% zeker is dat de oorspronkelijke plannen binnen afzienbare tijd kunnen worden gerealiseerd, ook los van de subonderdelen 3.1 en 3.2 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel als onbegrijpelijk moet worden aangemerkt. Daartoe voert het subonderdeel aan dat van een op Chipshol als gelaedeerde rustende verplichting tot beperking van haar schade niet slechts sprake is indien handelingen van Chipshol binnen afzienbare tijd tot beperking van schade kunnen leiden. Van Chipshol mag echter, aldus het subonderdeel, in het kader van art. 6:101 lid 1 BW onder omstandigheden ook worden verlangd dat zij maatregelen neemt die op de wat langere termijn haar schade in meer of mindere mate kunnen beperken, uiteraard voor zover die maatregelen in redelijkheid van Chipshol kunnen worden verlangd. Daarnaast wordt betoogd dat de op Chipshol rustende verplichting tot beperking van haar schade niet is beperkt tot maatregelen die kunnen leiden tot realisering van enkel haar oorspronkelijke bouwplannen, maar ook betrekking kan hebben op realisering van een ander bouwplan (bijvoorbeeld andere bouwhoogten), of hetzelfde bouwplan maar onder andere voorwaarden (bijvoorbeeld met betrekking tot de brandveiligheid), dan wel op een ander bouwplan onder andere voorwaarden. 4.38 De rechtsklacht van het subonderdeel ziet eraan voorbij dat de rechtbank in rechtsoverweging 2.63 tot uitgangspunt heeft genomen dat concrete ontwikkelingen die zich na het ontstaan van schade hebben voorgedaan en tevens direct gevolg hebben voor de uiteindelijke omvang van die schade, behoren te worden meegewogen bij het vaststellen van de vergoedingsplicht van de tot vergoeding gehouden partij. Voor het overige is het oordeel van de rechtbank over welke schadebeperkende maatregelen in het onderhavige geval wel, en welke maatregelen niet van Chipshol konden worden gevergd, dermate verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het oordeel van de rechtbank is voorts niet onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van de Luchthaven waarin steeds wordt gesproken over de oorspronkelijke plannen
(86). 4.39 Ik acht het oordeel van de rechtbank voorts niet onbegrijpelijk in het licht van de omstandigheid dat de Luchthaven in de feitelijke instantie niets heeft gesteld in de zin van subonderdeel 3.3 - dat ook schadebeperkende maatregelen van Chipshol konden worden gevergd die op langere termijn dan wel met een ander bouwplan en/of onder andere voorwaarden zouden leiden tot realisering van haar plannen -, althans dat in de cassatiedagvaarding niet naar zodanige stellingen is verwezen. Onderdeel 4 4.40 Onderdeel 4 bouwt voort op de voorgaande onderdelen en richt zich tegen het vonnis van de rechtbank van 13 juni 2007 (het provisionele vonnis). Het onderdeel voert aan dat de rechtbank in rechtsoverweging 2.4 van het provisionele vonnis heeft geoordeeld dat in het vonnis van 4 april 2007 is overwogen dat thans in beginsel vaststaat dat de Luchthaven ten minste een bedrag van € 16.000.000,-- aan Chipshol zal dienen te voldoen, waarmee de toewijzing van de provisionele vordering van Chipshol is gebaseerd op de beslissingen in het tussenvonnis van 4 april 2007 en eigenlijk ook op het tussenvonnis van 12 januari 2005 nu daarin de verweren van de Luchthaven tegen aansprakelijkheid jegens Chipshol zijn verworpen. Volgens het onderdeel brengt gegrondbevinding van één of meer van de klachten van de onderdelen één tot en met drie mee dat ook de voortbouwende beslissing in rechtsoverweging 2.4 en aansluitend het dictum van het provisionele vonnis van 13 juni 2007 niet, althans niet integraal, in stand kunnen blijven. 4.41 Nu het provisionele vonnis met het wijzen van het eindvonnis zijn werking heeft verloren en door het eindvonnis is vervangen
(87), kan het onderdeel sowieso bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Tussenconclusie onderdelen 1 tot en met 4 4.42 Zoals hiervoor besproken zijn van de onderdelen 1 tot en met 4 de tweede klacht van subonderdeel 2.3 (zie hiervoor onder 4.12-4.17) over het bewijsaanbod in rechtsoverweging 2.60 van het vonnis van 4 april 2007 en de klachten van het subsidiaire standpunt van subonderdeel 3.1 (zie hiervoor nrs. 4.28-4.32) over de rechtsoverwegingen 2.65, 2.66 en 2.68 van dit vonnis gegrond. Dit heeft tot gevolg dat het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.71 van het vonnis van 4 april 2007 - dat al met al niet is gebleken dat de vergoedingsplicht van de Luchthaven op grond van eigen schuld van Chipshol dient te worden verminderd - niet in stand kan blijven. Daardoor kan de slotsom in rechtsoverweging 2.80 van dat vonnis dat in beginsel vaststaat dat de Luchthaven ten minste een bedrag van € 16.000.000,-- aan Chipshol zal moeten voldoen als schadeloosstelling in de zin van art. 50 LVW, ook niet worden gehandhaafd. Het slagen van de klacht tegen rechtsoverweging 2.66 van het vonnis van 4 april 2007 heeft daarnaast tot gevolg dat de op deze rechtsoverweging voortbouwende rechtsoverweging 2.18 van het eindvonnis eveneens wordt getroffen.
- De onderdelen 5 tot en met 8 Onderdeel 5 5.1 Onderdeel 5 komt op tegen de rechtsoverwegingen 2.9, 2.10 en 4.2 van het provisionele vonnis, waarin de rechtbank als volgt heeft geoordeeld: "2.
- (...) Waar Chipshol niet heeft gereageerd op het met bewijsstukken gestaafde betoog van de Luchthaven, dat er op neerkomt dat niet kan worden gezegd dat zij, Chipshol, tot terugbetaling van het haar toe te wijzen bedrag in staat zal blijken wanneer de Hoge Raad de door de rechtbank uit te spreken betalingsveroordeling mocht vernietigen, kan van de Luchthaven niet worden gevergd Chipshol bij wijze van voorschot op het gevorderde bedrag van € 19.000.000,- te betalen zonder dat Chipshol daarvoor genoegzaam zekerheid aan de Luchthaven stelt. Dit betekent dat aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de in dit vonnis uit te spreken betalingsveroordeling de voorwaarde dient te worden verbonden dat door Chipshol voor het door de Luchthaven te betalen bedrag zekerheid wordt gesteld, een en ander als bedoeld in artikel 233 lid 3 Rv. 2.
- Chipshol zal vorenbedoelde zekerheid dienen te stellen middels een bankgarantie tot een bedrag van € 19.000.000,- te vermeerderen met een bedrag van € 2.500.000,- voor rente en kosten. De bankgarantie dient in opdracht van Chipshol en ten gunste van de Luchthaven te worden gesteld door een Nederlandse bank onder de daarvoor gebruikelijke voorwaarden en dient haar geldigheid onverminderd te behouden tot veertien dagen nadat ten aanzien van de door de Luchthaven aan Chipshol te betalen schadeloosstelling en de omvang daarvan in rechte op alle onderdelen een uitspraak is gedaan, die vervolgens ook kracht van gewijsde heeft verkregen, alles voor zolang en voor zoveel de mogelijkheid bestaat dat in rechte komt vast te staan dat Chipshol jegens de Luchthaven in totaal op minder dan € 19.000.000,- aanspraak heeft terzake van de hier aan de orde zijnde schadeloosstelling. (...)
- De beslissing De rechtbank In het incident (...) 4.
- verklaart deze betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad nadat in opdracht van Chipshol en ten gunste van de Luchthaven een bankgarantie voor een bedrag van in totaal € 21.500.000,- (eenentwintig miljoen vijfhonderdduizend euro) is afgegeven als hiervoor in 2.10 omschreven." 5.2 Het onderdeel klaagt dat de door de rechtbank in rechtsoverweging 4.2 gemaakte koppeling tussen de zekerheidsstelling en de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, onbegrijpelijk is in het licht van de eerdere overwegingen van de rechtbank en het verzoek van de Luchthaven een eventuele veroordeling te koppelen aan voorafgaande zekerheidsstelling vanwege het aanzienlijke aan Chipshol verbonden restitutierisico. Het onderdeel verwijst daartoe naar de rechtsoverwegingen 2.9 en 2.10 en stelt dat de rechtbank daar heeft overwogen en bedoeld heeft te overwegen dat de Luchthaven, tegenover betaling van een bedrag aan Chipshol van maar liefst € 19.000.000,-, de zekerheid wordt verschaft dat Chipshol nadien in staat zal blijken tot terugbetaling van de door de Luchthaven betaalde € 19.000.000,- voor zolang en voor zoveel de mogelijkheid bestaat dat in rechte komt vast te staan dat Chipshol jegens de Luchthaven in totaal op minder dan € 19.000.000,- aanspraak heeft. Door vervolgens in rechtsoverweging 4.2 de door Chipshol te stellen bankgarantie aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bij provisioneel vonnis toegewezen betalingsveroordeling te koppelen en niet aan de onherroepelijk in rechte vaststaande betalingsveroordeling zelf, worden de overwegingen en bedoelingen van de rechtbank in rechtso