Nr. 07/13055 Mr. Vegter Zitting: 1 december 2009 Conclusie inzake: [verdachte]
(3)Los van hetgeen in de toelichting op het middel daaromtrent wordt aangevoerd, heeft ook de medeverdachte bij de politie in zijn verhoor d.d. 25 augustus 2005 - waarvan een deel onder 4 tot het bewijs is gebezigd - verklaard dat hij de buitenboordmotor op de wal heeft gelegd. Daarnaast was de medeverdachte kennelijk ook in staat in zijn eentje de motoren in de boot te tillen. Erg overtuigend is het argument van het Hof dus niet.
- Deze situatie vertoont enige gelijkenis met de kwestie die aan de orde was in HR 19 oktober 1993, NJ 1994, 50, m. nt ThWvV. Het betrof in die zaak een verdachte die met zijn vrienden meegelopen was naar een clubhuis, terwijl hij wist dat dezen van plan waren daar in te breken. De verdachte bleef buiten staan, maar heeft later wel, samen met zijn vrienden, het buitgemaakt bier en snoepgoed genuttigd. De raadsman voerde verweer ten aanzien van het medeplegen. Het Hof oordeelde dat uit de bewijsmiddelen genoegzaam bleek dat de samenwerking van verdachte en zijn mededaders zodanig nauw was geweest dat van mededaderschap moest worden gesproken. De Hoge Raad nam daar geen genoegen mee, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat verdachte enige uitvoeringshandeling had verricht en daaruit evenmin kon volgen dat verdachte ter uitvoering van een gezamenlijk plan zo nauw en volledig met anderen heeft samengewerkt dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat hij tezamen en in vereniging met die anderen het tenlastegelegde heeft begaan.
- In zijn noot bij dit arrest merkt Van Veen op dat de bewijsmiddelen wat aan de "lapidaire kant" waren maar dat het Hof toch over voldoende gegevens leek te beschikken om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Het probleem zat zijns inziens ook niet zozeer daarin, als wel in het ontbreken van een bewijsredenering om de vastgestelde feiten met de conclusie dat verdachte het feit had begaan te verbinden. Zoals Van Veen stelt: "Soms is een interpretatie van de feiten onontbeerlijk wil een conclusie overtuigen".
- Daarin zit in mijn optiek het verschil met deze zaak. Het komt mij voor dat hier een interpretatie van de feiten niet onontbeerlijk is: zoals ik hierboven al aanvoerde, kan uit de bewijsmiddelen al volgen dat er sprake was van gezamenlijk en in vereniging handelen. In dat licht is 's Hofs bewijsoverweging omtrent het gewicht van de motor overbodig. In een welwillende beschouwing zou je kunnen zeggen dat nu de weerlegging van het verweer uit de bewijsmiddelen al volgt, het een overweging ten overvloede betreft.
- In dat geval faalt ook de tweede grief van het middel.
- Het middel faalt in beide onderdelen.
- Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Gelet op de hoogte van de opgelegde straf kan de Hoge Raad mijns inziens echter volstaan met de vaststelling dat dit het geval is.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Dit volgt uit de verklaring van de verdachte d.d. 29 augustus 2005 bij de politie, van welke verklaring een deel onder 2 tot het bewijs is gebezigd. 2 Vgl. HR 23 oktober 1990, NJ 1991,
- 3 Reeds uit de aan de schriftuur gehechte bijlage valt af te leiden dat niet aangenomen kan worden dat het een feit van algemene bekendheid is dat buitenboordmotoren niet door één persoon kunnen worden getild. Van het gestolen merk begint het gewicht van de motoren bij 13 kilo.