Rolnr. 08/03241 mr. E.M. Wesseling-van Gent Zitting: 18 december 2009 Conclusie inzake: Chipshol Holding III B.V. tegen de Staat der Nederlanden (rechtbank Haarlem) Het gaat in deze zaak over de vraag
§ 3
.1) heeft het hof in de bestreden rechtsoverweging 6 miskend dat de mogelijke grondslag van de vordering van Chipshol niet ziet op rechterlijke fouten. Middelonderdeel 2 (
§ 3
.2) klaagt dat het hof heeft miskend dat de rechter die een eventuele onrechtmatige-daadsvordering van Chipshol tegen de Staat beoordeelt, niet gebonden is aan de hoogte van de schadevergoeding zoals die na cassatie in de procedure tegen de Luchthaven is komen vast te staan, omdat de Staat bij die procedure geen partij is. Het derde onderdeel (
§ 3.3 en s.t.
onder 7) betoogt ten slotte in de kern dat Chipshol geen effectief rechtsmiddel ten dienste stond om een en ander (tijdig) aan de orde te stellen. 2.19 Het hof heeft in de bestreden rechtsoverweging geoordeeld dat Chipshol geen enkel rechtens te beschermen belang bij haar verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor heeft omdat zij (uiteindelijk) geen rechtsvordering tegen de Staat heeft. Dit betekent allereerst dat het onderhavige verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor aan de vereisten voldoet en dat het dus kan worden toegewezen tenzij er een afwijzingsgrond is, meer in het bijzonder de afwijzingsgrond van het ontbreken van belang. 2.20 Er moet echter niet te snel worden geoordeeld dat het belang bij een dergelijk verzoek ontbreekt omdat het doel van een voorlopig getuigenverhoor nu juist is dat belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding de gelegenheid hebben vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de (hun wellicht nog niet precies bekende) feiten zodat zij hun positie beter kunnen beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen (zie hiervoor onder 2.5), en, zo voeg ik toe, op grond waarvan. 2.21 Volgens het hof komt Chipshol geen rechtsvordering tegen de Staat toe (en ontbreekt dus het belang bij het verzoek) omdat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verhindert dat Chipshol de hoogte van de haar toegekende schade aan de orde stelt in een procedure tegen de Staat uit hoofde van onrechtmatige rechtspraak, terwijl zij daarnaast schadevergoeding vordert in de procedure tegen de Luchthaven op grond van art. 54 LVW en in de procedure tegen LVLN en in beide procedures bij een hogere rechter over die vergoeding kan worden geprocedeerd. 2.22 Kern van de overwegingen van het hof is het oordeel dat Chipshol indien zij het niet eens is met de beslissing van de rechtbank Haarlem over de haar toegekende schade cassatieberoep kan instellen en dat haar over hetzelfde niet een vordering uit onrechtmatige daad tegen de Staat toekomt. Dit oordeel geeft m.i. blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het leerstuk van onrechtmatige rechtspraak, dat de aansprakelijkheid van rechters voor tekortschieten in de hun opgedragen taak betreft, is in de onderhavige zaak niet aan de orde. Chipshol wenst blijkens het inleidend verzoekschrift (onder 27) te onderzoeken of de vervanging van de drie rechters een "standaardbeslissing in het kader van het rouleerbeleid" is als haar is meegedeeld. Als dat niet het geval is heeft de rechtbank, aldus Chipshol, onzorgvuldig jegens haar gehandeld en kan de Staat worden aangesproken wegens onrechtmatige daad. Onderwerp van het voorlopig getuigenverhoor is derhalve de beweerdelijke onrechtmatige beïnvloeding door het gerechtsbestuur
(30)van de rechtbank Haarlem van de voorbereiding dan wel het nemen van een beslissing van rechters
(31). Of een dergelijke vordering daadwerkelijk kans maakt, doet thans niet ter zake
(32). 2.23 De schade die Chipshol in een eventueel aanhangig te maken procedure tegen de Staat kan vorderen is niet dezelfde als die zij op de voet van de Luchtvaartwet van de Luchthaven vordert of van LVLN, waarbij overigens bedacht moet worden dat Chipshol bij haar verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor nog in het geheel niet aannemelijk behoeft te maken dat zij enige schade heeft geleden nu de toewijsbaarheid van de vordering niet wordt beoordeeld in de procedure tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor (zie hiervoor onder 2.4). 2.24 Het middel slaagt mitsdien in zoverre.
- Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 mei 2008 en tot verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Zie de beschikking van het hof Den Haag van 8 mei 2008 onder 1.1 - 1.
- 2 Voor zover thans van belang. 3 Overgelegd als produktie 1 bij het inleidend verzoekschrift. 4 Het verzoekschrift tot cassatie is op 25 juli 2008 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. 5 Cassatieverzoekschrift onder
- 6 S.t. van Chipshol onder 1.
- 7 Waarbij ik onder meer heb geput uit mijn conclusies vóór HR 16 november 2007, LJN BB6200 en vóór HR 11 november 2005, LJN: AU
- 8 Zie onder meer: HR 11 januari 1985, LJN: AG4941, NJ 1985, 352; HR 4 oktober 1985, LJN: AJ5213, NJ 1986, 39 en HR 19 februari 1993, LJN: ZC0878, NJ 1994, 345 m.nt. HJS. 9 Laatstelijk HR 6 juni 2008, LJN BC3354, NJ 2008,
- 10 Wet tot uitbreiding van de mogelijkheid tot het houden van voorlopige getuigenverhoren in burgerlijke zaken (aanpassing van titel 6 afdeling 11 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), wet van 18 juni 1951, Stb.
- 11 HR 11 januari 1985, NJ 1985, 352, rov. 3.
- 12 Vgl. HR 13 september 2002, LJN:AE3345, NJ 2004, 18 m.nt. HJS en HR 19 december 2003, LJN: AL8610, NJ 2004,
- Beide uitspraken hebben betrekking op een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht, maar uit HR 11 februari 2005, LJN: AR6809, NJ 2005, 442 m.nt. DA volgt met zoveel woorden dat voor het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dezelfde maatstaven gelden. 13 Zie C.J.J.C. van Nispen, 2005, (T&C Rv), art. 186 Rv, aant. 4; de noot van E.F. Groot onder HR 11 februari 2005, JBPR 2005, 21; E.M. Wesseling-van Gent, To fish or not to fish, that's the question, in: Het verzamelen van feiten en bewijs: begrenzing versus verruiming, een kruisbestuiving tussen civiel procesrecht en ondernemingsprocesrecht, Procesrechtelijke reeks NVvP, 2006, p. 81-
- 14 M.A.J.G. Janssen, Criteria voor de beoordeling van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor of voorlopig deskundigenbericht, JBPR 2005/3, p. 216-
- 15 HR 28 oktober 1977, LJN: AC6088, NJ 1978, 284 m.nt. WHH; HR 25 november 1988, LJN: AD0521, NJ 1989, 136 m.nt. WHH; HR 27 januari 1989, LJN: AD0608, NJ 1989, 588 m.nt. WHH; HR 4 mei 1990, LJN: AB8764, NJ 1990, 677 m.nt. PAS; HR 13 september 1991, LJN: ZC0329, NJ 1991, 767; HR 27 november 1992, LJN:0773, NJ 1993, 570 m.nt. HJS; HR 21 maart 1997, LJN: ZC2308, NJ 1997, 380; HR 4 april 2003, LJN: AF2828, NJ 2003, 417; HR 24 oktober 2003,LJN: AM2625, NJ 2004, 558 m.nt. HJS. Zie ook R.P.J.L. Tjittes/ W.D.H. Asser, Rechtsmiddelen, 2007, par. 1.3 en HR 4 april 2003, LJN: AF2828, NJ 2003, 417; Stein/Rueb, Compendium Burgerlijk Procesrecht 2009, p. 199-201; Burgerlijke Rechtsvordering, Numann, a.w., art. 236 Rv., aant.
- 16 HR 18 september 1992, LJN: ZC0683, NJ 1992,
- 17 D.J. Veegens, Het gezag van gewijsde, 1972, p. 53-54; Burgerlijke rechsvordering, Asser, art. 67, aant. 3 en
- 18 HR 14 oktober 1988, LJN: AC3786, NJ 1989, 413 m.nt. JBMV. 19 O.m. HR 18 maart 1943, NJ 1943, 322; HR 10 december 1948, NJ 1949, 122; HR 20 januari 1984, LJN: AG4740, NJ 1987, 295 en HR 30 september 1994, LJN: ZC1462, NJ 1996,
- Verg. voorts Veegens, a.w., p. 32; Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Asser, art. 67, aant. 10; Y.E.M. Beukers, Eenmaal andermaal, 1994, p. 99-
- 20 HR 19 november 1993, NJ 1994, 175 en de conclusie van A-G Asser vóór dit arrest. Vgl. voorts: HR 28 april 1995, NJ 1995, 483 en de conclusie van A-G Vranken vóór dit arrest (nr. 16) die spreekt van een uit de rechtspraak blijkende tendens om geen gezag van gewijsde aan te nemen wanneer niet inhoudelijk is beslist omtrent een rechtsbetrekking in geschil. Zie voorts: Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Asser, art. 67, aant. 9 en Burgerlijke Rechtsvordering, Numann, art. 236 Rv., aant. 9; E. Gras, Kracht en gezag van gewijsde, 1994, p. 149-
- 21 Stein/ Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2003, p.
- 22 HR 16 december 1994, LJN: ZC1583,NJ 1995,
- 23 HR 13 oktober 2000, LJN: AA7481, NJ 2001,
- Verg. ook Veegens, a.w., p. 38 en de conclusie van A-G Asser vóór HR 19 november 1993, LJN: ZC1151, NJ 1994,
- 24 R.P.J.L. Tjittes/ W.D.H. Asser, Rechtsmiddelen, 2007, § 1.3 en HR 4 april 2003, LJN: AF2828, NJ 2003,
- Zie ook Stein/Rueb, Compendium Burgerlijk Procesrecht 2009, p. 199-
- 25 Tjittes/Asser, a.w., p. 4 26 HR 4 december 2009, LJN: BJ
- 27 Onder 13 en
- Aan de daar genoemde literatuur kan nog worden toegevoegd: G. Snijders, Onrechtmatige rechtspraak, in: De landsadvocaat voor deze, Opstellen voor J.L. de Wijkerslooth , p. 145-151; V.V.R. van Bogaert, De rechter beoordeeld, 2005, met name p. 310 en 311 en van dezelfde schrijfster: De 'gemiddelde rechter', Trema, nr. 9, 2009, p. 390-394; Asser-Hartkamp, 4-III, 2006, nrs. 290j e.v.; A-G Langemeijer in zijn conclusie vóór HR 17 december 2004, LJN:AR2391, NJ 2005, 68 onder 2.11 en 2.
- 28 Asser-Hartkamp, 4-III, 2006, nrs. 290l. 29 Van Bogaert, a.w., p.
- 30 Volgens het wettelijke systeem (art. 23 RO e.v.) bepaalt het bestuur van het gerecht de bezetting van de sectoren en verdeelt het de zaken over de sectoren en kamers, zie H.F.M. Hofhuis, Toedeling van zaken en de persoon van de rechter, Trema, nr. 10, 2009, p. 408-
- 31 Ik merk op dat dus slechts over dit thema vragen aan de getuigen kunnen worden gesteld. 32 Omdat voor het toewijzen van een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor de toewijsbaarheid van de vordering niet ter toetsing voorligt.