Nr. 08/02425 P Mr Jörg Zitting 22 december 2009 Conclusie inzake: [verzoeker = betrokkene]
(1)- bij de berekening heeft betrokkenen, maar dat dit transport niet in bewijsmiddel 3 is opgenomen. Dit verklaart waarom het hof de in het arrest gemaakte telfout in de Aanvulling heeft verbeterd (zie onder 4). Mogelijk gaat het hier om een typefout, waarbij het transport van 11 juni 2007 abusievelijk is weggevallen in de weergave van bewijsmiddel
- Het eerste middel keert zich tegen de correctie die het hof in het aanvullende arrest heeft opgenomen ten aanzien het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze verbetering houdt - voor zover relevant - het volgende in: "NOOT: Het hof constateert in het tegen veroordeelde gewezen arrest een telfout. Het totale aantal kisten en pallet[s] moet zijn 20 en niet zoals in het arrest is vermeld
- Het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel dient derhalve als volgt te worden aangepast. Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt derhalve: 20 x 500/2 = € 5.000,-"
- Volgens de toelichting op het middel is een dergelijke verbetering van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in het aanvullende arrest in strijd met de artt. 365a en 415 Sv.
- In HR 23 januari 2001, LJN ZD2267, NJ 2001, 182, heeft Uw Raad geoordeeld dat het de rechter niet vrij staat om de beslissing omtrent het aan de betrokkene te ontnemen bedrag bij aanvulling van het arrest te wijzigen. In het licht van de consequenties die uit de gegrondverklaring van het tweede middel voortvloeien behoef ik hier niets anders over op te merken dan dat het middel gegrond is.
- Het derde middel klaagt over schending van art. 6, eerste lid, EVRM in cassatie, doordat de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad is overschreden.
- Namens verzoeker, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, is op 28 mei 2008 beroep in cassatie ingesteld. De processtukken zijn op 27 mei 2009 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit betekent dat de zes-maanden termijn waarbinnen de stukken naar de Hoge Raad moeten worden ingezonden ruimschoots is overschreden. Het middel klaagt hierover terecht.
- Ook de zestien-maanden termijn waarbinnen de Hoge Raad uitspraak zal doen is inmiddels overschreden. Hetzelfde geldt voor de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 08/
- De compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden kan dan ook worden toegepast in de hoofdzaak. Dit betekent dat het hof waarnaar de zaak wordt verwezen geen rekening behoeft te houden met de termijnoverschrijding in cassatie, indien Uw Raad in de hoofdzaak de compensatie toepast.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugverwijzing van de zaak naar het hof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Zie p. 171 van het hoofdproces-verbaal, genummerd PLO930/07-009973B.