ECLI:NL:PHR:2010:BK9632
Zaaknr. 08/01935 Mr. Huydecoper Zitting van 8 januari 2010 Conclusie inzake 1. [Eiseres 1] 2. [Eiseres 2] eiseressen in principaal cassatieberoep, verweersters in incidenteel beroep tegen [Verweerster] (1) verweerster in principaal cassatieberoep, incidenteel eiseres Feiten(2) en procesverloop 1. De verweerster in principaal cassatieberoep, [verweerster], drijft een transportonderneming. Dat gebeurde oorspronkelijk onder leiding van twee broers, [betrokkene 1 en 2], die beiden ook aandeelhouder in de B.V. waren.
Het bedrijfspand van waaruit deze onderneming werd uitgeoefend vormt de inzet van het onderhavige geding. Dit pand was privé-eigendom van de broers. [Betrokkene 2] was gehuwd met de eiseres tot cassatie onder 2 (hierna, net als in de feitelijke instanties, te noemen: [eiseres 2]). Na het overlijden, in 1981, van [betrokkene 2] is diens nalatenschap verdeeld. De aandelen in de vennootschap werden aan [betrokkene 1] toebedeeld, en het (gehele) bedrijfspand aan [eiseres 2](3). [Betrokkene 1] heeft twee zoons, die ten tijde van het wijzen van de tussenarresten de onderneming dreven; en een dochter, te weten de eiseres tot cassatie onder 1, [eiseres 1].
Het hof bepaalde dat de partijen tegen dit tussenarrest cassatieberoep mogen instellen. Dat sluit ook de mogelijkheid in van cassatieberoep tegen het eerste (en tweede) tussenarrest(7).
Bespreking van de cassatiemiddelen 6. De onderdelen 1 t/m 8 van het principale middel betreffen alle de oordelen van het hof die ertoe strekken dat de rechten en verplichtingen uit een ten gunste van de huurder luidende koopoptie, althans in de omstandigheden van het onderhavige geval, onder vigeur van art. 7A:1612 BW(9) "overgaan" op de verkrijger van de verhuurde zaak(10).
In het arrest van 1923 werd geoordeeld dat een koopoptie niet begrepen was onder de rechten en verplichtingen die ingevolge het toenmalige art. 1612 BW op de verkrijger van een verhuurde zaak overgingen, omdat het recht tot koop "aan ... het doen hebben van het tijdelijk genot der zaak tegen een bepaalden prijs vreemd is...".
Ik begrijp deze overweging aldus, dat aangenomen moet worden dat ook het "oude" art. 7A:1612 BW in de inmiddels door de wetgever uitgesproken zin moet worden uitgelegd.
Bij een dergelijke ruime uitleg van de samenhang tussen contractuele verplichtingen, zou de zojuist in alinea 11 aangehaalde parameter echter in verreweg de meeste gevallen zonder betekenis blijken te zijn: als men aanneemt dat alle verplichtingen van de verhuurder in een huurovereenkomst "vergolden worden" door alle verplichtingen die de huurder op zich neemt, geldt onder (praktisch) alle omstandigheden dat de periodieke betalingsverplichting van de huurder mede een vergoeding in zich bergt voor de (optionele) uiteindelijke verkrijging waartoe de verhuurder zich heeft verplicht.
Dat brengt mij ertoe aan te nemen dat de Hoge Raad in het arrest van 15 juni 2007 het oog heeft gehad op een nauwer verband tussen de periodieke betalingsverplichting van de huurder en de uiteindelijke (eigendoms-)verkrijging, dan het op zichzelf onmiskenbare maar vergaand onbestemde verband dat in het algemeen tussen alle verschillende van weerszijden aangegane verplichtingen uit een (wederkerige) overeenkomst pleegt te bestaan.
Daarmee komt dan een nieuwe vraag op, namelijk: welk verband tussen de periodieke betalingsverplichting en de uiteindelijke verkrijging de Hoge Raad (of beter: de wetgever, want bij diens uitlatingen in de Parlementaire geschiedenis knoopt de Hoge Raad aan) dan voor ogen heeft gestaan.
Moeilijker te beantwoorden vind ik de vraag of er, ook als geen "aflossing" op een uiteindelijk te betalen prijs plaatsvindt(15), er toch sprake kan zijn van een in de periodieke betalingsverplichting begrepen "vergoeding voor de uiteindelijke verkrijging".
Het zojuist bedoelde geval is, denk ik, gewoonlijk aan de orde als het kooprecht van de huurder beperkt is tot de mogelijkheid om het object tegen de op het "uitoefentijdstip" geldende marktwaarde/marktprijs te verwerven. Dan valt immers, opnieuw: gewoonlijk, niet staande te houden dat in de intussen verrichte periodieke betalingen enige component met het oog op de uiteindelijke verkrijging van het gehuurde was opgenomen, of "hineininterpretiert" kan worden (16).
Als men ook nóg "lossere" verhoudingen tussen de (periodieke) betalingsverplichting van de huurder en de uiteindelijke verkrijging van het huurobject voor toelating onder deze parameter in aanmerking zou laten komen zou dat niet te rijmen zijn met de beperkingen die de door de Hoge Raad gekozen formulering inhoudt. Misschien nog relevanter: men overschrijdt dan de grens die ik in alinea 12 hiervóór aangaf: per saldo is - meestal - aannemelijk dat in een contractuele verhouding alles met alles samenhangt.
Men verkrijgt bij zo'n ruime uitleg niet een criterium dat houvast biedt bij de onderscheiding van wat wel en niet onder de regel van art. 7A:1612 (oud) BW kan worden gebracht, maar men verwijst de vraag van het voor toepassing van art. 7A:1612 (oud) BW vereiste verband tussen de "huurprestaties" en de overige bedingen uit een huurovereenkomst naar de goeddeels subjectieve, niet voor juridische duiding vatbare appreciatie van de rechter. Minder eufemistisch gezegd: voor de beslissing wordt geen beoordelingscriterium aangeboden, maar wordt naar de willekeur van de beoordelaar verwezen. Dat is klaarblijkelijk niet de strekking van het arrest van 15 juni 2007 en niet de strekking van de wet die bij dat arrest werd geïnterpreteerd.
In het eerste tussenarrest, van 26 september 2006, heeft het hof in de rov. 4.8.1 - 4.9.3, (mede) geoordeeld dat de koopoptie uit de huurovereenkomst ook tegen [eiseres 1] als verkrijgster van de blote eigendom van het huurobject kan worden ingeroepen (waarbij, als ik het goed begrijp, het hof veronderstellenderwijs heeft aangenomen dat [eiseres 1] (mede) door de werking van art. 7A:1612 (oud) BW tot verhuurster ten opzichte van [verweerster] is geworden(18)).
Van belang is bovendien dat de optie in deze zaak voor de "uitoefenprijs" verwijst naar een taxatie, naar in de rede ligt: op basis van marktwaarde. Zoals in alinea 13 hiervóór werd opgemerkt, is dat een gegeven dat in het algemeen met zich meebrengt dat de betalingen van de huurder géén vergoeding terzake van de uiteindelijke verkrijging in zich bergen. De "marktconforme" vergoeding terzake van de verkrijging is dan immers onverkort verschuldigd (gebleven). Aanwijzingen voor aanwezigheid van een uitzondering zoals ik die in de voetnoten 15 en 16 heb ondezocht, ontbreken hier.
In rov. 3.8 van HR 15 juni 2007, NJ 2007, 445 m.nt. Stein wordt overwogen dat de toepasselijkheid van art. 7A:1612 (oud) BW niet ervan afhangt of de oorspronkelijke contractspartijen de binding die uit die bepaling voortvloeit hebben beoogd, maar er van afhangt of het wetsartikel die binding van rechtswege meebrengt.
Ik leid daaruit af dat bijzonderheden die de oorspronkelijke contractuele relatie "inkleuren", niet kunnen meebrengen dat een beding dat buiten de door art. 7A:1612 (oud) BW beoogde reikwijdte valt, daar alsnog binnen kan komen te vallen(20). De hier bedoelde overwegingen van het hof nemen klaarblijkelijk tot uitgangspunt dat dat wél mogelijk zou zijn. (Ter vermijding van mogelijk misverstand vermeld ik intussen dat ik meen dat het (principale) middel geen op dit aspect van de zaak gerichte klachten inhoudt.) 21. Dat alles gezegd zijnde, beoordeel ik de onderdelen 1 en 2 van het principale cassatiemiddel als ongegrond. Deze onderdelen betogen dat een kooprecht naar zijn aard nooit binnen het bereik van art. 7A:1612 (oud) BW kan vallen, gegeven dat een dergelijk recht juist bij beëindiging van de "huurprestaties" zijn betekenis heeft. Die gedachte komt inderdaad in het arrest van 5 januari 1923, NJ 1923, p. 305 e.v. tot uitdrukking; en in alinea 21 van de conclusie voor HR 15 juni 2007, NJ 2007, 445 m.nt. Stein wordt daaraan ook betekenis toegekend; maar in het laatstgenoemde arrest zelf wordt, in de hoger uitgebreid besproken rov. 3.5, geoordeeld in een zin die met de stelling van deze middelonderdelen niet te verenigen is. Daar wordt immers - althans: in de uitleg die ik aan deze beslissing geef - overwogen dat de regel van art. 7A:1612 (oud) BW en van art. 7:266 BW zich wél kan uitstrekken tot kooprechten; namelijk wanneer het door de huurder periodiek te betalen bedrag naast een gebruiksvergoeding ook een vergoeding voor de uiteindelijke verkrijging in zich bergt.
Deze klachten lijken mij gegrond, om de redenen die ik hiervóór uitvoerig heb besproken.
Ik betwijfel of in de eerder onderzochte rov. 3.5 uit HR 15 juni 2007, NJ 2007, 445 m.nt. Stein besloten ligt dat de daar bedoelde vergoeding voor de uiteindelijke verkrijging "bepaalbaar" moet zijn - waarmee het middelonderdeel, denk ik, zoiets bedoelt als dat met enige precisie moet kunnen worden vastgesteld welk deel van de te beoordelen vergoedingen toegerekend mag worden aan de uiteindelijke verkrijging. Voor de totstandkoming van een overeenkomst is vereist dat de daarmee beoogde prestaties bepaalbaar zijn; maar is niet vereist dat van relevante prestaties kan worden vastgesteld, op welke tegenprestaties die geheel of gedeeltelijk "toegerekend" mogen worden - en dat laatste is in veel gevallen inderdaad niet goed mogelijk. Men kan zich ook heel goed leaseovereenkomsten voorstellen waarbij de hier bedoelde toerekening niet, of maar zeer gebrekkig mogelijk is, maar waarbij wel degelijk aan de strekking van rov. 3.5 van het arrest van 15 juni 2007 wordt beantwoord(21).
Ik denk dat een (motiverings-)klacht in de hier gekozen vorm niet voldoet aan de eis die in art. 407 lid 2 Rv. besloten ligt. In deze klacht wordt, zonder nadere verbijzondering, verwezen naar de stellingen die in ongeveer 14 pagina's uit de processtukken zijn opgenomen. Het wordt aan de lezer overgelaten, te speuren naar daarin naar voren gebrachte materie die misschien de basis voor de motiveringsklacht(en) zou kunnen vormen. Dat lijkt mij niet toelaatbaar.
Volledigheidshalve heb ik overigens de aangewezen passages uit de stukken doorgenomen. Mij zijn daarbij geen stellingen opgevallen die - veronderstellenderwijs aannemend dat het oordeel van het hof overigens wél als deugdelijk zou zijn aan te merken - nadere bespreking in (de motivering van) de bestreden arresten zouden hebben vereist.
De onderdelen 9 en 10 klagen in wezen daarover dat, wanneer aan te nemen zou zijn dat de vervreemding onder voorbehoud van vruchtgebruik er niet toe heeft geleid dat [eiseres 1] op de voet van art. 7A:1612 (oud) BW (mede) als verhuurster kan worden aangemerkt en dat [eiseres 2] bij die transactie als enige verhuurster is gebleven (of als enige verhuurster is geworden), dat feit op zich al zou betekenen dat de consequenties art. 7A:1612 (oud) BW niet tegen [eiseres 1] kunnen worden ingeroepen.
Zoals ik echter in voetnoot 18 ook al liet blijken, denk ik dat de hier bedoelde overweging van het hof niet "at face value" mag worden genomen. In zijn verdere overwegingen heeft het hof duidelijk genoeg wél tot uitgangspunt genomen dat [eiseres 1] door de werking van art. 7A:1612 (oud) BW tot (mede)verhuurster is geworden. De onderhavige overweging van het hof moet dan ook zo worden begrepen, dat het hof bedoelt dat niet noodzakelijkerwijs [eiseres 2] dan wel [eiseres 1] alléén als verhuurster hoeft te worden aangemerkt, en dat de mogelijkheid bestaat - en aansluitend ook door het hof wordt aanvaard - dat beide tezamen als partij bij de huurovereenkomst worden aangemerkt.
Ik denk dat wanneer van een huurverhouding bedingen deel uitmaken die wél voor overgang op de voet van art. 7:226 BW vatbaar zijn, en wanneer voor de nakoming van die bedingen medewerking van de bloot eigenaar vereist of gewenst is, een uitleg van een huurrelatie waarin de eerder bedoelde verdeling is ingetreden in die zin, dat vruchtgebruiker en bloot eigenaar beide, ieder voor de hun aanbelangende verplichtingen, daarbij partij zijn (geworden) tegelijk logisch houdbaar en rechtens geoorloofd is(22).
Aangezien volgens mij die klachten ten dele gegrond zijn en de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld dus vervuld is, komt het incidentele beroep voor beoordeling in aanmerking.
De desbetreffende klacht komt er op neer dat het oordeel van het hof (in rov. 10.14 van het derde tussenarrest) dat namens [verweerster] niet expliciet een beroep is gedaan op de continuïteit van haar onderneming als een van de redenen voor het opnemen van de koopoptie, in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk zou zijn.
Dat zo zijnde, zal ook de rechter na eventuele verwijzing met dit gegeven rekening hebben te houden.
In het licht van deze stellingen is inderdaad niet goed te begrijpen dat het hof in rov. 10.14 van het nadien gewezen derde tussenarrest heeft geoordeeld dat op dit gegeven als een van de redenen voor het opnemen van de koopoptie, geen beroep zou zijn gedaan.
Ik denk dat het, om mogelijke onduidelijkheid te vermijden, de voorkeur heeft om aan de klacht van het middel gevolg te geven en het arrest op het met deze klacht bestreden punt te vernietigen.
Conclusie Ik concludeer zowel op het principale als op het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van de daardoor bestreden arresten, met verdere afdoening als in alinea 32 voorgesteld.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 (Alleen) in het in cassatie bestreden derde (en laatste) tussenarrest van het hof wordt de naam met weglating van de toevoeging "Eersel" weergegeven. Ik houd het erop dat de hier vermelde naam de juiste is.
2 Afgeleid uit de rov. 2 van het tussenvonnis en het eindvonnis in eerste aanleg, en uit de tussenarresten in hoger beroep van 26 september 2006, 10 juli 2007 en 29 januari 2008.
3 Aldus rov. 4.4.1 van het tussenarrest van 26 september 2006. Uit rov. 2.6 van het tussenvonnis in de eerste aanleg van 16 september 2004 is af te leiden dat [eiseres 2] de helft van de aandelen in (de rechtsvoorgangster van) [verweerster] had geërfd, en een aandeel ter grootte van de helft van het bedrijfspand. Bij akte van scheiding en deling van 31 december 1983 hebben [eiseres 2] en [betrokkene 1], die dus houder was van de andere helft van de aandelen en mede-eigenaar van het bedrijfspand, aan [eiseres 2] de onverdeelde helft van het bedrijfspand toebedeeld, en de aandelen van [eiseres 2] in [verweerster] aan [betrokkene 1]. Tegelijk werd de bestaande huurovereenkomst tussen [eiseres 2] en [betrokkene 1] tezamen als verhuurders, en [verweerster] als huurster ontbonden, en werd de in alinea 2 hierna te vermelden nieuwe huurovereenkomst gesloten.
4 Aansluitend is dan nog bepaald dat bij gebreke van overeenstemming, de prijs door taxatie moet worden vastgesteld.
5 Van 26 september 2006; gepubliceerd in JOR 2007, 134 m.nt. N.C. van Oostrom-Streep; besproken door A.J.H. Pleysier in JBN 2007, p. 11 - 13; Eeken en De Visser in Tijdschrift voor Huurrecht Bedrijfsruimte 2007, p. 111 - 112; Van Neck en Veerman in Bouwrecht 2008, p. 482 - 483 (in beide laatstgenoemde vindplaatsen wordt ook het in dit cassatieberoep bestreden derde tussenarrest besproken).
6 Dit is gepubliceerd in Tijdschrift voor Huurrecht Bedrijfsruimte 2008, p. 32 - 35 m.nt. Eeken (zie ook de in de vorige noot vermelde vindplaatsen). De commentaren op de uitspraken van het hof zijn overwegend kritisch. Kerpestein, Huurrecht Bedrijfsruimte, 2009, p. 426, voetnoot 1, betitelt het eerste tussenarrest daarentegen als een "aardige toepassing" van de beoogde regel.
Het tweede tussenarrest bevat, naar ik duidelijkheidshalve opmerk, geen voor de beoordeling in cassatie relevante overwegingen.
7 HR 17 december 2004, NJ 2006, 229 m.nt. HJS, rov. 3.4 en 3.5; HR 26 oktober 2001, NJ 2001, 665, rov, 3.4.
8 Het derde tussenarrest is van 29 januari 2008. De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 29 april 2008.
9 De vervreemding van de "blote eigendom" aan Rijbroek vond plaats in 1996, en dus in een periode waarin art. 7A:1612 (oud) BW nog geldend recht was. De afschaffing van deze bepaling, per 1 augustus 2003, heeft geen wijziging gebracht in de in 1996 onder de gelding van het "oude" recht tot stand gekomen rechtsgevolgen. Het hof is dan ook met recht van de toepasselijkheid van de "oude" bepaling uitgegaan (rov. 4.7 van het eerste tussenarrest; met de kanttekening dat ik (dus) denk dat hetzelfde aangenomen had moeten worden wanneer de dagvaarding in deze zaak ná de inwerkingtreding van het "nieuwe" huurrecht zou hebben plaatsgehad).Tegen dit oordeel wordt in cassatie, eveneens terecht, niet opgekomen.
10 Het gaat er dan met name om of de rechten en verplichtingen uit de optie ook voor [eiseres 1] gelden. Deze verwierf in de in alinea 2 genoemde transactie (slechts) de "blote eigendom" van het huurobject.
11 De Hoge Raad heeft hier klaarblijkelijk de passage uit Kamerstukken II 1997 - 1998, 26 089, nr. 3, p. 36 (Parlementaire Geschiedenis Huurrecht, 2008, p. 373) op het oog, waarin de in de overweging van de Hoge Raad weergegeven tekst vrijwel letterlijk is opgenomen.
12 Deze verbijzondering wordt in Steins noot apart vermeld. Ik ben zelf geneigd te betwijfelen of dit gegeven wezenlijk is als het erom gaat of een overeenkomst binnen de hier bedoelde categorie (van wél volledig door art. 7A:1612 (oud) BW c.q. art. 7:226 BW beheerste overeenkomsten) valt; zie ook alinea 13 en voetnoten 15 en 16 hierna.
13 In alinea 7 van de noot van Loesberg bij JOR 2007, 225 wordt de leaseovereenkomst ogenschijnlijk aan de hand van andere criteria van de huurkoopovereenkomst onderscheiden. Het onderscheid wordt ook besproken bij: Van Hees, Leasing, 1997, p. 29 e.v.; Joosen, Facetten van Leasing, 1984, p. 19 e.v.; Beckman en Joosen, Leasing van roerend en onroerend goed, 1980, i.h.b. p. 100 e.v.
14 Zeer uitgesproken in die zin: Asser - Abas (HUUR) 5 IIA, 2007, nr. 70.
15 Daarbij ga ik ervan uit dat "aflossing" zoals hier bedoeld veel verschillende vormen kan aannemen.
Het lijkt mij duidelijk dat van "aflossing" in de hier beoogde zin in elk geval kan worden gesproken zodra de overeenkomst erin voorziet dat de huurder na een bepaald aantal periodieke betalingen aanspraak kan maken op verkrijging tegen een prijs die lager is dan de op dat ogenblik geldende marktwaarde van het object (wat aansluit bij de in alinea 11 hiervóór bedoelde omschrijving van Stein); maar het is denkbaar dat er ook "aflossing" heeft plaatsgehad wanneer de te betalen prijs weliswaar hoger is dan de geldende marktwaarde, maar wel wezenlijk lager dan de prijs bij verkrijging aan het begin van de overeenkomst zou zijn geweest.
Ter illustratie van dat laatste: de ervaring heeft geleerd dat er zaken zijn - computerapparatuur, bijvoorbeeld, - waarvan de marktwaarde aanmerkelijk sneller kan dalen dan de "gebruikswaarde". Een twee of drie jaar oude computer heeft niet zelden geen relevante marktwaarde meer (omdat de marktwaarde in belangrijke mate wordt bepaald door het inmiddels ontstane aanbod van modernere computers, en de daarmee samenhangende "veroudering" van bestaande computers); maar zo'n computer kan desondanks de huurder/verkrijger nog lange tijd van nut zijn; terwijl de aanschaf van een nieuwe computer op het "uitoefentijdstip" de betrokkene veel duurder zou uitkomen, en de "uitoefenprijs" voor de verkrijging van de inmiddels enige tijd gehuurde computer ook lager is dan de verkrijgingsprijs die bij de aanvang van de overeenkomst zou hebben gegolden.
In zo'n geval lijkt mij aannemelijk dat de betalingen van de huurder wel degelijk mede met het oog op de (mogelijke) uiteindelijke verkrijging zijn gedaan, ook al moet er dus méér worden betaald dan de op dat moment aan te nemen marktwaarde.
Andere varianten van de hier geschetste moeilijkheden rond de bepaling van het begrip "aflossing" laten zich - als men zich daar de tijd voor gunt - stellig denken.
Loesberg, annotatie bij JOR 2007, 225 alinea 4, noemt de mogelijkheid om voor minder dan de marktwaarde te verwerven een aanwijzing dat de huurprijs tevens een vergoeding voor de verkrijging van de zaak omvat.
16 Zoals gezegd: dit geldt "gewoonlijk". Het in de vorige voetnoot besproken geval van snel "verouderende" en daarmee aan marktwaarde inboetende computerapparatuur laat zien dat uitzonderingen alleszins denkbaar zijn.
17 De sedert het arrest van 15 juni 2007 verschenen commentaren geven niet veel houvast voor de vraag van uitleg die ik hier heb besproken; zie Huurrecht (losbl.), Rueb, art. 226, aant. 26f; Kerpestein, Huurrecht Bedrijfsruimte, 2009, p. 425 - 426; De Jonge, Huurrecht, 2009, p. 100 - 103.
18 Het arrest kan in dit opzicht tot misverstand aanleiding geven. Dat komt omdat het hof in rov. 4.8.2 uitdrukkelijk oordeelt dat in het midden kan blijven of [eiseres 1] (mede) als verhuurster is aan te merken; terwijl het hof in de verdere overwegingen, met name voor de beoordeling van de positie van [eiseres 1], aanknoopt bij art. 7A:1612 (oud) BW en art. 7:226 BW. Die bepalingen spelen slechts dan een relevante rol als men aanneemt dat [eiseres 1] als verkrijgster van de zaak in de zin van die bepalingen is aan te merken, en daarmee tevens als (vermoedelijk: mede-)verhuurster. Het lijkt mij duidelijk dat de zojuist bedoelde passage uit rov. 4.8.2 zo moet worden begrepen, dat die met de daarna door het hof ontwikkelde gedachten spoort - zie ook alinea 27 hierna.
19 In rov. 10.10 zijn kennelijk woorden of zinsdelen weggevallen, waardoor de strekking van deze overweging enigszins onduidelijk is.
20 Zie ook Van Neck en Veerman, Bouw 2008, p. 483; Eeken, Tijdschrift voor Huurrecht Bedrijfsruimte 2008, p. 34.
21 Ik geef als voorbeeld de overeenkomst die inhoudt dat de lessee na betaling van x termijnen groot € y, recht heeft op verkrijging van de zaak tegen een prijs van € z.
Om zich een oordeel te kunnen vormen over de vraag welk gedeelte van de betaalde termijnen toegerekend mag worden aan de verkrijging (en welk overgebleven deel (dus) als vergoeding voor het enkele gebruik is aan te merken) zou men op z'n minst willen weten wat de waarde van het object bij de aanvang van de overeenkomst was en wat die waarde op het beoogde moment van uitoefening van het kooprecht is (en ook, of bij het aangaan van de overeenkomst de ontwikkeling van de waarde van het object kon worden voorzien, en of de waarde zich ook dienovereenkomstig heeft ontwikkeld). Als men deze "onbekenden" niet kan vaststellen kan men slechts bijwege van "slag in de lucht" taxeren hoe de overeengekomen betalingen "toegerekend" kunnen worden.
Het betreft echter ongetwijfeld een geldige overeenkomst, en afhankelijk van de omstandigheden ook een overeenkomst die binnen het in rov. 3.5 van het arrest van 15 juni 2007 aangegeven bereik valt.
22 Men kan aan de regel van het huidige art. 7:227 BW enige steun voor deze gedachte ontlenen: de verkrijger van goederenrechtelijke aanspraken op een verhuurd object is ofwel onder de noemer van art. 7:226 BW of onder die van art. 7:227 BW gehouden, de rechten van een bestaande huurder te respecteren. Reeds de tekst van art 7:227 BW maakt duidelijk dat de wetgever de mogelijkheid heeft willen uitsluiten van een verkrijging van goederenrechtelijke aanspraken, waarvoor zou gelden dat de huurder noch art. 7:226 BW noch art. 7:227 BW tegen de verkrijger kan inroepen.