← Nederland

ECLI:NL:PHR:2010:BL0662

Nr. 08/03822 E Mr Jörg Zitting 19 januari 2010 Conclusie inzake: [Verdachte = verzoekster]

  1. Verzoekster is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 20 juli 2007 ten aanzien van het aan haar tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit (overtreding van art 14, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, namelijk pinda's en Franse kaasjes verkopen bij de rum) ontslagen van alle rechtsvervolging.
  2. Namens verzoekster hebben mrs. J. Kuijper en M. Mulder, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
  3. Het eerste middel klaagt in de kern dat het hof voor de bewezenverklaring acht heeft geslagen op stukken die niet zijn voorgehouden bij de behandeling ter terechtzitting. Het tweede middel klaagt dat het Openbaar Ministerie ten onrechte ontvankelijk is verklaard: de wet voorzag ten tijde het plegen van het strafbare feit niet in de mogelijkheid om een rechtspersoon (i.c. verzoekster) strafrechtelijk te vervolgen. Het derde middel, gepresenteerd als een bewijsklacht, lees ik als een kwalificatieverweer, nl.: de ten laste van verzoekster bewezenverklaarde gedragingen leveren niet op "het verrichten van andere bedrijfsactiviteiten dan die welke tot het slijtersbedrijf behoren" als bedoeld in art 14, eerste lid, van de Drank- en Horecawet.
  4. Alleen het tweede middel acht ik van belang voor bespreking: was verzoekster al dan niet vervolgbaar? Of was zij slechts niet strafbaar? Als ik het slechte (politie)Nederlands zou volgen - dat ook zijn weg in sommige cassatieschrifturen heeft gevonden - zou ik schrijven dat op de "tijddelict" artikel 45 van de Drank- en Horecawet bepaalde dat voor de naleving van de wettelijke bepalingen de bestuurders van een rechtspersoon (of de leidinggevenden in allerlei vorm) aansprakelijk zijn. Daaruit valt niet op te maken dat de rechtspersoon geen strafbare feiten zou kunnen begaan, zoals art. 51 Sr bepaalt. Dat niet deze, maar de bestuurder daarvan de strafrechtelijke consequenties moet dragen is heel wat anders.
  5. Dit middel faalt dus.
  6. Ten aanzien van de overige middelen heb ik niet kunnen ontwaren wat voor rechtens te respecteren belang verzoekster heeft bij het voorgestelde. De maatschappelijke betekenis van een ontslag van rechtsvervolging is voor een rechtspersoon niet anders dan die van een vrijspraak. Dat het hof een kansloze zaak met een mogelijk te korte bocht in de prullenbak heeft geworpen is misschien jammer, maar vergt toch niet dat de Hoge Raad, als ware hij jurylid bij een schoonheidswedstrijd, de zaak terugwijst om hetzelfde hof te dwingen de appèlprocedure volledig aan te kleden, waarna in ieder geval nog eens hetzelfde resultaat zal worden bereikt (niet in de prijzen vallen).

(1)Mijns inziens mocht van het cassatiemiddel worden gevergd dat het uitdrukkelijk toelicht waarin concreet het belang van vernietiging voor verzoekster is gelegen.
(2)Ik heb mij in recente conclusies wel eens verbaasd over het vervolgingsbeleid van het OM. Eenzelfde verbazing treft mij bij dit cassatieberoep.
  1. De middelen 1 en 3 falen bij gebrek aan belang.
  2. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Cf. HR 18 februari 1997, LJN ZD0652, NJ 1997, 411: uitgesproken was een (onherstelbare) niet-ontvankelijkheid OM; het cassatiemiddel stuurde aan op een vrijspraak na een wèl inhoudelijke behandeling. 2 Zie W.A.M. van Schendel, 'Cassatie in strafzaken (Nederlands recht)', in: A. de Moor-van Vugt, De werkwijze van de hoogste rechtscolleges, Preadviezen van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, 2007, p. 131.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.