Nr. 08/04036 Mr Jörg Zitting 19 januari 2010 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Een van de belangrijke wijzigingen ten opzichte van de oude regeling is de uitsluiting van v.i. bij deels voorwaardelijke vrijheidsstraffen (art. 15, derde lid, Sr).
- Dit brengt mee dat verzoeker de volle zestien maanden van de opgelegde straf van 24 maanden, waarvan acht voorwaardelijk, zal moeten uitzitten. Onder de oude regeling behoefde verzoeker slechts tien en een halve maand uit te zitten (de voorarrestaftrek even buiten beschouwing gelaten). Zou verzoeker een geheel onvoorwaardelijke straf van 24 maanden opgelegd hebben gekregen, was hij na éénderde daarvan (bij goed gedrag) vrijgekomen, dus ook na zestien maanden. De proeftijd bedraagt dan volgens art. 15c Sr één jaar. Het hof heeft bij de voorwaardelijke veroordeling - die `netto' op hetzelfde neerkomt - de proeftijd op twee jaar bepaald. Noch uit het proces-verbaal van de appèlzitting noch uit de pleitnota blijkt dat aandacht is besteed aan de consequenties van de nieuwe v.i.-regeling.
- Het hof heeft ten aanzien van het litigieuze strafmotiveringspunt het volgende overwogen: "(...) Gelet op het vorenstaande (de ernst van de poging tot doodslag; de vernieling; de recidive t.z.v. geweldsdelicten, NJ) is het hof van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur recht doet aan de ernst van het - met name onder 1 - bewezenverklaarde en dat niet kan worden volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde en door de rechtbank opgelegde straf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt het hof echter (curs. van NJ) tevens rekening met de volgende omstandigheden. [Slachtoffer] is op 25 november 2007 naar de woning van verdachte gegaan om verhaal te halen na een woordenwisselingen eerder op die dag. Het was derhalve [slachtoffer] die de confrontatie met verdachte zocht. [Slachtoffer] had daarnaast die avond diverse malen telefonisch gedreigd verdachte te zullen doodschieten. Daarnaast houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting door verdachte en zijn raadsvrouw zijn geschetst. Het hof ziet in deze omstandigheden aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het beoogt hiermee mede te bereiken dat verdachte zich in de toekomst zal weerhouden van het plegen van strafbare feiten. Het hof is van oordeel dat er gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de advocaat-generaal is gevorderd."
- Uit de bewoordingen van het arrest ten aanzien van de straftoemeting valt op te maken dat het hof verzoeker tegemoet heeft willen komen. Onder de oude v.i.-regeling had dat ook zo uitgepakt. De nieuwe wettelijke regeling brengt echter met zich mee dat verzoeker in het geheel niet wordt tegemoet gekomen. In hoeverre de verdubbeling van de proeftijd nu een verzwaring van de staf betekent kan buiten beschouwing worden gelaten. De bedoeling van het hof, zoals deze blijkt uit zijn strafmotivering, staat haaks op het effect van de onder de nieuwe regeling opgelegde straf, wanneer deze wordt tenuitvoergelegd. Die straf is in het licht van de strafmotivering onbegrijpelijk.
- Het middel slaagt.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het aangevallen arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde op het punt van de straftoemeting opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Over het toepasselijke overgangsrecht heb ik op 22 december 2009 geconcludeerd in de zaak-[...] (nr. 07-13184).