Zaaknr. 09/04700 mr. E.M. Wesseling-van Gent Parket, 29 januari 2010 Conclusie inzake: [Verzoekster] Deze schuldsaneringszaak leent zich voor een verkorte conclusie. 1.1 Bij vonnis van 17 juni 2004 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling van verzoekster tot cassatie, [verzoekster], op verzoek van de bewindvoerder beëindigd op de grond dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. In dit vonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat [verzoekster], hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, niet is verschenen voor de behandeling ter zitting van 17 juni 2004. 1.2 [Verzoekster] heeft op 13 februari 2009 opnieuw een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend. Bij vonnis van 16 september 2009 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen omdat minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend ten aanzien van [verzoekster] de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest en van de op deze imperatieve afwijzingsgrond toegelaten uitzonderingen in het onderhavige geval geen sprake is. 1.3 [Verzoekster] is van het vonnis van 16 september 2009 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bij arrest van 19 november 2009 bekrachtigd. 1.4 Het tijdig
(1)tegen dit arrest ingediende cassatierekest bevat twee klachten. 1.5 De eerste klacht komt op tegen het oordeel van het hof dat de mededeling van de rechtbank dat [verzoekster] behoorlijk, dat wil zeggen op het juiste adres, is opgeroepen voor de zitting van 17 juni 2004, voor juist moet worden gehouden, nu zij niet met bescheiden - bijvoorbeeld door middel van een verklaring van de griffie van de rechtbank - heeft aangetoond welk adres voor de oproeping (wel) is gebezigd. De tweede klacht betoogt dat het oordeel van het hof dat [verzoekster], nu zij ter zitting van het hof heeft verklaard dat zij eind 2004/begin 2005 kennis heeft genomen van het vonnis van 17 juni 2004, binnen acht dagen na die kennisname hoger beroep had kunnen instellen en dat het nalaten daarvan een omstandigheid is die voor haar rekening en risico dient te blijven, onvoldoende is gemotiveerd. 1.6 Laatstgenoemde klacht faalt. Uit HR 28 november 2003, LJN AN8489 (NJ 2005, 465) volgt dat, zelfs indien moet worden aangenomen dat [verzoekster] als gevolg van een fout of verzuim van de (griffie van de) rechtbank niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een vonnis had gewezen en het vonnis haar als gevolg van een niet aan haar toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep was toegezonden, [verzoekster] geen andere of langere termijn was toegestaan voor het instellen van hoger beroep dan acht dagen na de dag waarop het vonnis haar alsnog ter kennis is gekomen. Tegen deze achtergrond is 's hofs oordeel niet onvoldoende gemotiveerd. 1.7 Nu tegen het vonnis van de rechtbank van 17 juni 2004 geen hoger beroep is ingesteld binnen de daarvoor geldende termijn, heeft dat vonnis kracht van gewijsde gekregen en dient de juistheid van dat vonnis tot uitgangspunt te worden genomen in de onderhavige procedure. De eerste klacht mist mitsdien belang. 2. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Het verzoekschrift tot cassatie is op 24 november 2009 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.