Nr. S 08/01043 Mr. Vegter Zitting 30 maart 2010 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)In het thans bestreden arrest van het Hof is na een verzoek van de verdediging ter terechtzitting van 19 april 2007 beslist dat de noodzaak bestond om een getuige te horen. Op 18 oktober 2007 verscheen de getuige niet en het Hof gaf vervolgens een bevel medebrenging. Ter zitting van 7 februari 2008 was de getuige wederom niet verschenen en gaf de verdediging te kennen geen afstand van de getuige te doen en toch de inhoudelijke behandeling wilde voortzetten. De zaak lijkt sterk op het geval dat aan de orde was in HR 23 oktober 2007, LJN BB3045, NJ 2007,
- Mijn ambtgenoot Knigge brak in zijn conclusie een lans om onder omstandigheden het standpunt van de verdediging zo uit te leggen dat wordt ingestemd met het afzien van het oproepen van de getuige onder voorbehoud. De Raad oordeelde echter dat niet is gebleken dat de verdediging uitdrukkelijk heeft ingestemd met het afzien van hernieuwde oproeping. Reeds omdat de omstandigheden in de onderhavige zaak minder sprekend zijn dan in de zaak uit 2007 acht ik het niet zinvol om een zelfde standpunt in te nemen. Ik meen dat het Hof inderdaad op grond van artikel 288 Sv, dat gelet op artikel 415 Sv in hoger beroep van toepassing is, niet zonder gemotiveerde beslissing van het horen van de getuige had mogen afzien. Het middel slaagt. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is nietig.
- Ik meen gelet op het voorgaande dat het tweede en derde middel geen bespreking behoeven, maar ben in het geval uw Raad daarover anders denkt uiteraard bereid nader aanvullend te concluderen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 HR 7 maart 2006, nr. 00725/05 (niet gepubliceerd).