← Nederland

ECLI:NL:PHR:2010:BM4303

Nr. 08/02164 Mr. Machielse Zitting 11 mei 2010 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 29 april 2008 wegens "met iemand beneden de leeftijd van z

§ 1taken together with Article 6 § 3 (d)." In de zaak A.H.

v. Finland van 10 mei 2007 (appl. no. 46602/99): "

  1. T.'s statements as recorded on videotape in the Family Advice Centre, attached to the pre-trial investigation record and played back in the District Court and the Court of Appeal, constituted the only direct evidence implicating the applicant. The witnesses heard by the courts had made no observations on the alleged acts (see paragraph 15 above). In contrast to the case of S.N. v. Sweden (no. 34209/96, ECHR 2002-V) in the present case neither the applicant nor his counsel had at any stage been afforded an opportunity to have questions put to the child. An examination of the case file does not disclose any particular circumstances which would have prevented this.
  2. In these circumstances, the use of this evidence involved such limitations on the rights of the defence that the applicant cannot be said to have received a fair trial.Therefore there

§ 1taken together with Article 6 § 3 (d).

In de zaak A.L. v. Finland van 27 januari 2009 (appl. no. 23220/04): "

  1. The Court further observes that by way of viewing the videotape the courts, as well as the applicant, were able to listen to R.'s own account of the alleged events. The recording also enabled them to observe the manner in which the interviews were conducted and to assess for themselves, at least to a certain degree, the credibility of R.'s account. It was open to the applicant to contest and comment on the evidence produced before the trial courts. While the Court acknowledges the significance of such a recording as evidence (see, mutatis mutandis, the following judgments: Bocos-Cuesta v. the Netherlands, no. 54789/00, § 71, 10 November 2005; W.S. v. Poland, cited above, § 61 in fine; and F. and M. v. Finland, cited above, § 60), it cannot alone be regarded as sufficiently safeguarding the rights of the defence where no opportunity to put questions to a person giving the account has been afforded by the authorities.
  2. In the present case, unlike in the cases of S.N. v. Sweden (no. 34209/96, § 49-50, ECHR 2002-V) and B. v. Finland (no. 17122/02, § 44, 24 April 2007), the applicant was not afforded an opportunity to put questions to R. at any stage of the proceedings. His request to hear R. before the Court of Appeal was refused. His further request to hear R. before a court, or by some other means, was to no avail, as the Supreme Court refused leave to appeal.
  3. As to the Government's argument that during the proceedings before the first-instance court the applicant had not requested that the victim be questioned, and had only complained of this on appeal, the Court notes that under domestic law the Court of Appeal was empowered to consider questions of both fact and law, and it was still open to the applicant to make such a request at that stage. As to the appellate court's refusal to hear R., the Court further notes that apparently no expert opinion was obtained on whether R. could be heard before the court or by other, less intrusive means.
  4. The Court notes that the present case is similar to the cases of W. v. Finland and A.H. v. Finland (both cited above), where the Court found a violation of the applicant's defence rights. In those cases, as in the case at hand, the video recording of the child complainant, played back before the trial courts, constituted the only direct evidence against the applicant (W. v. Finland, § 47; and A.H. v. Finland, § 44).
  5. In these circumstances, the use of this evidence involved such limitations on the rights of the defence that the applicant cannot be said to have received a fair trial. Therefore, there

§ 1

taken together with Article 6 § 3 (d)." 3.11 De onderhavige zaak is vergelijkbaar met die van W., A.H. en A.L in die zin dat ook verdachte niet de mogelijkheid heeft gehad om [slachtoffer] te (doen) ondervragen en verschilt juist van S.N. op dat punt. Nu verdachtes betrokkenheid bij het hem tenlastegelegde onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, heeft het Hof ten onrechte verdachte niet de mogelijkheid gegeven om vragen aan [slachtoffer] te (doen) stellen. De omstandigheid dat een deskundige zich heeft uitgelaten over de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen, biedt in deze zaak onvoldoende compensatie voor de onmogelijkheid [slachtoffer] te ondervragen. Dit zou anders liggen als verdachte net als S.N. die mogelijkheid wel had gekregen, maar hier geen gebruik van had gemaakt.

(5)Het middel slaagt. 4.1 Het tweede middel klaagt over het bezigen van de bewijsmiddelen 4 en
  1. Volgens de steller van het middel is zonder nadere motivering niet begrijpelijk dat bewijsmiddel 4 is gebezigd, omdat verdachte heeft ontkend dat [slachtoffer] op 29 augustus 2005 in zijn woning is geweest en uit de verklaring niet blijkt dat verdachtes antwoord ziet op die dag. Eenzelfde klacht is gericht tegen het bezigen van bewijsmiddel
  2. Tevens is dit bewijsmiddel volgens de steller van het middel gedenatureerd. Volgens de steller van het middel is bovendien in strijd gehandeld met art. 342, tweede lid, Sv waardoor de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd. 4.2 Het Hof heeft in een nadere bewijsoverweging het volgende overwogen ten aanzien van verdachtes ontkenning dat [slachtoffer] op 29 augustus 2005 in zijn huis is geweest: "De stelling dat [slachtoffer] en [betrokkene 1] op 29 augustus 2005 niet in de woning van de verdachte zijn geweest, wordt naar het oordeel van het hof toereikend weerlegd door verklaringen die de verdachte bij de politie op 7 en 8 november 2005 heeft afgelegd. Daarin heeft de verdachte immers specifieke antwoorden gegeven over hetgeen beide meisje naar zijn mening in zijn woning hebben gedaan naar aanleiding van vragen van de politie over de dag waarop de ontucht zou hebben plaatsgevonden, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat op enige andere dag sprake is geweest van ontucht en derhalve niet aannemelijk is dat de verklaringen van de verdachte betrekking hebben op een andere dag dan 29 augustus
  3. Wel aannemelijk is dat beide meisjes tussen 29 augustus 2005 en 7 november 2005 niet in de woning van verdachte zijn geweest." 4.3 Hoewel ik de steller van het middel wel kan volgen in zijn stelling dat uit de processen-verbaal van de verhoren op 7 en 8 november 2005, die zich onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden, niet blijkt dat de vragen die hem zijn gesteld specifiek zien op 29 augustus 2005, maakt dit 's Hofs motivering niet onbegrijpelijk. Uit de processen-verbaal van de verhoren blijkt dat verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] en een ander buurmeisje klusjes hebben gedaan - het opvouwen van handdoeken - in ruil voor een lolly en een ijsje
(6)en dat dit overeenkomt met het verhaal van [slachtoffer] wat zich op die bewuste dag rondom het bewezenverklaarde heeft afgespeeld
(7). Gezien deze overeenkomsten is 's Hofs overweging dat niet aannemelijk is dat de verklaringen van verdachte, over hetgeen de meisjes naar zijn mening in zijn woning hebben gedaan, betrekking hebben op een andere dag dan 29 augustus 2005 niet onbegrijpelijk. Verdachtes verklaring over het opvouwen van de was en het geven van een lolly en een ijsje stemt overeen met een deel van [slachtoffer]'s verhaal. De klacht dat bewijsmiddel 4 niet redengevend is en daarom niet voor het bewijs kon worden gebezigd, kan niet slagen. 4.4 Wel slaagt, naar mijn mening, de klacht over het ontbreken van redengevendheid van bewijsmiddel
  1. In het middel wordt gesteld dat verdachtes verklaring is gedenatureerd en dat het bewijsmiddel niet redengevend is. Nu beide klachten zien op hetzelfde bewijsmiddel, zal ik deze gezamenlijk bespreken. Volgens het proces-verbaal van verhoor van 8 november 2005 zou verdachte hebben verklaard: "Het is helemaal niet waar. Ik heb ze weggestuurd, ik heb misschien een paar vieze woorden gezegd om ze weg te sturen." En op de vraag van de politie wat voor vieze woorden verdachte gezegd zou hebben, heeft verdachte verklaard: "Ze gingen hun middelvinger naar mij opsteken en toen heb ik ze een paar keer weggestuurd. Ik heb toen iets gezegd van fuck kinderen, nou stoppen, opsodemieteren, ik weet het niet meer precies. Ik had er nooit aan moeten beginnen." Verdachte heeft in datzelfde verhoor ook verklaard, in reactie op de stelling van de politie dat het opvallend is dat alles wat [slachtoffer] zegt bevestigd wordt door verdachte, behalve de tenlastegelegde feiten: "Ja, ja, Vind ik vreemd, het is niet waar. Ik heb wel een keer gezegd dat ik boos was en toen stak ze een middelvinger op. Ik heb toen iets gezegd van: Trek de volgende keer aan mijn piemel dan. Dan ben je een beetje zat van alles en dan ben je, ja. Ze hebben wel een grote mond." Gelet op verdachtes verklaring dat hij tegen het zevenjarige meisje wel eens iets gezegd had van "Trek de volgende keer aan mijn piemel dan", kan worden gezegd dat het Hof aan verdachtes verklaring dat hij misschien een paar vieze woorden heeft gezegd door de wijze van weergave geen andere betekenis heeft gegeven. Van denaturering van verdachtes verklaring is dan ook geen sprake. Evenwel zie ik niet in hoe deze verklaring van verdachte dat hij tegenover [slachtoffer] wel eens ongepaste woorden heeft geuit redengevend kan zijn voor de bewezenverklaring van ontucht. De klacht dat het bewijsmiddel niet redengevend is, is terecht voorgesteld. 4.5 De klacht dat het Hof in strijd met art. 342, tweede lid, Sv de bewezenverklaring onvoldoende heeft gemotiveerd, kan evenmin slagen. De verklaring van verdachte die als bewijsmiddel 4 voor het bewijs is gebezigd stemt overeen met een deel van de belastende verklaringen van [slachtoffer] (bewijsmiddel 3). Hiermee is voldaan aan het bewijsminimum.
  2. Het eerste middel slaagt en het tweede middel slaagt voor zover gericht tegen het ontbreken van redengevendheid van bewijsmiddel
  3. Ambtshalve wijs ik erop dat sinds het instellen van het cassatieberoep op 7 mei 2008 inmiddels meer dan twee jaar zijn verstreken, hetgeen een schending van de redelijke termijn oplevert. Als het Gerechtshof dat naar mijn mening de zaak opnieuw zal moeten onderzoeken tot een veroordeling komt, zal het bij de eventuele straftoemeting met deze schending rekening dienen te houden.
  4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 EHRM 10 november 2005, NJ 2005, 239 m.nt. Schalken. 2 Het ter terechtzitting van 18 januari 2008 gedane verzoek [slachtoffer] te horen is een verzoek bedoeld in art. 315 Sv. Het Hof had het verzoek derhalve moeten toetsen aan het noodzakelijkheidscriterium. Uit 's Hofs overweging valt evenwel niet op te maken aan welke maatstaf is getoetst. Nu in cassatie niet wordt geklaagd dat niet duidelijk is aan welke maatstaf is getoetst, laat ik dit punt buiten beschouwing. 3 EHRM 2 juli 2002, nr. 34209/
  5. 4 Het 10-jarig jongetje dat door verdachte zou zijn misbruikt. 5 Vgl. EHRM, B. v. Finland, 24 april 2007, app. no. 17122/02, rov.
  6. 6 Proces-verbaal van verhoor van 7 november 2005, p.
  7. 7 Bewijsmiddel 3.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.