09/01632 Mr L. Strikwerda Zt. 21 mei 2010 conclusie inzake incidentele vordering tot voeging van A.
(2005), blz. 328; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 22e dr. 2009, blz.
- Voor zover de incidentele conclusies begrepen moeten worden als een verzoek tot voeging als bedoeld in art. 217 Rv, kunnen verzoekers in het incident op grond van het volgende evenmin in hun verzoek worden ontvangen.
- De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering zijn ingevolge art. 2 Ow op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zoveel daarvan bij de Ow niet is afgeweken. De afwijking kan blijken uit een uitdrukkelijke voorziening in de Ow, maar ook voortvloeien uit het stelsel der wet of uit de aard van het onteigeningsgeding. Vgl. de eerder in deze zaak door de Hoge Raad gegeven rolbeschikking van 12 februari 2010 (conlusie A-G onder 5 met gegevens).
- Ten aanzien van de bepaling inzake voeging van art. 219 Rv treft men in de Ow geen afwijkende voorziening aan. Niettemin moet m.i. worden aangenomen dat uit het stelsel der wet en ook uit de aard van het onteigeningsgeding voortvloeit dat voor toepassing van die bepaling geen plaats is. Al aangenomen dat in een onteigeningsgeding zich belang bij of behoefte aan voeging kan voordoen (vgl. Kluwers Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, losbl., I, §3, sub e), vindt de positie van derden belanghebbenden in het onteigeningsgeding een bijzondere en uitputtende regeling in art. 3 lid 2 Ow, die geen ruimte laat voor toepassing van art. 217 Rv. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers in het incident in hun verzoek en tot verwijzing van de hoofdzaak naar de rol voor voortprocederen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,