← Nederland

ECLI:NL:PHR:2010:BM7456

Nr. 08/02830 Mr. Vellinga Zitting: 8 juni 2010 Conclusie inzake: [Verdachte]

  1. Verdachte is op 16 juni 2008 door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot straf als in het arrest vermeld. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
  2. Namens verdachte heeft mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
  3. Bij de aan de Hoge Raad op voet van art. 434 lid 1 Sv toegezonden stukken bevindt zich geen voegingsformulier in hoger beroep als bedoeld in art. 51b Sv. De vordering van de benadeelde partij is in eerste aanleg niet ten dele toegewezen, zodat deze op grond van het bepaalde in art. 421 lid 2 Sv in hoger beroep niet van rechtswege voortduurt. Nu de gedingstukken niets inhouden waaruit blijkt dat de benadeelde partij de vordering in hoger beroep heeft willen handhaven, noch daarvan blijkt uit diens verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep (art. 421 lid 3 juncto 51b lid 2 Sv), heeft het Hof ten onrechte op de vordering van de benadeelde partij beslist.
  4. Het middel slaagt.
  5. Overigens houdt het bestreden arrest in dat de benadeelde partij in kennis is gesteld van de terechtzitting in hoger beroep, maar vanwege miscommunicatie tussen de bode en het Hof te laat in de rechtszaal is verschenen. Gelet op deze gang van zaken had het op de weg van het Hof gelegen het onderzoek te hervatten (art. 346 lid 1 Sv) teneinde na te gaan of de benadeelde partij, die zich volgens het Hof in het onderhavige strafproces had gevoegd maar van wie de vordering in eerste aanleg niet aan de orde was geweest en die kennelijk in hoger beroep wel was verschenen, de vordering wilde handhaven en in dat geval de verdachte in de gelegenheid te stellen zich over die vordering van de benadeelde partij uit te laten.
  6. Nu het Hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij in hoger beroep wel was verschenen en in het oordeel van het Hof besloten ligt dat de benadeelde partij zich in hoger beroep heeft willen voegen overeenkomstig het bepaalde in art. 421 lid 3 juncto 51b lid 2 Sv, kan in mijn ogen niet worden volstaan met vernietiging van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij maar dient de zaak te worden teruggewezen naar het Hof teneinde de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zich alsnog te voegen en, indien de benadeelde partij zich inderdaad voegt in het geding in hoger beroep, de verdachte in de gelegenheid te stellen zich tegen de vordering te verweren.
  7. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 26 juni 2008 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan vierentwintig maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.
  8. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
  9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf.
  10. Deze conclusie strekt voorts tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en in zoverre terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
  11. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.