← Nederland

ECLI:NL:PHR:2010:BM8907

09/00862 Mr L. Strikwerda Zt. 18 juni 2010 conclusie inzake [Eiseres] tegen ABN AMRO Bank N.V. Edelhoogachtbaar College,

  1. Het tijdig door eiseres tot cassatie, hierna: [eiseres], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 oktober
  2. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van verweerster in cassatie, hierna: ABN AMRO, het vonnis van de rechtbank van de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven, van 29 juli 2004, waarbij een uit hoofde van onverschuldigde betaling door ABN AMRO tegen [eiseres] ingestelde vordering werd afgewezen, vernietigd en, opnieuw recht doende, de vordering van ABN AMRO alsnog toegewezen.
  3. Het cassatieberoep berust op twee middelen. ABN AMRO heeft de middelen bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
  4. De door de middelen aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
  5. Middel I is gericht tegen het oordeel van het hof dat [eiseres] ten opzichte van ABN AMRO aansprakelijk is terzake van de door ABN AMRO overgenomen vordering van Stichting De Opbouw, hierna: de stichting, op [eiseres] uit ongerechtvaardigde verrijking (bedoeld is kennelijk: onverschuldigde betaling). Naar ik begrijp, acht het middel dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat ABN AMRO geen vorderingsrecht toekomt. Daartoe betoogt het middel dat de vordering van ABN AMRO berust op een door de stichting aan ABN AMRO gecedeerde vordering, terwijl de stichting geen vordering op [eiseres] toekwam, aangezien de stichting geen betaling aan [eiseres] heeft verricht.
  6. Het middel kan geen doel treffen, omdat het feitelijke grondslag mist. Het hof heeft immers - in r.o. 4.4.3 - tot uitgangspunt genomen dat de overboeking die heeft plaatsgevonden van de bankrekening van de stichting naar de bankrekening van [eiseres] is aan te merken als een betaling door de stichting aan [eiseres].
  7. Voor zover het middel wil betogen dat (het hof heeft miskend dat) de overboeking niet als betaling door de stichting aan [eiseres] kan worden aangemerkt, omdat aan de overboeking geen betalingsopdracht van de stichting ten grondslag heeft gelegen, kan het evenmin slagen. Uit de gedingstukken blijkt niet (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [eiseres] tegen de vordering van ABN AMRO als verweer heeft gevoerd dat de stichting aan [eiseres] geen betaling heeft verricht, omdat aan de overboeking geen betalingsopdracht ten grondslag heeft gelegen. Dit verweer berust niet op een zuiver juridische stelling en kan dus niet voor het eerst in cassatie aan de orde worden gesteld. Vgl. Asser/Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen

(2005), nr. 137). Anders dan het middel kennelijk meent, was het hof bevoegd nog gehouden ambtshalve de feitelijke grondslag van het verweer van [eiseres] aan te vullen (art. 24 Rv).
  1. Middel II komt op tegen de overweging van het hof - in r.o. 4.2.2 - dat ABN AMRO, ook zonder dat zij de vordering van de stichting gecedeerd zou hebben gekregen, de vordering uit onverschuldigde betaling zou toekomen.
  2. Dit middel moet reeds falen wegens gebrek aan belang. Zoals het middel ook al aangeeft, heeft het hof de bestreden overweging immers ten overvloede gegeven. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.