Nr. 09/02603 Mr Jörg Zitting 6 juli 2010 Conclusie inzake: [Verzoeker]
- Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 3 juli 2009 ter zake van tien misdrijven veroordeeld (feiten 2, 3, 6-12 en 13). In het bijzonder gaat het om afpersingen, witwaspraktijken, deelname aan een criminele organisatie, mishandelingen en bedreigingen. Aan hem is een gevangenisstraf opgelegd van negen jaren. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen over in beslag genomen voorwerpen.
- Namens verzoeker hebben mrs. A.A. Franken en C.H. Zuur, advocaten te Amsterdam, een schriftuur inhoudende zestien middelen van cassatie ingediend.
(1)Ettelijke middelen bestaan uit verscheidene klachten en deze soms weer uit subklachten.
- In totaal telde ik - inclusief de middelen zelf - zo'n 70 klachten, maar ik kan er een klacht meer of minder naast zitten. Daarbij telde ik als één klacht wanneer tegen een rechterlijk oordeel wordt opgekomen omdat dit niet, althans onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd zou zijn. Het overgrote deel van de klachten betreft motiveringsklachten over feitelijke oordelen van het hof. Aangezien die oordelen slechts marginaal (op begrijpelijkheid) door de cassatierechter kunnen worden getoetst is de speelruimte in cassatie zeer beperkt. De enkele stelling dát een rechterlijke oordeel onbegrijpelijk is, is zonder onderbouwing sowieso tot mislukken gedoemd. (Niet alleen) bij deze zaak doet zich het merkwaardige en (hopelijk) tot nadenken stemmende verschijnsel voor dat - waar vroeger karige motiveringen gegeven door feitenrechters voorwerp van kritiek waren - thans uitvoerige motiveringen (zoals in het onderhavige geval) tot een lawine aan op- en aanmerkingen leiden. Hiermee is uiteraard niet gezegd dat een motivering vanwege haar uitvoerigheid immuun voor kritiek is. Echter, wil de normstellende taak van de Hoge Raad uit de verf komen, dienen mijns inziens cruciale kwesties aan de Hoge Raad te worden voorgelegd en dient hij zich niet met details en futiliteiten bezig te houden.
- Hoewel ik de aanvechting heb gevoeld om de middelen in de niet steeds logisch opgebouwde schriftuur te groeperen rond bepaalde thema's heb ik daarvan afgezien omdat het voordeel daarvan niet opweegt tegen het nadeel dat de gecompliceerde schriftuur niet op de voet wordt gevolgd, met alle verwarring die daaruit weer kan voortvloeien. Wel geef ik een korte inhoudsopgave van mijn bespreking van de cassatiemiddelen met daarbij aangegeven de paginanummers in deze conclusie. Middel I: vooringenomen rechter? Schending van het onschuldvermoeden? II: verklaringen van [A] en [B] (on)betrouwbaar? III: bedreigde getuigen later op naam gehoord IV: inbreuk op het verschoningsrecht van mr. Moszkowicz? V: (on)bruikbaarheid van de achterbankgesprekken met [C]? art. 126l Sv VI: de achterbankgesprekken en het ondervragingsrecht VII: de rapporten van Crombag en Wagenaar over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [C] en [A] VIII: bewijsmiddelen gewijzigd? Verklaringen en aantekeningen gedénatureerd? IX: inzage in de schriftelijke weergave van taps i.v.m. de verkoop van aandelen [D] in 2001 nodig? X: (on)bruikbaarheid van de dagboekaantekeningen van [C]? XI: de secretaresse over het kantoorincident; invloed van de media? Schakelbewijs XII: samenwerking met [E]? Verdere onvoldoende motivering van de bewezenverklaring van feit 2 en 3? XIII: [F] de afperser van [C]? XIV: verklaringen van [G] over de afpersing van [H] XV: tegenstrijdige bewijsmiddelen inzake [H]? XVI: tegenstrijdig bewijs ontleend aan journalist [I] inzake [H]? Mijn slotsom Voorafgaande aan de bespreking van de middelen wil ik een mogelijk misverstand uit de weg ruimen, namelijk dat verzoeker veroordeeld zou zijn op grond van wat alleen [C] zelf (onder meer tijdens de zogenaamde "achterbankgesprekken" tussen hem en de politie) heeft beweerd. Zoals ik in punt 135 zal opmerken bevatten de bewijsmiddelen onder meer een schriftelijke overeenkomst, een akte van verpanding, een onherroepelijke volmacht, een concept-aandeelhoudersbesluit, een concept-akte van verpanding, financiële bevindingen, verklaringen van tal van personen over de verhouding tussen vennootschappen, over geldopnames en (on)zakelijke transacties, naast persoonlijke waarnemingen. Sommige bewijsmiddelen bevatten in het geheel geen verklaringen van [C] zelf; sommige andere bevatten wel verwijzingen naar wat hij aan getuigen heeft gezegd, maar geven daarnaast weer hoe zij de persoon [C] hebben zien veranderen. Bij de bespreking van het zesde middel kom ik hierop uitvoerig terug.
- Het eerste middel komt met een zevental rechts- en motiveringsklachten op tegen 's hofs oordeel dat het eerste en tweede lid van art. 6 EVRM niet zijn geschonden bij de behandeling in eerste aanleg. In het bijzonder gaat het om het recht van verzoeker op berechting van zijn zaak door een onpartijdige rechter en om voor onschuldig te worden gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
- Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen van het hof op 28 augustus 2008, 14 januari 2009, en 7 en 12 mei 2009 blijkt dat de verdediging als verweer heeft aangevoerd dat - kort gezegd - de onder 5 genoemde rechten van verzoeker zijn geschonden en dat dit blijkt uit de uitlatingen die in de media zijn gedaan door "public officials" J.A. Olierook, mr. F. Teeven en door de voorzitter van de rechtbank die de zaak heeft behandeld, mr. M.J.M. Verpalen. De verdediging heeft het hof - voor zover relevant - dan ook verzocht om het bestreden vonnis te vernietigen en de zaak naar een andere rechtbank te verwijzen, teneinde opnieuw te worden berecht.
- Het hof heeft dit verzoek afgewezen en heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd: "(...) A. Verweer en verzoek op grond van gestelde partijdigheid rechtbank en schending onschuldpresumptie Bij pleidooi in hoger beroep is onder meer betoogd dat in de onderhavige strafzaak waarheidsvinding en een eerlijk proces voor politie en justitie geen vanzelfsprekende uitgangspunten zijn geweest. De verdediging heeft ter zake vooreerst aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat J.A. Olierook, toenmalig chef van de eenheid Randstad Noord van de politie, mr. F. Teeven, lid van de Tweede Kamer en voormalig officier van justitie in deze zaak, en mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter van de strafkamer van de rechtbank Haarlem die het vonnis heeft gewezen waartegen thans het hoger beroep dient, in de media uitlatingen over de verdachte hebben gedaan die strijdig zijn met de onschuldpresumptie en dat geen onpartijdige berechting in eerste aanleg heeft plaatsgevonden. Eerder, ter terechtzitting in hoger beroep van 28 augustus 2008, heeft de verdediging bij wijze van preliminair verweer aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, zulks op een aantal gronden, waaronder de uitlatingen van Olierook, mr. Teeven en mr. Verpalen. Bij beslissing van 19 september 2008 heeft het hof dit verweer verworpen en geoordeeld dat niet gebleken was van omstandigheden die in de weg staan aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging. Wat betreft de uitlatingen van Olierook, mr. Teeven en mr. Verpalen en de overige gronden waarop het preliminaire verweer berustte, zijn door de verdediging geen argumenten aangevoerd die het hof aanleiding geven thans terug te komen van zijn ter terechtzitting van 19 september 2008 gegeven beslissing. De uitlatingen van mr. Verpalen zullen hierna nader aan de orde komen; de overige gronden waarop het preliminaire verweer berustte, waaronder de uitlatingen van Olierook en mr. Teeven, behoeven geen nadere bespreking. Het preliminaire verweer was onder meer gegrond op de stelling dat door de uitlatingen in De Telegraaf van 21 juni 2008 van mr. Verpalen de vrees is gerechtvaardigd dat de klassieke waarden van strafvordering, te weten de objectieve waarheidsvinding, een eerlijk proces en het onschuldvermoeden, niet meer overtuigend tot gelding zouden kunnen komen. Het hof heeft het verweer opgevat als strekkende ten betoge dat een ongeoorloofde inbreuk is gemaakt op het onschuldvermoeden en op het recht op een eerlijke behandeling van de strafzaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het hof heeft bij zijn beslissing tot verwerping van het verweer, voor zover hier van belang, mede verwezen naar de, in een brief van het bestuur van de rechtbank Haarlem van 6 augustus 2008 vermelde, uitdrukkelijke ontkenning door mr. Verpalen van aan hem toegeschreven uitlatingen. Ter terechtzitting van 14 januari 2009 heeft de verdediging wederom betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Subsidiair heeft de verdediging toen verzocht de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) te verwijzen naar een andere rechtbank dan de rechtbank Haarlem. Ter onderbouwing daarvan heeft de verdediging aangevoerd dat, gelet op e-mailcorrespondentie op 18 juni 2008 tussen de president van de rechtbank Haarlem, mr. H.T. van der Meer, en een journalist van De Telegraaf, [J], met betrekking tot de eerdergenoemde publicatie, het uitgangspunt dat mr. Verpalen aan hem toegeschreven uitlatingen uitdrukkelijk heeft ontkend, niet langer houdbaar is en dat daaruit volgt dat de rechtbank in eerste aanleg niet onpartijdig was. Het hof heeft ter terechtzitting van 16 januari 2009 medegedeeld dat op het primaire verweer en het subsidiaire verzoek nog niet zou worden beslist, waarna de verdediging ter terechtzitting van 4 februari 2009 het hof heeft verzocht reeds te beslissen op het verzoek tot verwijzing van de zaak, onder verwijzing naar intussen door de raadsman en mr. Van der Meer gevoerde correspondentie. Het hof heeft ter terechtzitting van 6 februari 2009 beslist dat het verzoek om verwijzing van de zaak bij arrest zou worden beoordeeld. Bij gelegenheid van haar pleidooi heeft de verdediging ter terechtzitting van 7 mei 2009, onder verwijzing naar een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EHRM) van 5 februari 2009 in de zaak van Olujic tegen Kroatië (appl. nr. 22330/05), betoogd dat reeds het feit dat mr. Verpalen met een journalist over de strafzaak tegen de verdachte heeft gesproken, meebrengt dat het recht op berechting door een onpartijdige rechter in eerste aanleg is geschonden, zelfs indien wordt aangenomen dat mr. Verpalen de hem toegeschreven uitlatingen niet heeft gedaan. Voorts heeft de verdediging medegedeeld het eerder gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in te trekken, omdat de verdachte er de voorkeur aan geeft te worden vrijgesproken. De verdediging heeft het verzoek om verwijzing van de zaak naar een rechtbank gehandhaafd, doch slechts voor het geval de verdachte niet wordt vrijgesproken van alle aan het [C]dossier, het [H]dossier en het [K]dossier gerelateerde feiten. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gewraakte uitlatingen van mr. Verpalen persoonlijke bespiegelingen zijn die geen rechterlijk oordeel weergeven. Voorts heeft het, onder verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM, betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat het bij één of meer leden van de rechtbank heeft ontbroken aan onpartijdigheid ten tijde van de procedure in eerste aanleg en gevorderd dat het verzoek zal worden afgewezen. Aangezien het hof de verdachte niet vrijspreekt van bedoelde feiten is aan de gestelde voorwaarde voldaan, zodat het hof zal beslissen op het gedane verzoek. Daartoe wordt als volgt overwogen. In zijn uitspraak van 5 februari 2009 in de zaak van Olujic tegen Kroatië - op welke uitspraak de verdediging zich heeft beroepen - heeft het EHRM geoordeeld dat artikel 6, eerste lid, EVRM was geschonden doordat rechters in interviews publiekelijk uitlatingen hadden gedaan over de zaak van de klager, die in eerste instantie aan hun oordeel onderworpen was geweest en die nog niet onherroepelijk was afgedaan. Het oordeel over de schending van artikel 6, eerste lid, EVRM had betrekking op de tweede berechting door diezelfde rechters, na vernietiging van hun eerste uitspraak en terugwijzing van de zaak door een hogere instantie, welke tweede berechting plaatsvond nadat zij de gewraakte uitlatingen hadden gedaan. Het EHRM heeft geen oordeel gegeven over de eerste berechting, die plaatsvond vóór de desbetreffende interviews. Aan de uitspraak van het EHRM is dan ook geen aanwijzing te ontlenen dat moet worden geoordeeld dat door de enkele omstandigheid dat mr. Verpalen ná het vonnis in eerste aanleg met een journalist over de strafzaak tegen de verdachte heeft gesproken, het recht op berechting door een onpartijdige rechter in eerste aanleg is geschonden. Desalniettemin kunnen na een uitspraak gedane uitlatingen van een rechter in de media tot het oordeel leiden dat het bij de daaraan voorafgaande berechting heeft ontbroken aan de vereiste onpartijdigheid of dat de onschuldpresumptie is geschonden. In beginsel heeft de rechter zich te onthouden van uitlatingen in de media over een zaak die aan zijn oordeel onderworpen is geweest (en zeker zolang daarop nog niet onherroepelijk is beslist). Het antwoord op de vraag of dergelijke uitlatingen een schending van artikel 6, eerste en/of tweede lid, EVRM opleveren, is evenwel afhankelijk van de inhoud en strekking van die uitlatingen en de verdere omstandigheden. Het door de verdediging overgelegde e-mailbericht van 18 juni 2008 van [J], één van de auteurs van de publicatie in De Telegraaf, aan mr. Van der Meer betreft kennelijk een reactie op het commentaar dat door laatstgenoemde is gegeven op de concepttekst van die publicatie. [J] heeft in dit e-mailbericht medegedeeld dat hij op verzoek van mr. Van der Meer een drietal aan mr. Verpalen toegeschreven citaten heeft aangepast. In antwoord daarop heeft mr. Van der Meer bij e-mailbericht van dezelfde datum opgemerkt dat mr. Verpalen zich niet herkende in de exacte formuleringen van de aangepaste tekst, maar dat de strekking daarvan wel weergaf hetgeen hij aan [J] vertrouwelijk had medegedeeld. Naar het oordeel van het hof dient op grond van laatstgenoemd e-mailbericht te worden aangenomen dat de weergave van de uitlatingen van mr. Verpalen in De Telegraaf naar de strekking overeenkomt met hetgeen hij tegenover [J] heeft verklaard. Ten aanzien van de door [J] in zijn e-mailbericht genoemde, aan mr. Verpalen toegeschreven, uitlatingen die niet in de publicatie in De Telegraaf zijn opgenomen, kan niet op grond van het enkele feit dat mr. Van der Meer in diens e-mailbericht niet heeft betwist dat mr. Verpalen die uitlatingen heeft gedaan, worden aangenomen dat zij daadwerkelijk uit de mond van mr. Verpalen zijn opgetekend. Deze uitlatingen zullen dan ook verder buiten beschouwing worden gelaten. De door de verdediging gewraakte uitlatingen van mr. Verpalen die in de publicatie zijn opgenomen, zijn de volgende: - de aanduiding van de verdachte als "een schaker"; een uitlating die niet in het bestreden vonnis is genoemd; - de opmerking dat de verdachte op enkele punten zichzelf tegensprak - hetgeen niet in het vonnis is vermeld -, onder meer over de dood van [K], alsmede dat [Verpalens] overtuiging daardoor werd gevoed; hieruit maakt de verdediging op dat de overtuiging is gevoed door (verklaringen over) een niet tenlastegelegd feit; - de uitlating dat de overtuiging geleidelijk werd gevormd, waarna aan het eind is gekeken of die overtuiging ook te bewijzen was; hieruit maakt de verdediging op dat de overtuiging niet op bewijsmiddelen is gebaseerd; en - de wens nog eens een psychologische rapportage over de verdachte te zien. Het hof vermag niet in te zien dat de aanduiding door mr. Verpalen van de verdachte als "een schaker" en zijn wens kennis te nemen van een eventueel over de verdachte op te maken psychologisch rapport, welke aanduiding en wens zijn uitgesproken na afloop van de procedure in eerste aanleg, kunnen wijzen op vooringenomenheid bij mr. Verpalen jegens de verdachte ten tijde van die procedure. Voorts kan noch de opmerking van mr. Verpalen dat zijn overtuiging werd gevoed door tegenstrijdige verklaringen van de verdachte ter terechtzitting over hem tenlastegelegde feiten noch het nalaten deze omstandigheid te vermelden in het vonnis redelijkerwijs tot het oordeel leiden dat de overtuiging van mr. Verpalen niet is gebaseerd op wettige, in de aanvulling op het vonnis opgenomen, bewijsmiddelen. Daarbij komt dat in het licht van het oordeel dat in het vonnis over de verdachte is gegeven, deze uitlatingen niet een zodanig gewicht hebben dat kan worden gezegd dat daarmee een expliciet negatief oordeel over de verdachte is gegeven, waardoor het onschuldvermoeden is geschonden of kan worden gesproken van partijdigheid bij de berechting. Zou mr. Verpalen hebben gezegd dat zijn overtuiging mede is gevoed door tegenstrijdige verklaringen van de verdachte over de moord op [K], dan zou ook een zodanige uitlating niet tot een ander oordeel leiden. Het is echter niet komen vast te staan dat mr. Verpalen dat heeft gezegd. Uit het al genoemde e-mailbericht van 18 juni 2008 van [J] volgt immers dat men zich van de zijde van de rechtbank niet kon verenigen met het volgende, aanvankelijk opgenomen, aan mr. Verpalen toegeschreven citaat: "Over diens dood was hij tegenstrijdig. De moord was hem niet ten laste gelegd, maar het voedde wel de overtuiging." Vervolgens is in het artikel in De Telegraaf op dit punt de volgende passage opgenomen, waarin de redactie van het citaat is aangepast: "Doordat hij zo veel vertelde kwam hij op enkele punten in tegenspraak met zichzelf." Zo vertelde [verzoeker] onder meer over de dood van [K], die volgens justitie door [verzoeker] was afgeperst. Verpalen en zijn collega-rechters veroordeelden hem later daar ook voor als een van de afpersingen náást die van [C]. "Ook hier was hij tegenstrijdig. Dat voedde bij mij wel de overtuiging." Volgens meergenoemde e-mail van mr. Van der Meer heeft mr. Verpalen laten weten dat hij zich niet herkende in de exacte formuleringen van de aangepaste tekst, maar dat de strekking daarvan wel weergaf hetgeen hij aan [J] vertrouwelijk had medegedeeld. Naar het oordeel van het hof kan als strekking van de tussen aanhalingstekens geplaatste citaten van mr. Verpalen niet meer worden gelezen dan dat de verdachte volgens mr. Verpalen bij de bespreking van het [K]dossier tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. De omstandigheid dat bij mr. Verpalen eerst de overtuiging over de schuld van de verdachte is ontstaan en hij vervolgens heeft gekeken of die overtuiging was te bewijzen, is uit bedoeld artikel, maar ook uit de overige gegevens, op generlei wijze af te leiden. De door de verdediging in dit verband geciteerde uitlating mag niet van haar context worden losgemaakt en daarnaast moet ook op de verdere beschikbare gegevens worden gelet. Het hof wijst op de uitgebreide processen-verbaal van de behandeling in eerste aanleg, waarin valt te lezen dat het bewijsmateriaal aan de verdachte is voorgehouden en vaak uitvoerig met hem is besproken, waarbij de verdachte van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt daar zijn commentaar op te geven. In het Telegraafartikel is met name de volgende context van belang: - (als citaat van mr. Verpalen:) "Het was geen uitgemaakte zaak. Het onderzoek besloeg ruim tweehonderd ordners, maar dat was zeker niet allemaal bewijs"; - Hoe is een eerlijk proces mogelijk, als het hele land al van zijn schuld is overtuigd? Toch kwam de overtuiging dat [verzoeker] inderdaad wel schuldig moest zijn bij Verpalen geleidelijk, zegt hij. "Dat was geen beslissing helemaal aan het einde, je groeit ernaartoe. Tijdens de zitting moet je een oordeel vormen. Je mag van tevoren geen vooroordeel klaar hebben. Ik kwam in stapjes tot mijn oordeel. Daarna kijk je aan het eind of die overtuiging ook is te bewijzen. Soms is dat niet het geval. Het is misschien wat ondergesneeuwd, maar we hebben hem en de medeverdachten op tal van punten ook vrijgesproken. Daar schoot het bewijs tekort, of was er geen bewijs." In redelijkheid kan uit de voorgaande gegevens niets anders worden afgeleid dan dat bij mr. Verpalen bij aanvang van de behandeling geen vooringenomenheid heeft bestaan ten aanzien van de schuld of onschuld van de verdachte, dat hij het bewijsmateriaal uitvoerig met de verdachte heeft besproken, dat hij, in het proces dat vele zittingsdagen in beslag heeft genomen, op basis van het besprokene geleidelijk zijn mening over de beschuldigingen heeft gevormd en dat ten slotte, aan het eind (het hof begrijpt: bij de besprekingen in raadkamer), is getoetst of inderdaad op basis van wettige bewijsmiddelen die overtuiging kon postvatten. Dat hij daarbij gedurende de behandeling blijkt heeft gegeven van de schuld of onschuld van de verdachte is niet gesteld, en is overigens gelet op de mededelingen van de verdachte bij zijn laatste woord in eerste aanleg, niet aannemelijk. Aldus heeft mr. Verpalen blijk gegeven van een juiste opstelling en attitude bij de behandeling van de zaak en geven zijn uitlatingen niet blijk van een onjuiste wijze van rechterlijke oordeelsvorming. De stellingen van de verdediging ten aanzien van het optreden van mr. Van der Meer, die niet aan de berechting heeft deelgenomen, en ten aanzien van de discrepantie tussen de uitlatingen in de brief van mr. Van der Meer aan de verdediging van 6 augustus 2008 en zijn uitlatingen aan [J] in de voornoemde e-mail van 18 juni 2008, zullen niet worden onderzocht, omdat zij hoe dan ook aan het voorgaande niet kunnen afdoen. Het hof stelt vast dat er geen grond bestaa[t] voor het oordeel dat de rechtbank de in artikel 6, tweede lid, EVRM gegarandeerde onschuldpresumptie heeft geschonden of jegens de verdachte van partijdigheid blijk gevende vooringenomenheid heeft gekoesterd, noch dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek wordt afgewezen."
- Zoals gezegd, komt het middel met een zevental klachten op tegen deze beslissing van het hof en de daaraan ten grondslag liggende motivering.
- De eerste klacht houdt in dat het hierboven weergegeven oordeel van het hof op een onjuiste rechtsopvatting berust, voor zover het hof heeft overwogen dat de enkele omstandigheid dat mr. Verpalen ná het vonnis in eerste aanleg met een journalist over de strafzaak tegen verzoeker heeft gesproken geen schending van het recht op berechting door een onpartijdige rechter oplevert, maar dat dit afhangt van de inhoud en de strekking van diens uitlatingen en van de verdere omstandigheden.
- Deze overweging van het hof is volgens de stellers van het middel in strijd met hetgeen het Europees Hof voor de Rechten Mens (hierna: EHRM) heeft bepaald in EHRM 5 februari 2009, nr. 22330/05 (Olujic tegen Kroatië). In het bijzonder wordt verwezen naar r.o. 59 van dit arrest, welke als volgt luidt: "[t]he Court has held for instance that the judicial authorities are required to exercise maximum discretion with regard to the cases with which they deal in order to preserve their image as impartial judges. That discretion should dissuade them from making use of the press, even when provoked. It is the higher demands of justice and the elevated nature of judicial office which impose that duty (see Buscemi v. Italy, no. 29569/95, § 67, ECHR 1999-VI). Thus, where a court president publicly used expressions which implied that he had already formed an unfavourable view of the applicant's case before presiding over the court that had to decide it, his statements were such as to justify objectively the accused's fears as to his impartiality (see Buscemi v. Italy, cited above, § 68). On the other hand, in another case, where a judge engaged in public criticism of the defence and publicly expressed surprise that the accused had pleaded not guilty, the Court approached the matter on the basis of the subjective test (see Lavents v. Latvia, no. 58442/00, §§ 118 and 119, 28 November 2002)."
- De stellers van het middel leiden uit deze overweging af dat zolang niet onherroepelijk is beslist in een zaak, de rechter die zich over die zaak heeft gebogen in het geheel geen publieke uitlatingen mag doen over de zaak en/of de verdachte. Doet hij dit wel, dan handelt hij - aldus de stellers van het middel - in strijd met art. 6, eerste en tweede lid, EVRM (zie punt 2.12).
- Dat de stellers van het middel de onder 10 weergegeven overweging van het EHRM aldus lezen vloeit voort uit de wijze waarop zij de volgende passage uit die overweging vertalen: "That discretion should dissuade them from making use of the press (...)". Kennelijk lezen zij deze passage zodanig dat de rechter zich moet onthouden van toegang tot de media.
- Mijns inziens betreft het een verkeerde lezing van het arrest. Het uitgangspunt dat het EHRM in de zaak Olujic tegen Kroatië voorop stelt, nl. dat "(...) the judicial authorities are required to exercise maximum discretion with regard to the cases with which they deal in order to preserve their image as impartial judges. That discretion should dissuade them from making use of the press, even when provoked." is door het EHRM voor het eerst gegeven in EHRM 16 september 1999, nr. 29569/95 (Buscemi tegen Italië),
(2)en nadien herhaald in EHRM 28 november 2002, nr. 58442/00 (Lavents tegen Latvia)
(3)en EHRM 15 december 2005, nr. 73797/01 (Kyprianou tegen Cyprus).
(4)Noch uit deze laatste arresten, noch uit het arrest Olujic tegen Kroatië volgt als oordeel van het EHRM dat reeds de omstandigheid dat een rechter zich in de media heeft uitgelaten over een zaak waarover hij zich heeft gebogen en/of over de verdachte in die zaak, een schending oplevert van het onschuldvermoeden van deze verdachte en/of diens recht op berechting van zijn zaak door een onpartijdige rechter.
- Waar het volgens het EHRM om gaat is dat een rechter, teneinde het beeld van zijn onpartijdigheid te handhaven, de maximale voorzichtigheid en tact moet betrachten met betrekking tot de zaken waarover hij zich buigt. Deze, door de rechter te betrachten, voorzichtigheid brengt met zich mee dat het hem wordt ontraden zich tot de media te wenden, ook indien hij daartoe wordt uitgedaagd - en niet, zoals de stellers van het middel stellen, dat hem wordt opgedragen zich van contact met de media te onthouden.
- Of de rechter die zich over de zaak heeft gebogen partijdig was, dan wel een vooringenomenheid koesterde jegens de verdachte, dient - zoals het hof terecht overweegt (zie onder 7, p. 7) - te blijken uit de inhoud en strekking van de door hem gedane uitlatingen in de media, alsmede uit de overige omstandigheden van het geval. Al met al moet uit deze omstandigheden blijken dat de rechter een vooringenomenheid koestert jegens de verdachte en/of moeten deze omstandigheden ertoe hebben geleid dat bij de verdachte een objectief gerechtvaardigde vrees is ontstaan voor vooringenomenheid dan wel partijdigheid van deze rechter (zie onder 10). De Hoge Raad spreekt in HR 25 maart 2008, LJN BC3785, NJ 2008, 211 dan ook van "uitzonderlijke omstandigheden (...) die zwaarwegende aanwijzingen opleveren" voor [een dergelijk] oordeel" (zie r.o. 3.3).
- Deze eerste klacht, die inhoudt dat het onder 7 weergegeven oordeel van het hof op een onjuiste rechtsopvatting berust, kan in zoverre niet slagen.
- Naast een rechtsklacht bevat de eerste klacht ook twee subklachten (zie punt 2.13) die op de toereikendheid van 's hofs motivering zien. Deze subklachten houden in dat het hof niet blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of door de enkele publicatie van de aan mr. Verpalen toegeschreven uitlatingen I gerechtvaardigde twijfel over de onpartijdigheid van de rechtbank is ontstaan; II het publiek is aangemoedigd verzoeker schuldig te achten.
- Deze klachten falen nu zij beide op de onjuiste opvatting berusten dat de enkele omstandigheid dat een rechter zich publiekelijk heeft uitlatingen over een door hem behandelde zaak en een door hem berechte verdachte een schending oplevert van art. 6, eerste en tweede lid, EVRM. Daargelaten kan worden of het verstandig was van de voorzitter van de rechtbank om in de wandelgangen van een conferentie tussen rechters en persmensen (om tot beter wederzijds begrip te komen) met een journalist te spreken over de door hem berechte zaak: wat "off the record" wordt gezegd wil nogal eens "on the record" worden afgedrukt omdat het belang van de nieuwsgaring of het financiële welbevinden van het medium het wint van toegezegde vertrouwelijkheid.
- De eerste klacht is tevergeefs voorgesteld.
- De tweede klacht komt op tegen de volgende passage uit de onder 7 weergegeven motivering van het hof: "[t]en aanzien van de door [J] in zijn e-mailbericht genoemde, aan mr. Verpalen toegeschreven, uitlatingen die niet in de publicatie in De Telegraaf zijn opgenomen, kan niet op grond van het enkele feit dat mr. Van der Meer in diens e-mailbericht niet heeft betwist dat mr. Verpalen die uitlatingen heeft gedaan, worden aangenomen dat zij daadwerkelijk uit de mond van mr. Verpalen zijn opgetekend. Deze uitlatingen zullen dan ook verder buiten beschouwing worden gelaten."
- Volgens de stellers van het middel is deze overweging van het hof onbegrijpelijk, nu [J] in zijn correspondentie met de rechtbank
(5)herhaaldelijk heeft opgemerkt dat hij mr. Verpalen juist heeft geciteerd, en de rechtbank - aldus de stellers van het middel - dit niet heeft tegengesproken (zie punt 2.15).
- Allereerst merk ik op dat het thans gestelde, nl. dat de rechtbank niet heeft tegengesproken dat [J] mr. Verpalen juist heeft geciteerd, feitelijke grondslag mist. Immers, was de aanleiding voor de correspondentie tussen [J] en de rechtbank niet de omstandigheid dat mr. Verpalen zich - zo blijkt uit de e-mailberichten d.d. 18 juni 2008 - niet kon vinden in de aan hem toegeschreven citaten van [J]? Ook nadat deze citaten op uitdrukkelijk verzoek van de rechtbank door [J] waren aangepast heeft de rechtbank als reactie van mr. Verpalen doorgegeven dat hij zich (nog steeds) niet herkent in de exacte formuleringen ervan. Hoe zo geen tegenspraak van de zijde van de rechtbank?
- Terug naar de beoordeling van de klacht. Het hof heeft met zijn overweging (zie onder 20) tot uitdrukking gebracht dat het - anders dan de verdediging - niet aannemelijk acht dat mr. Verpalen daadwerkelijk de uitlatingen heeft gedaan waarvan [J] in zijn e-mailbericht d.d. 18 juni 2008 zegt dat hij die wel heeft gedaan. Dat het hof de in het e-mailbericht opgenomen citaten dan ook buiten beschouwing laat is mijns inziens niet meer dan logisch, in aanmerking genomen dat deze citaten op uitdrukkelijk verzoek van de rechtbank zijn aangepast en het i.c. om de citaten gaat zoals zij nadien in De Telegraaf zijn gepubliceerd.
- Het oordeel van het hof het niet aannemelijk te achten dat mr. Verpalen de in het e-mailbericht van [J] opgenomen citaten heeft uitgesproken is een feitelijk oordeel dat, gelet de aan de feitenrechter voorbehouden vrijheid van selectie en waardering, geen nadere motivering behoeft. Voor zover de tweede klacht inhoudt dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat [J] herhaaldelijk heeft gezegd dat Verpalen die uitlatingen wél heeft gedaan, gaat het voort op de weg van een in cassatie zinloze nietes-welles discussie. Derhalve faalt het.
- Als derde klacht houdt het middel in dat het hof geen blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of de uitlatingen van mr. Verpalen - hoewel niet afzonderlijk - wél in onderlinge samenhang bezien een schending opleveren van art. 6, eerste en tweede lid, EVRM.
- Ik herhaal de volgende passage uit de onder 7 weergegeven motivering van het hof (waarbij ik me realiseer dat hierdoor de omvang van deze conclusie toeneemt; maar het voorkomt heen-en-weer bladeren): "(...) De door de verdediging gewraakte uitlatingen van mr. Verpalen die in de publicatie zijn opgenomen, zijn de volgende: - de aanduiding van de verdachte als "een schaker"; een uitlating die niet in het bestreden vonnis is genoemd; - de opmerking dat de verdachte op enkele punten zichzelf tegensprak - hetgeen niet in het vonnis is vermeld -, onder meer over de dood van [K], alsmede dat [Verpalens] overtuiging daardoor werd gevoed; hieruit maakt de verdediging op dat de overtuiging is gevoed door (verklaringen over) een niet-tenlastegelegd feit; - de uitlating dat de overtuiging geleidelijk werd gevormd, waarna aan het eind is gekeken of die overtuiging ook te bewijzen was; hieruit maakt de verdediging op dat de overtuiging niet op bewijsmiddelen is gebaseerd; en - de wens nog eens een psychologische rapportage over de verdachte te zien. Het hof vermag niet in te zien dat de aanduiding door mr. Verpalen van de verdachte als "een schaker" en zijn wens kennis te nemen van een eventueel over de verdachte op te maken psychologisch rapport, welke aanduiding en wens zijn uitgesproken na afloop van de procedure in eerste aanleg, kunnen wijzen op vooringenomenheid bij mr. Verpalen jegens de verdachte ten tijde van die procedure. Voorts kan noch de opmerking van mr. Verpalen dat zijn overtuiging werd gevoed door tegenstrijdige verklaringen van de verdachte ter terechtzitting over hem tenlastegelegde feiten noch het nalaten deze omstandigheid te vermelden in het vonnis redelijkerwijs tot het oordeel leiden dat de overtuiging van mr. Verpalen niet is gebaseerd op wettige, in de aanvulling op het vonnis opgenomen, bewijsmiddelen. Daarbij komt dat in het licht van het oordeel dat in het vonnis over de verdachte is gegeven, deze uitlatingen niet een zodanig gewicht hebben dat kan worden gezegd dat daarmee een expliciet negatief oordeel over de verdachte is gegeven, waardoor het onschuldvermoeden is geschonden of kan worden gesproken van partijdigheid bij de berechting (curs.v.NJ). (...) De omstandigheid dat bij mr. Verpalen eerst de overtuiging over de schuld van de verdachte is ontstaan en hij vervolgens heeft gekeken of die overtuiging was te bewijzen, is uit bedoeld artikel, maar ook uit de overige gegevens, op generlei wijze af te leiden. De door de verdediging in dit verband geciteerde uitlating mag niet van haar context worden losgemaakt en daarnaast moet ook op de verdere beschikbare gegevens worden gelet. Het hof wijst op de uitgebreide processen-verbaal van de behandeling in eerste aanleg, waarin valt te lezen dat het bewijsmateriaal aan de verdachte is voorgehouden en vaak uitvoerig met hem is besproken, waarbij de verdachte van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt daar zijn commentaar op te geven. In het Telegraafartikel is met name de volgende context van belang: - (als citaat van mr. Verpalen:) "Het was geen uitgemaakte zaak. Het onderzoek besloeg ruim tweehonderd ordners, maar dat was zeker niet allemaal bewijs."; - Hoe is een eerlijk proces mogelijk, als het hele land al van zijn schuld is overtuigd? Toch kwam de overtuiging dat [verzoeker] inderdaad wel schuldig moest zijn bij Verpalen geleidelijk, zegt hij. "Dat was geen beslissing helemaal aan het einde, je groeit ernaartoe. Tijdens de zitting moet je een oordeel vormen. Je mag van tevoren geen vooroordeel klaar hebben. Ik kwam in stapjes tot mijn oordeel. Daarna kijk je aan het eind of die overtuiging ook is te bewijzen. Soms is dat niet het geval. Het is misschien wat ondergesneeuwd, maar we hebben hem en de medeverdachten op tal van punten ook vrijgesproken. Daar schoot het bewijs tekort, of was er geen bewijs." In redelijkheid kan uit de voorgaande gegevens niets anders worden afgeleid dan dat bij mr. Verpalen bij aanvang van de behandeling geen vooringenomenheid heeft bestaan ten aanzien van de schuld of onschuld van de verdachte, dat hij het bewijsmateriaal uitvoerig met de verdachte heeft besproken, dat hij, in het proces dat vele zittingsdagen in beslag heeft genomen, op basis van het besprokene geleidelijk zijn mening over de beschuldigingen heeft gevormd en dat ten slotte, aan het eind (het hof begrijpt: bij de besprekingen in raadkamer), is getoetst of inderdaad op basis van wettige bewijsmiddelen die overtuiging kon postvatten. Dat hij daarbij gedurende de behandeling blijkt heeft gegeven van de schuld of onschuld van de verdachte is niet gesteld, en is overigens gelet op de mededelingen van de verdachte bij zijn laatste woord in eerste aanleg, niet aannemelijk. Aldus heeft mr. Verpalen blijk gegeven van een juiste opstelling en attitude bij de behandeling van de zaak en geven zijn uitlatingen niet blijk van een onjuiste wijze van rechterlijke oordeelsvorming. (...)"
- In deze overweging ligt als 's hofs oordeel besloten dat de uitlatingen van mr. Verpalen, gezien hun inhoud en aard, noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien, ook niet in de context waarin ze zijn geplaatst (het Telegraafartikel in zijn geheel) dan wel gelet op de overige omstandigheden van het geval (i.c. de wijze waarop de behandeling in eerste aanleg heeft plaatsgehad en de opstelling en attitude van mr. Verpalen gedurende die behandeling) een schending van art. 6, eerste en tweede lid, EVRM opleveren.
- Mocht het verdedigingsstandpunt er eigenlijk op neer komen dat mr. Verpalen eerst zijn overtuiging heeft gevormd en daar vervolgens de bewijsmiddelen bij heeft gezocht, wil ik erop wijzen dat het onderzoek ter terechtzitting geen statische activiteit is, maar een dynamisch zoeken naar de materiële waarheid, waarbij door de rechter uit het dossier belastend en ontlastend materiaal aan de verdachte wordt voorgehouden en door het OM en de verdediging aan de rechter wordt voorgelegd; waarbij de ondervraging van getuigen en van de verdachte onduidelijke punten kunnen ophelderen of niet; waarbij aanvankelijk duidelijke punten juist ter discussie kunnen komen te staan; waar deskundigen hun wetenschappelijke visie kunnen geven; dit alles dan in wisselwerking met wat eerder ter terechtzitting aan de orde is gekomen en mogelijk nog aan de orde zal komen. In beginsel is alles wat uit het dossier wordt voorgehouden bewijsmateriaal waarvan de bruikbaarheid ter discussie staat, zoals ook alles wat ter zitting uit de mond van verdachte, getuigen of deskundigen wordt opgetekend bewijsmateriaal vormt. Dat zich gaandeweg een overtuiging over de schuldvraag vormt is derhalve een volstrekt logische en menselijke aangelegenheid. Ná het sluiten van het onderzoek volgt dan evenwel de hoofdvraag en de beslissing welk bewijsmateriaal (toelaatbaar en) bruikbaar is; of dat bruikbare bewijsmateriaal in enige richting van schuld wijst; of er bewijsmateriaal is dat in andere richting wijst; of, en zo ja, in welke mate het bewijsmateriaal aanleiding tot twijfel geeft; dit alles in onderlinge discussie tussen de leden van het college. Kortom: in raadkamer wordt de balans opgemaakt van alles wat tijdens het onderzoek over tafel is gekomen. De professionaliteit van de rechter brengt met zich mee dat hij zijn gaandeweg gegroeide overtuiging in raadkamer ter discussie stelt en als het ware blanco de bewijsmiddelen voor zich laat spreken.
(6)Omdat de overtuiging een hinderpaal voor de waarheidsvinding kan vormen, zoals mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie voor het Pastoorsarrest terecht schrijft,
(7)is een voortdurende kritische toetsing van het bewijsmateriaal noodzakelijk alsmede de compenserende waarborg van: in dubio pro reo. Dat mr. Verpalen er eerlijk voor uitkomt dat de behandeling van verzoekers strafzaak, die 37 dagen heeft genomen, hem gaandeweg tot een bepaalde overtuiging heeft gebracht houdt absoluut niet in dat daarmee, voorafgaande aan het overleg in raadkamer, de schuldvraag al was beslecht. 29. De klacht is tevergeefs voorgesteld. 30. De vierde klacht is dat het hof niet heeft onderzocht of de aanduiding door mr. Verpalen van verzoeker als een "schaker" een schending oplevert van het onschuldvermoeden (zie punt 2.19). 31. De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ook hier verwijs ik naar het onder 26 aangehaalde passage uit de overweging van het hof (zie mijn cursivering). Uit deze passage blijkt dat het hof heeft geoordeeld dat de uitlatingen van mr. Verpalen, voor zover het betreft de aanduiding van verzoeker als "een schaker", zijn wens nog eens een psychologische rapportage over verzoeker te zien en zijn opmerking dat verzoeker op enkele punten zichzelf tegensprak, niet een zodanig gewicht hebben dat kan worden gezegd dat daarmee een expliciet negatief oordeel over verzoeker is gegeven, waardoor het onschuldvermoeden is geschonden. 32. Overigens lijkt het mij heel goed denkbaar dat een rechter tijdens de behandeling van een strafzaak door de reacties van de verdachte op voorgehouden dossierstukken of op/door middel van procesincidenten tot het oordeel komt dat de verdachte die hij voor zich heeft een 'schaker' is; zoals een rechter ook tot het oordeel kan komen dat een verdachte een lacuneuze gewetensfunctie heeft, een leugenaar, een fantast of een brave borst etc. is. Zo gek is dat niet en ook niet verboden, mits art. 271, tweede lid, Sr wordt gerespecteerd. 33. Indien de stellers van het middel voorts beogen te klagen dat het oordeel van het hof, inhoudende dat de aanduiding door mr. Verpalen van verzoeker als een "schaker" geen schending oplevert van het onschuldvermoeden en voorts geen blijk geeft van een vooringenomenheid van mr. Verpalen jegens verzoeker, onbegrijpelijk is, merk ik op dat de argumenten die in punt 2.15 ter staving van deze klacht worden aangevoerd zo feitelijk van aard zijn dat de klacht zich verder niet leent voor toetsing in cassatie. 34. De vijfde klacht valt uiteen in vier subklachten, welk geformuleerd zijn in de punten 2.23-2.26. 35. Subklacht vier (punt 2.26) behoeft geen bespreking, omdat een retorische vraag geen cassabele klacht inhoudt. 36. De subklachten één, twee en drie (respectievelijk punten 2.23, 2.24 en 2.25), keren zich tegen 's hofs lezing van het volgende, in het Telegraafartikel, aan mr. Verpalen toegeschreven citaat: "Doordat hij zo veel vertelde kwam hij op enkele punten in tegenspraak met zichzelf." Zo vertelde [verzoeker] onder meer over de dood van [K], die volgens justitie door [verzoeker] was afgeperst. Verpalen en zijn collega-rechters veroordeelden hem later daar ook voor als een van de afpersingen náást die van [C]. "Ook hier was hij tegenstrijdig. Dat voedde bij mij wel de overtuiging." 37. Het hof heeft - voor zover hier van belang - geoordeeld dat
- a)als strekking van de tussen aanhalingstekens geplaatste citaten van mr. Verpalen niet meer kan worden gelezen dan dat verzoeker volgens mr. Verpalen bij de bespreking van het [K]dossier tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd;
- b)niet is komen vast te staan dat mr. Verpalen heeft gezegd dat zijn overtuiging mede is gevoed door tegenstrijdige verklaringen van verzoeker over de moord op [K];
- c)noch de opmerking van mr. Verpalen dat zijn overtuiging werd gevoed door tegenstrijdige verklaringen van verzoeker ter terechtzitting over hem tenlastegelegde feiten, noch het nalaten deze omstandigheid te vermelden in het vonnis, redelijkerwijs tot het oordeel leiden dat de overtuiging van mr. Verpalen niet is gebaseerd op wettige, in de aanvulling op het vonnis opgenomen, bewijsmiddelen (zie onder 7). 38. Subklacht één (punt 2.23) klaagt over de onbegrijpelijkheid van oordeel
- a)en verwijst daarbij naar de al eerder genoemde e-mailberichten d.d. 18 juni 2008 tussen [J] en de rechtbank te Haarlem. Gesteld wordt dat het onder 36 weergegeven citaat, in het licht van deze e-mailberichten, zodanig kan en moet worden gelezen dat Verpalen heeft gezegd dat verzoeker tegenstrijdig heeft verklaard over de moord op [K]. 39. De stellers van het middel lijken echter te miskennen dat het hof reeds heeft geoordeeld het niet aannemelijk te achten dat mr. Verpalen de aan hem in deze e-mailberichten toegeschreven citaten daadwerkelijk heeft uitgesproken (zie onder 20-24), en voorts dat niet is komen vast te staan dat mr. Verpalen heeft gezegd dat zijn overtuiging mede is gevoed door tegenstrijdige verklaringen van verzoeker over de moord op [K]. Nu de klacht geen andere argumenten aanvoert voor de onbegrijpelijkheid van 's hofs lezing, kan deze niet slagen. 40. Subklacht drie (punt 2.25) is naar haar kern genomen niet veel anders dan subklacht één; het houdt niet meer in dan het standpunt dat het onder 36 weergegeven citaat ook zó kan worden gelezen dat Verpalen heeft gezegd dat verzoeker tegenstrijdig heeft verklaard over de moord op [K]. Argumenten voor de onbegrijpelijkheid van 's hofs lezing worden echter niet aangevoerd. Deze klacht voldoet niet aan de daaraan in cassatie gestelde eisen. 41. Hetzelfde geldt voor subklacht twee (punt 2.24), dat klaagt over de onbegrijpelijkheid van oordeel c). Waarom dit oordeel van het hof volgens de stellers het middel onbegrijpelijk is wordt mij niet duidelijk. 42. Afsluitend: De vijfde klacht faalt, voor zover enkele subklachten al aan te merken zijn als cassabele klachten. 43. Ook de zesde klacht klaagt over de wijze waarop het hof één van de citaten leest die in het Telegraafartikel aan Verpalen zijn toegeschreven. Het gaat om het volgende citaat: "Dat was geen beslissing helemaal aan het einde, je groeit ernaartoe. Tijdens de zitting moet je een oordeel vormen. Je mag van tevoren geen vooroordeel klaar hebben. Ik kwam in stapjes tot mijn oordeel. Daarna kijk je aan het eind of die overtuiging ook is te bewijzen. Soms is dat niet het geval. Het is misschien wat ondergesneeuwd, maar we hebben hem en de medeverdachten op tal van punten ook vrijgesproken. Daar schoot het bewijs tekort, of was er geen bewijs." 44. Het hof heeft geoordeeld dat - kort gezegd - uit dit citaat, mede gelet op de context waarin het in het Telegraafartikel is geplaatst, niet volgt dat bij mr. Verpalen - zoals de verdediging heeft betoogd - eerst de overtuiging over de schuld van verzoeker is ontstaan en dat hij vervolgens heeft gekeken of die overtuiging was te bewijzen. 45. Dit citaat kan volgens de stellers van het middel ook anders worden opgevat dan in de lezing van het hof. Met name wordt aangevallen 's hofs oordeel dat "in redelijkheid niets anders kan worden afgeleid," etc. Een kwaadwillende lezing die één passage isoleert uit haar context van de gebruikelijke gang van zaken bij de rechterlijke besluitvorming is mijns inziens geen deugdelijke klacht. 46. Andere cassabele klachten heb ik niet kunnen ontwaren in de zesde klacht. Wel merk ik op dat hetgeen in punt 2.28 wordt gesteld, nl. dat het hof niet de juiste maatstaven heeft gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of het eerste en/of het tweede lid van art. 6 EVRM is geschonden, geheel misplaatst is. 47. Waar het echter om gaat is 's hofs motivering als geheel; daaruit moet blijken dat het hof de juiste maatstaven heeft gehanteerd bij het door hem gevelde oordeel. Zulks heeft het hof i.c. ook gedaan (zie onder 7). Uiteraard moeten de overwegingen in 's hofs motivering - d.i. de redeneringen en de gevolgtrekkingen die hem tot een bepaald oordeel leiden - ook ervan blijk geven dat het hof van de juiste maatstaven is uitgegaan. Is dit niet het geval, of geeft 's hofs motivering geen inzicht in de door hem gehanteerde maatstaven, dan is zijn oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. 48. Waar de stellers van het middel over vallen is één overweging (één redenering en gevolgtrekking) uit 's hofs gehele motivering. Daarbij hoort de opmerking dat het hof onjuiste maatstaven ten grondslag legt aan zijn (gehele) motivering niet thuis. 49. De zesde klacht is tevergeefs voorgesteld. 50. De zevende klacht beoogt kennelijk te klagen over de begrijpelijkheid van de volgende overweging uit 's hofs onder 7 weergegeven motivering: "De stellingen van de verdediging ten aanzien van het optreden van mr. Van der Meer, die niet aan de berechting heeft deelgenomen, en ten aanzien van de discrepantie tussen de uitlatingen in de brief van mr. Van der Meer aan de verdediging van 6 augustus 2008 en zijn uitlatingen aan [J] in de voornoemde e-mail van 18 juni 2008, zullen niet worden onderzocht, omdat zij hoe dan ook aan het voorgaande niet kunnen afdoen." 51. Gesteld wordt dat dit oordeel onjuist is, omdat de omstandigheid dat de president van de rechtbank (mr. Van der Meer) iets anders schrijft aan de verdediging dan aan [J], bijdraagt aan de objectieve vrees van verzoeker dat het in eerste aanleg heeft ontbroken aan een onpartijdige rechter. Een cassabele klacht ontwaar in echter niet in deze stelling. De stellers van het middel hadden op zijn minst inzicht kunnen gegeven in de "discrepanties" waar het i.c. om gaat en waarom 's hofs oordeel in het licht van deze discrepanties onbegrijpelijk is. Kennelijk betreft hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent de discrepanties in de correspondentie van Van der Meer niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarop het hof volgens de verdediging had moeten responderen; anders zou de zevende klacht wel als zodanig zijn gepresenteerd. 52. Al met al faalt het eerste middel. Alleen de eerste en de derde klacht behoeven een daarop gerichte overweging van Uw Raad, die voor het overige hier art. 81 RO kan toepassen. 53. Het tweede middel heeft geen betrekking op het [C]dossier zodat het voor de samenhang beter na het veertiende middel zou kunnen worden besproken, namelijk in de volgorde van de bewezenverklaringen (feiten 7-8) en de bewijsmiddelen (vanaf p. 82 van de Aanvulling). Niettemin volg ik, om de boven, in 4, uiteengezette redenen de schriftuur. Dit middel klaagt dat het hof ten onrechte het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de getuigenverklaringen van [A] en [B] vanwege niet-naleving van art. 152 Sv heeft verworpen, althans dat 's hofs verwerping daarvan onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Voorts klaagt het middel dat het hof ten onrechte het door de verdediging gedane voorwaardelijk verzoek om alle beschikbare geluidsopnamen van verhoren te beluisteren heeft afgewezen, althans dat 's hofs afwijzing daarvan onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende is gemotiveerd. 54. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer en verzoek als volgt samengevat en verworpen respectievelijk afgewezen: "B.2. Niet-naleving artikel 152 Sv? De verdediging heeft betoogd dat de verslaglegging in het [L]dossier onvolkomen, onvolledig, en onjuist is geweest, waardoor is gehandeld in strijd met artikel 152 Sv en de in de rechtspraak ontwikkelde normen. De verdediging heeft daaraan - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. - Van de telefoongesprekken van verbalisant RN03-049 met [A] op 17 en 18 december 2004 is pas op 30 mei 2006 proces-verbaal opgemaakt, hetgeen niet tijdig is, terwijl in verband met het tijdsverloop getwijfeld moet worden aan de juistheid van de in het proces-verbaal opgenomen weergave van citaten van [A]. - Niet is bekend gemaakt dat verhoren van [A] met audioapparatuur zijn opgenomen en dat mr. Teeven met hem heeft gesproken. - De officier van justitie mr. Plooij heeft in zijn brief van 20 november 2008 onjuiste mededelingen gedaan over de reden van ondertekening door [A] van een proces-verbaal van verhoor van 12 februari 2006. - Processen-verbaal van verhoren van [A] van 26 januari 2005 en 14 maart 2005 vormen een onvolkomen weergave van de inhoud van de verhoren. Voor zover dit wordt gemotiveerd met het argument dat het niet de bedoeling was deze verhoren tactisch te gebruiken, wordt miskend dat aan kluisverklaringen geen andere eisen gesteld mogen worden dan aan reguliere processen-verbaal en dat het uiteindelijk de bedoeling is dat een kluisverklaring aan het dossier wordt toegevoegd. Het is zelfs in strijd met Europese jurisprudentie dat het openbaar ministerie zelfstandig bepaalt of verklaringen in een kluis of in het dossier terechtkomen. - Van diverse gesprekken van [B], al dan niet in aanwezigheid van [A] (of getuige C), met politieambtenaren en mr. Teeven is geen proces-verbaal opgemaakt. De omstandigheid dat dit voorgesprekken zouden zijn in de aanloop naar een af te leggen kluisverklaring, brengt niet mee dat de verplichting van artikel 152 Sv niet geldt of dat van zodanige gesprekken geen behoorlijke verslaglegging moet plaatsvinden. Het is niet bekend hoe vaak dergelijke gesprekken hebben plaatsgevonden en wat inhoudelijk is besproken noch is te achterhalen of [B] in de later door haar afgelegde verklaringen uit eigen wetenschap, waarneming of ondervinding heeft gesproken. - In het [L]onderzoek blijkt navraag te zijn gedaan in voormalig Joegoslavië naar betrokkenheid van de verdachte bij investeringen in onroerend goed aldaar. Dat heeft geen resultaat gehad, hetgeen ontlastende informatie is, maar daarvan is geen proces-verbaal opgemaakt. - Ten onrechte is in eerste aanleg niet bekend gemaakt dat de CIE reeds op 28 augustus 2002 een gesprek heeft gehad met [C] noch dat afzonderlijk onderzoek naar afpersing van [C] door [F] is gedaan. - In het proces-verbaal van verhoor van [K] op 10 februari 2005 is niet opgenomen dat de verbalisanten hem hebben voorgehouden dat allerlei trajecten mogelijk waren. De verdediging heeft bepleit dat het materiaal dat direct wordt getroffen door deze verweren, van het bewijs wordt uitgesloten en dat overigens een uiterst kritische toetsing van het door het openbaar ministerie gepresenteerde bewijsmateriaal moet plaatsvinden. Het hof overweegt als volgt. Opsporingsambtenaren dienen ten spoedigste proces-verbaal op te maken van door hen opgespoorde strafbare feiten en van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Dit kan slechts dan achterwege blijven indien hetgeen door hen is verricht of bevonden, redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter te nemen beslissing. Daarbij komt de opsporingsambtenaar een zekere beoordelingsvrijheid toe. Ten aanzien van het horen van getuigen verzet geen rechtsregel zich tegen het maken van een zakelijke samenvatting van hetgeen de getuige heeft verklaard. Dat kan integendeel veelal juist geboden zijn om de leesbaarheid, zeker waar het uitvoerige verklaringen betreft, ten goede te komen. Ook een officier van justitie die in het kader van een (mogelijk) traject als bedoeld in artikel 226a e.v. Sv met een getuige gesprekken voert om vast te stellen of de verklaring van de getuige van belang kan zijn voor een door de rechter te nemen beslissing en of deze getuige bereid is (verder) mee te werken aan vorenbedoeld traject, dient ten minste van zijn verrichtingen een behoorlijk verslag te maken, zodat tijd en plaats van de contacten alsmede de globale inhoud van het besprokene nadien zo nodig kunnen worden vastgesteld, daargelaten de vraag of hij verplicht kan worden deze verslaglegging te delen met andere procesdeelnemers en, zo ja, onder welke omstandigheden. Met de verdediging is het hof van oordeel dat in een aantal gevallen onvolkomen en onzorgvuldige verslaglegging heeft plaatsgevonden, in het bijzonder van verhoren van getuigen. Zo kunnen relevante verschillen worden geconstateerd tussen de samenvattende schriftelijke weergaven van verhoren van bepaalde getuigen en de verbatim-uitwerkingen daarvan ten aanzien van de omstandigheden rondom het verhoor en de inhoud van de verklaringen: soms zijn onderdelen van een verklaring die van belang zouden kunnen zijn, weggelaten en ook komt het voor dat de schriftelijke samenvatting onjuistheden bevat. Voorts kan worden vastgesteld dat met een aantal getuigen door een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie is gesproken in het kader van hun (mogelijke) medewerking aan een traject als bedoeld in artikel 226a e.v. Sv dan wel de continuering daarvan. Van die gesprekken is geen ander verslag beschikbaar dan hetgeen is vermeld in de processen-verbaal van mrs. Plooij en Teeven ten behoeve van de verhoren van de destijds nog anonieme getuigen bij de rechter-commissaris. In sommige gevallen zijn processen-verbaal pas lange tijd na hetgeen is verricht of bevonden opgemaakt en is van een aantal onderzoeksactiviteiten pas in hoger beroep verslaglegging beschikbaar gekomen. Een en ander brengt mee dat gesproken kan worden van ernstige tekortkomingen. Voor het antwoord op de vraag of om die reden bewijsuitsluiting van de verklaringen van de desbetreffende getuigen het gevolg moet zijn, geldt het volgende. Van een groot aantal verhoren van getuigen, onder wie [A], zijn audio-opnamen gemaakt. De verdediging is in de gelegenheid geweest de desbetreffende audio-opnamen te beluisteren en de verslaglegging te controleren en becommentariëren. Tevens is de verdediging in voorkomende gevallen in de gelegenheid geweest getuigen, onder wie [B], te ondervragen, ook over hetgeen zij bij de politie hebben verklaard. De verdediging heeft daarvan ook gebruik gemaakt. Ook verhorende verbalisanten zijn door de verdediging gehoord, alsmede mr. Teeven. Nu de verdediging de bedoelde verklaringen op deze wijze voldoende heeft kunnen controleren op juistheid en volledigheid, en er dientengevolge omtrent de inhoud en strekking ervan thans naar het oordeel van het hof voldoende duidelijkheid bestaat, leveren de door de verdediging aangevoerde gronden geen reden voor bewijsuitsluiting op. Voor zover van belang zijn immers de gebreken hersteld of gecompenseerd. Hetgeen verder is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. De door de verdediging genoemde, aanvankelijk niet verstrekte informatie is in een later stadium alsnog bekend gemaakt en/of in het dossier gevoegd. Aan de juistheid van de weergave van uitlatingen in een proces-verbaal, dat is opgemaakt lang nadat die uitlatingen zijn gedaan, behoeft niet getwijfeld te worden indien dat proces-verbaal gebaseerd is op een intern verslag van die uitlatingen, gemaakt kort na die uitlatingen. Verder raken onjuistheden in voornoemde brief van mr. Plooij niet de inhoud van het bedoelde proces-verbaal van verhoor van [A]. Het verweer wordt verworpen. De verdediging heeft in dit verband nog een voorwaardelijk verzoek geformuleerd: indien het hof geneigd zou zijn het openbaar ministerie te volgen in zijn standpunt dat met betrekking tot de onregelmatigheden in processen-verbaal sprake is van incidentele uitglijders, wenst de verdediging alle beschikbare geluidsopnamen van verhoren te beluisteren. Daarmee beoogt de verdediging duidelijk te maken dat er met de wijze waarop getuigen in de [L]zaak zijn gehoord en met de wijze van verslaglegging structureel, en niet incidenteel, iets mis is. Het hof heeft hiervóór zijn oordeel gegeven over de gebreken in de verslaglegging van verhoren. Ook heeft het hof geoordeeld dat, voor zover van belang, gebreken zijn hersteld of gecompenseerd. Gelet daarop en op de redengeving van het verzoek, is - voor zover de voorwaarde van het verzoek is vervuld - de noodzaak van het verzochte niet gebleken. Het verzoek wordt afgewezen." 55. Ten eerste bevat het middel de klacht dat het hof heeft miskend dat van het verhoor van getuige [A] d.d. 12 februari 2006 geen audio-opname is gemaakt, zodat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de desbetreffende audio-opname te beluisteren en de verslaglegging te controleren en becommentariëren. De gebreken die aan de verslaglegging van het desbetreffende verhoor kleven zijn mitsdien niet (voldoende) hersteld of gecompenseerd, zodat het hof ten onrechte de op 12 februari 2006 door [A] afgelegde verklaring voor het bewijs heeft gebezigd,
(8)aldus het middel. 56. Blijkens de processen-verbaal van de terechtzittingen d.d. 7 en 12 mei 2009 hebben de raadslieden van verzoeker het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door hen aan het hof overgelegde pleitnotitie. In die pleitnotitie wordt - voor zover hier van belang - het volgende aangevoerd (p. 43-46): "De praktijk van het [L]-onderzoek: over de verhoren van [A] 6.5 Op 13 november 2008 is verbalisant RN03-049 als getuige gehoord. Hij heeft niet kunnen uitleggen hoe het nou komt dat hij pas op 30 mei 2006 een proces-verbaal heeft opgemaakt van de telefoongesprekken die hij op 17 en 18 december 2004 met [A] heeft gevoerd. Hij weet ook niet hoe het kan dat meer dan 17 maanden na die telefoongesprekken in een proces-verbaal nog letterlijk de woorden van [A] worden geciteerd.
(9),
(10)Van het tijdig opmaken van een proces-verbaal is dus geen sprake geweest; over de juistheid van een proces-verbaal dat letterlijk woorden weergeeft uit een telefoongesprek dat bijna anderhalf jaar daarvoor is gevoerd, kunnen niet anders dan grote twijfels bestaan. 6.6 Dezelfde getuige heeft verklaard dat de verhoren met [A] met audioapparatuur zijn opgenomen, en dat hij weet dat de officier van justitie Teeven met [A] heeft gesproken.
(11)Zowel de mededeling dat verhoren van [A] op geluidsband zijn opgenomen als de opmerking dat Teeven apart met [A] heeft gesproken, is in eerste aanleg niet bekend gemaakt. Dat is dus in strijd met de verplichting die in art. 152 Sv is opgenomen. 6.7 Dit verhoor van RN03-049 leidt op 20 november 2008 tot een brief van de officier van justitie Plooij. Daarin is te lezen dat aan [A] is beloofd dat zijn verklaringen een 'kluiskarakter' zouden hebben. Naar aanleiding van een vraag over een verklaring van 12 februari 2005 die - in tegenstelling tot andere verklaringen van [A] - wel is ondertekend, schrijft Plooij het volgende:
(12)'De opsporingsambtenaren die zich hebben bezig gehouden met de samenstelling van het dossier hebben voor het bijvoegen van de verklaring van 12 februari 2005 een uitdraai uit het eigen bestand van het rechercheteam gemaakt. Zij hebben zich kennelijk niet gerealiseerd dat het origineel van dit proces-verbaal, dat meteen bij het opmaken en sluiten door [A] mee is geparafeerd en ondertekend, zich op het Landelijk Parket in een kluis bevond. Toen onlangs ten behoeve van een ander onderzoek alle door [A] afgelegde verklaringen nog eens precies onder de loep werden genomen is het originele exemplaar alsnog in afschrift verspreid. Met de woorden van [A] dat hij geen verklaring 'op papier' wilde afleggen bedoelde hij te zeggen dat hij geen tactisch bruikbare verklaring wilde afleggen. Hem is wel duidelijk gemaakt dat zijn woorden zouden worden vastgelegd ter bewaring in de kluis. Gegeven de belofte dat zij in de kluis zouden blijven bewaard heeft hij geen probleem gehad met het zetten van zijn parafen en handtekening ter bevestiging van deze verklaring.' 6.8 Van deze officier van justitie weten we dat hij gedurende dit hoger beroep brieven heeft geschreven en processen-verbaal heeft opgemaakt waarin hij zich aanmatigt te kunnen uitleggen wat anderen volgens hem hebben bedoeld. Wij hebben dat steeds beschouwd als nogal opzichtige herstelpogingen: door die brieven en door die processen-verbaal probeert Plooij onderzoeksresultaten die het openbaar ministerie onwelgevallig zijn nog een beetje in een door hem gewenste richting te sturen. We zullen daarvan hierna nog een aantal voorbeelden tegenkomen. Het is evenwel niet goed indien dergelijke pogingen ontaarden in aperte onzin en juist daarvan vormt de geciteerde passage uit de brief van Plooij van 20 november 2008 een voorbeeld. Twijfel over de juistheid van zijn uitleg ontstaat al, indien wordt bedacht dat het toch wat merkwaardig is dat [A] in de visie van Plooij bereid is om één kluisverklaring wel te ondertekenen en de andere kluisverklaringen niet. Er is dus iets anders aan de hand, en een blik op een proces-verbaal van bevindingen van 7 juni 2006 zou de officier van justitie op het juiste spoor kunnen hebben gezet. Daarin is te lezen dat in het door [A] ondertekende proces-verbaal een tikfout is geslopen. Het verhoor vond niet plaats op 12 februari 2005, maar op 12 februari 2006. Dat proces-verbaal is door [A] ondertekend, omdat het aan de rechter-commissaris moest worden voorgelegd in het kader van het traject voor bedreigde getuigen. Dat is dus het verschil met de andere verklaringen, die niet zijn ondertekend en die in de kluis zijn beland. De opmerkingen van Plooij in zijn brief van 20 november 2008 verraden daarmee ongewild dat het openbaar ministerie bereid is desnoods iets te verzinnen om een veroordeling van [verzoeker] zeker te stellen. Het hoeft niet waar te zijn, het is ook niet waar, maar het staat wel in een brief van een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie." 57. Vooropgesteld zij dat de wet geen rechtsgevolgen aan de niet-naleving van het bepaalde in art. 152 Sv verbindt. Het staat derhalve ter beoordeling van de rechter of, en zo ja, in hoeverre aan de omstandigheid dat het opmaken van proces-verbaal achterwege is gebleven dan wel niet ten spoedigste is geschied, enig rechtsgevolg dient te worden verbonden. Daarbij is de weging en waardering van de omstandigheden van het geval voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.
(13)- Blijkens het bestreden arrest heeft het hof geoordeeld dat de "onjuistheden in voornoemde brief van mr. Plooij niet de inhoud van het bedoelde proces-verbaal van verhoor van [A] [raken]". Volgens het hof behoefden deze onjuistheden dus niet op enigerlei wijze te worden hersteld of gecompenseerd. Dat feitelijke oordeel is, anders dan in het middel wordt betoogd, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd, wat er zij van de inhoud van de brief van Plooij, omdat deze voor het bewijs irrelevant is en ook ten aanzien van dit middel niet relevant (omdat het de betrouwbaarheid van de officier van Justitie ter discussie stelt). Het hof was dus vrij om de op 12 februari 2006 door [A] afgelegde verklaring voor het bewijs te bezigen, zodat de klacht hiertegen tevergeefs is voorgesteld.
- Ten tweede is het middel gericht tegen 's hofs oordeel dat er omtrent de inhoud en strekking van de getuigenverklaringen van [B] en [A] 'voldoende duidelijkheid' bestaat nu de verdediging in voorkomende gevallen in de gelegenheid is geweest voornoemde getuigen, de verhorende verbalisanten alsmede mr. Teeven te ondervragen; zij daarvan ook gebruik heeft gemaakt en bedoelde verklaringen op deze wijze voldoende heeft kunnen controleren op juistheid en volledigheid. In het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is dit oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd, aldus het middel.
- In de reeds hiervoor vermelde pleitnotitie wordt - voor zover hier van belang - het volgende aangevoerd (p. 52-53): "6.19 We kunnen vaststellen dat de inhoud van de 'voorgesprekken' of 'verkennende gesprekken' in nevelen gehuld blijft. Niemand heeft daarover duidelijkheid kunnen verschaffen. Niemand kan precies vertellen wat in die besprekingen met Teeven en/of opsporingsambtenaren van de Nationale Recherche is gezegd, en door wie, op welk moment. Dat betekent heel concreet dat het bijvoorbeeld onmogelijk is gemaakt te achterhalen of [B] in de later door haar afgelegde verklaringen uit eigen wetenschap, waarneming of ondervinding heeft gesproken. Het spreekt bovendien zo vanzelf dat getuigen niet in aanwezigheid van elkaar moeten worden gehoord om beïnvloeding te vermijden.
(14)Het spreekt zo vanzelf dat getuigen niet in aanwezigheid van elkaar over inhoudelijke onderwerpen moeten spreken om te voorkomen dat herinneringen worden gebaseerd op en gekleurd of vertekend door informatie die de getuige van een ander heeft. Dat een officier van justitie en opsporingsambtenaren dan toch met [B], [A] en getuige C samen spreken, toont aan dat zij die vanzelfsprekendheden aan de
(15)laars hebben gelapt. Het is tekenend voor een opstelling waarin waarheidsvinding geen rol speelt en het alleen maar gaat om de man te pakken waarop Teeven zegt een patent te hebben. 6.20 We kunnen bovendien vaststellen dat over het aantal contacten diepe verdeeldheid bestaat. [B] noemt een heel ander aantal dan Plooij in zijn brief van 19 maart
- In de brief van Plooij komt de ontmoeting tussen Teeven en [A] niet terug, waarover verbalisant RN03-049 heeft verklaard. De inhoud van die brief strookt bovendien niet met de verklaring van Teeven bij de rechter-commissaris. En waar Plooij in zijn brief van 27 januari 2009 schrijft over gesprekken die eind 2005 en begin 2006 plaatsvonden, deels ook in aanwezigheid van een aantal rechercheurs, wordt in de brief van 19 maart 2009 niets gemeld over ontmoetingen in de laatste maanden van 2005 en blijkt ook niet van gesprekken waaraan naast Teeven ook andere opsporingsambtenaren deelnamen. Wij kunnen er geen wijs uit, en wij weten niet op wie we moeten afgaan: [B], Teeven in januari 2009, Teeven in maart 2009, verbalisant RN03-049, Plooij in januari 2009 of Plooij in maart 2009? 6.21 Deze onduidelijkheid is naar ons oordeel funest voor een eerlijk strafproces, dat waarheidsvinding voorop stelt. Juist om die onduidelijkheid te voorkomen, is vastgelegd dat opsporingsambtenaren - waartoe destijds ook Teeven moest worden gerekend - ten spoedigste proces-verbaal opmaken van hetgeen door hen tot opsporing is verricht en bevonden. Dat Teeven en de andere opsporingsambtenaren dat hebben nagelaten en dat ook anderszins niet is voorzien in een adequate verslaglegging, valt het openbaar ministerie zwaar aan te rekenen."
- In de eerste plaats heeft het hof geoordeeld dat in een aantal gevallen onvolkomen en onzorgvuldige verslaglegging heeft plaatsgevonden, in het bijzonder van verhoren van getuigen, en dat een en ander meebrengt dat gesproken kan worden van ernstige tekortkomingen. Vervolgens heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het processuele nadeel dat de verdediging door die gebreken zou kunnen ondervinden voldoende is gecompenseerd door de omstandigheid dat: a. van een groot aantal verhoren van getuigen audio-opnamen zijn gemaakt, b. de verdediging in de gelegenheid is geweest de desbetreffende audio-opnamen te beluisteren en de verslaglegging te controleren en becommentariëren, c. de verdediging in voorkomende gevallen tevens in de gelegenheid is geweest de getuigen [B] en [A], de verhorende verbalisanten alsmede mr. Teeven te ondervragen, en d. de verdediging daarvan ook gebruik heeft gemaakt. Op grond van een en ander is het hof tot de slotsom gekomen dat de door de verdediging aangevoerde gronden geen reden voor bewijsuitsluiting opleveren, nu de verdediging bedoelde verklaringen voldoende heeft kunnen controleren op juistheid en volledigheid en er dientengevolge omtrent de inhoud en strekking ervan voldoende duidelijkheid bestaat.
- Mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, zijn genoemde oordelen van het hof niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. De niet-naleving van art. 152 Sv is immers genoegzaam gecompenseerd door het beluisteren van de audio-opnamen en het horen van de getuigen, de verbalisanten en de officier van Justitie.
(16)Indien er naar de mening van de verdediging nog onduidelijkheid bestond werd zij op deze wijze voldoende in de gelegenheid gesteld om deze uit de wereld te helpen. Ook deze klacht is derhalve tevergeefs voorgesteld.
- Ten slotte behelst het middel de klacht dat het hof ten onrechte het door de verdediging gedane voorwaardelijk verzoek om alle beschikbare geluidsopnamen van verhoren te beluisteren heeft afgewezen, althans dat 's hofs afwijzing daarvan onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
- Bedoeld voorwaardelijk verzoek zoals dat ter terechtzitting van 27 mei 2009 bij dupliek is gedaan
(17)is een verzoek als bedoeld in art. 328 en art. 315 jo. art. 415 Sv. Maatstaf voor de beoordeling daarvan is of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij zijn beoordeling van het verzoek heeft het hof blijkens het bestreden arrest derhalve de juiste maatstaf gehanteerd. 's Hofs afwijzing van het voorwaardelijk verzoek omdat de noodzaak van het verzochte niet is gebleken is evenmin onbegrijpelijk en wel voldoende gemotiveerd. Hoewel immers sprake was van ernstige tekortkomingen, was het niet (meer) nodig de verdediging in de gelegenheid te stellen om alle beschikbare geluidsopnamen van verhoren te beluisteren, nu de gebreken voor zover van belang waren hersteld of gecompenseerd; temeer daar de verdediging niet heeft onderbouwd aan de hand van de door haar beluisterde geluidsopnamen dat "er met de wijze waarop getuigen in de [L]zaak zijn gehoord en met de wijze van verslaglegging structureel en niet incidenteel iets mis is." 65. Het tweede middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende overweging worden afgedaan. 66. Het derde middel, dat evenmin op het [C]dossier betrekking heeft, maar op het [K]dossier (feiten 7 en 8) keert zich tegen het oordeel van het hof dat het - kort gezegd - geen gronden aanwezig acht om de verklaringen afgelegd door de getuigen [B],
(18)[A] en [I] van het bewijs uit te sluiten. Daarnaast klaagt het middel dat het hof niet heeft gerespondeerd op het door de verdediging aangevoerde verweer dat de verklaringen van getuige [M] van het bewijs dienen te worden uitgesloten.
- Ik begin met de bespreking van de klacht ten aanzien het gebruik van de verklaringen van getuige [M] (punt 2.10).
- Blijkens de processen-verbaal van de terechtzittingen van het hof op 7 en 12 mei 2009 hebben de raadslieden van verzoeker overeenkomstig hun pleitnotitie en voor zover hier van belang het volgende aangevoerd: "
- Beginselen van een goede procesorde: over getuigen, oude onderzoeken, parallelle onderzoeken en mensen die opvallend goed wegkomen (...) De praktijk van het [L]-onderzoek: getuigen en beginselen van een goede procesorde (...) 7.7 Datzelfde
(19)geldt voor de wijze waarop Plooij heeft geopereerd tijdens het verhoor van de getuige [M] op 19 maart 2009. Nadat de verdediging ter terechtzitting van 13 maart 2009 gewezen heeft op concrete aanknopingspunten voor de stelling dat [C] niet door [verzoeker] maar door [F] is afgeperst, stelt Plooij zes dagen later aan [M] maar één vraag:
(20)'U vraagt mij of ik mij vergist kan hebben en dat [C] het niet over [verzoeker] maar over [F] had die hem afperste?' 7.8 Deze vraag op dat moment aan die getuige verraadt een onzuiver oogmerk. Dat is het juridische etiket voor een opstelling die ook gewoon een beetje kinderachtig is. (...) 9. Conclusie: over de (rechts)gevolgen (...) 9.6 Waarheidsvinding en een eerlijk proces zijn in deze zaak geen vanzelfsprekende uitgangspunten van het strafproces gebleken. (...) Zonder moeite kunnen wij die verweren, in hun onderlinge samenhang, presenteren als een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of in ieder geval met grove veronachtzaming van de belangen van [verzoeker] tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces.
(21)9.7 Maar [verzoeker] wil niet dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard. Hij wil dat hij wordt vrijgesproken van de beschuldiging dat hij [C] heeft afgeperst. Hij wil dat hij wordt vrijgesproken van de beschuldiging dat hij [K] heeft afgeperst. En hij wil dat hij wordt vrijgesproken van de beschuldiging dat hij [H] heeft afgeperst. Overeenkomstig die wens voeren wij geen verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. 9.8 Wel vragen wij uw gerechtshof dat materiaal v[an] het bewijs uit te sluiten dat direct wordt getroffen door de verweren die wij hiervoor hebben gevoerd. We denken op die plaatsen al voldoende te hebben toegelicht dat en waarom steeds sprake is van een aanmerkelijke schending van een belangrijk voorschrift. Alle overige verweren staan vooral in het teken van het besef dat alleen met een uiterst kritische toetsing van het door het openbaar ministerie gepresenteerde materiaal nog een beetje recht wordt gedaan aan de ambitie van waarheidsvinding." 69. Het hof heeft voor de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 als bewijsmiddel 111 - het bewijsmiddel waaraan de stellers van het middel refereren; zie punt 2.7 - gebezigd de verklaring van [M], afgelegd bij de rechter-commissaris op 23 november 2006 in het [L]-onderzoek. 70. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd heeft uitsluitend betrekking op de verklaring van [M], afgelegd bij de rechter-commissaris op 19 maart 2009 in het [N]-onderzoek. Het proces-verbaal van dit verhoor is door het hof op de terechtzitting d.d. 23 maart 2009 gevoegd in het dossier van de onderhavige zaak (het [L]-onderzoek).
(22)Het hof heeft deze verklaring echter niet als bewijsmiddel gebruikt voor de ten laste van verzoeker bewezenverklaarde feiten. Alleen de verklaring die [M] op 23 november 2006 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd is door het hof als bewijsmiddel gebezigd (zie onder 69).
- Aangezien de verdediging niets heeft aangevoerd omtrent de (on)bruikbaarheid van de door het hof als bewijsmiddel 111 gebezigde verklaring van [M], was het hof niet gehouden op enig door de verdediging aangevoerde verweer te responderen. Het middel klaagt in zoverre tevergeefs.
- Dan de bespreking van de klachten omtrent het gebruik van de verklaringen van [B], [A] en [I].
- Blijkens de processen-verbaal van de terechtzittingen van het hof op 7 en 12 mei 2009 heeft de verdediging overeenkomstig haar pleitnotitie aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [B] en [A] van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat het OM in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesorde en het recht van verzoeker op een eerlijk proces heeft geschonden door deze getuigen in het traject van bedreigde getuigen te betrekken, terwijl het OM redelijkerwijs moest vermoeden dat de verdediging deze getuigen op naam zou (willen) doen oproepen.
(23)Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat het OM de beginselen van een behoorlijke procesorde en het recht van verzoeker op een eerlijk proces heeft geschonden door [B] en [I] buiten aanwezigheid van de verdediging te horen en bij die gelegenheden terug te komen op onderwerpen die voordien in aanwezigheid van de verdediging met hen zijn besproken.
(24)- Het hof heeft deze verweren - voor zover relevant - als volgt verworpen: "B.
- Beginselen van een behoorlijke procesorde en het recht op een eerlijk proces De verdediging heeft aangevoerd dat de beginselen van een behoorlijke procesorde en het recht op een eerlijk proces zijn geschonden, doordat: a. [B] is voorgedragen voor de status van bedreigde getuige terwijl redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij op enig moment op naam door de verdediging zou worden opgeroepen; b. [B], na haar verhoor bij de rechter-commissaris op 22 maart 2007, op 27 augustus 2007 buiten aanwezigheid van de verdediging door de politie is gehoord; c. Thomas van der Bijl is voorgedragen voor de status van anonieme bedreigde getuige terwijl redelijkerwijs voorzienbaar was dat hij op enig moment op naam door de verdediging zou worden opgeroepen. d. nadat [I] ter terechtzitting in hoger beroep is gehoord, hij nogmaals buiten aanwezigheid van de verdediging door de politie is gehoord op 2 februari 2009, bij welk verhoor onderwerpen die ten overstaan van het gerechtshof zijn besproken, nogmaals aan de orde zijn gesteld; (...). Het hof overweegt als volgt. Zoals eerder overwogen behoeven alleen die verweren bespreking die de bruikbaarheid van het bewijsmateriaal dan wel een van de andere door het hof te nemen beslissingen raken. (...) Het verweer ten aanzien van de hier onder a, b, c en d genoemde gronden strekt kennelijk tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van de getuigen [B], [A] en [I]. Ad a en c. De wetgever heeft in de artikelen 226a e.v. Sv de procedure vastgelegd die door de officier van justitie gevolgd moet worden indien deze van oordeel is dat ter gelegenheid van het verhoor van een getuige diens identiteit verborgen moet worden gehouden. Daarbij zijn tevens de criteria geformuleerd wanneer daarvan sprake kan zijn. De rechter-commissaris toetst en beoordeelt een vordering, met dat doel door de officier van justitie gedaan, en beslist daarop. Tevens zijn in genoemde artikelen voorwaarden gesteld die er toe strekken dat de identiteit van die getuige gedurende het vervolg van de procedure verborgen blijft. De opvatting van de verdediging komt hierop neer dat in het geval het voor het openbaar ministerie redelijkerwijs voorzienbaar is dat de verdediging een getuige op naam zal willen doen oproepen, het om die reden - naast hetgeen in voormelde regelgeving is bepaald - de getuige niet mag betrekken in een traject als bedoeld in artikel 226a Sv. Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard, nu daarvoor in het recht geen aanknopingspunten zijn te vinden. Overigens is niet aannemelijk geworden dat de verdachte enig nadeel heeft ondervonden als gevolg van de bedoelde handelwijze van de officier van justitie. De identiteit van de desbetreffende getuigen is nadien bekend geworden. De verdediging heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheden de verklaringen van de getuigen te toetsen. Zo is [B] bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris gehoord en heeft toen ook de verdediging de getuige ondervraagd. Op band opgenomen verklaringen van [A] zijn door de verdediging beluisterd en verbatim uitgewerkt. Voor bewijsuitsluiting is op grond van het voorgaande geen plaats. Ad b. [B] is, na op 22 maart 2007 door de rechter-commissaris te zijn gehoord, in opdracht van de officier van justitie mr. Plooij opnieuw door de politie gehoord op 27 augustus
- Kennelijk had dit verhoor de strekking meer duidelijkheid te krijgen over de door haar bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring met betrekking tot een eerder door haar afgelegde verklaring op 3 november
- De verdediging kan worden toegegeven dat het voor de hand had gelegen haar uit te nodigen bij dit verhoor aanwezig te zijn om zo nodig vragen te stellen. Zij is echter nadien in hoger beroep in de gelegenheid gesteld de getuige opnieuw te ondervragen bij het verhoor van de getuige door de raadsheer-commissaris. Nu ook overigens niet aannemelijk is geworden dat de gewraakte handelwijze enig nadeel voor de verdachte ten gevolg heeft gehad, is voor bewijsuitsluiting geen plaats. Ad d. [I] is, na op 10 december 2008 als getuige ter terechtzitting in hoger beroep te zijn gehoord, door de politie gehoord op 2 februari
- Dit verhoor vond niet plaats in het onderhavige [L]onderzoek, maar in het [N]-onderzoek. In dit verhoor zijn deels onderwerpen aan de orde geweest die ook op de terechtzitting van het hof aan de orde zijn geweest, hetgeen geen bevreemding wekt, daar het [N]-onderzoek veel raakvlakken kent met, en de resultaten ervan voor een groot deel zijn gevoegd in, het [L]dossier. Van de zijde van de verdediging zijn geen verzoeken gedaan om na kennisneming van de inhoud van het bedoelde politieverhoor de getuige opnieuw te ondervragen. Nu evenmin is aangevoerd, noch aannemelijk geworden, dat de verdachte enig nadeel heeft ondervonden als gevolg van de gewraakte handelwijze, is voor bewijsuitsluiting geen plaats."
(25)- De eerste klacht keert zich tegen 's hofs overweging onder "Ad a en c" (zie hierboven). Gesteld wordt dat 's hofs oordeel onjuist is, voor zover dit inhoudt dat in het recht geen aanknopingspunten zijn te vinden voor de stelling dat het OM een getuige niet mag betrekken in het traject van bedreigde getuige, indien redelijkerwijs voorzienbaar is dat de verdediging deze getuige op naam zal (willen) doen oproepen. Dit 'verbod' vloeit volgens de stellers van het middel voort uit art. 6, eerste en derde lid onder d, EVRM, nu het handelen van het OM een schending oplevert van het 'practical and effective' recht van de verdediging om de desbetreffende getuige te ondervragen (punten 2.8-2.9).
- Het hof heeft met zijn oordeel dat voor de opvatting van de verdediging geen aanknopingspunten zijn te vinden in het recht bedoeld dat de enkele omstandigheid dat het OM een getuige betrekt in een traject conform artikel 226a Sv (het traject van bedreigde getuigen), terwijl redelijkerwijs voorzienbaar is dat de verdediging deze getuige op naam zal willen doen oproepen, op zichzelf nog geen schending oplevert van enig rechtsregel en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dit oordeel van het hof berust mijns inziens niet op een onjuiste rechtsopvatting; ik kan dit zelfs geen nieuwe rechtsvraag vinden.
- Anders dan de stellers van het middel zie ik niet in dat en waarom een dergelijke keuze van het OM zonder meer met zich meebrengt dat het recht van de verdediging om de aanvankelijk anonieme getuigen te ondervragen tot een 'theoretical or illusory' recht verwordt, en niet langer een 'practical and effective' recht is.
- Als wij het hebben over een 'practical and effective' ondervragingsrecht, dan hebben wij het volgens art. 6, eerste en derde lid onder d, EVRM over het volgende. Ik verwijs hierbij naar r.o. 101-102 van een vrij recent arrest van het EHRM, nl. EHRM 8 december 2009, nr. 44023/02 (Caka tegen Albanië): "101.(...) As a general rule, paragraphs 1 and 3 (d) of Article 6 require that the defendant be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him, either when he makes his statements or at a later stage of the proceedings (...) 102.(...) If the accused had sufficient and adequate opportunity to challenge such statements, at the time they were taken or at a later stage of the proceedings, their use does not run counter to the guarantees of Article 6 §§ 1 and 3 (d). The rights of the defence are restricted to an extent that is incompatible with the requirements of Article 6 if the conviction is based solely, or in a decisive manner, on the depositions of a witness whom the accused has had no opportunity to examine or to have examined either during the investigation or at trial (...)"
- Waar het om gaat is dat de verdediging in enig stadium van het geding (hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor) de reële mogelijkheid heeft gehad om de belastende verklaringen van [B] en [A] - al dan niet anoniem afgelegd - op hun betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door deze getuigen te (doen) ondervragen. Of de handelwijze van het OM uiteindelijk ertoe heeft geleid dat de verdediging geen reële mogelijkheid heeft gehad om de verzoeker belastende verklaringen van [B] en [A] - al dan niet anoniem afgelegd - op hun betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten, zal moeten blijken uit de concrete omstandigheden van het geval.
- Het hof heeft voor zover hier van belang dan ook overwogen dat de verdediging voldoende gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om de verklaringen van [B] en [A] te toetsen (zie onder 74), hetgeen de stellers van het middel ook niet betwisten. Dit in aanmerking genomen, is 's hofs oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker enig nadeel heeft ondervonden van de handelwijze van het OM niet onbegrijpelijk. De eerste klacht is tevergeefs voorgesteld.
- Indien het middel voorts beoogt te klagen dat 's hofs onder "b" en "d" gegeven overwegingen (zie onder 74) onbegrijpelijk zijn, merk ik op dat hetgeen thans wordt gesteld, nl. dat [B] en [I] niet meer onbevangen konden verklaren nadat zij door de officier van Justitie in afwezigheid van de verdediging waren verhoord (punt 2.11), niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd, omdat dit een feitelijk onderzoek vergt waarvoor in cassatie geen plaats is. Overigens acht ik de stelling onhoudbaar omdat zij uitgaat van het onjuiste principe "eens gezegd = altijd gezegd". Daarmee bijt de verdediging zich in haar figuurlijke staart omdat, aldus opgevat, een verhoor ter terechtzitting van een eerder door de politie gehoorde getuige, zinloos zou zijn.
- Het derde middel faalt en leent zich voor afdoening met de aan art. 81 RO ontleende overweging.
- Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de getuigenverklaringen van de voormalige raadsman van verzoeker, mr. A. Moskowicz, en van diens voormalige secretaresse, [O], vanwege inbreuk op hun respectievelijke (afgeleide) verschoningsrechten heeft verworpen, althans dat 's hofs verwerping daarvan onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
- Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen: "B.
- Inbreuk op verschoningsrechten? Door de verdediging is betoogd dat het verschoningsrecht van de voormalige raadsman van de verdachte, mr. A. Moszkowicz, en het daarvan afgeleide verschoningsrecht van diens voormalige secretaresse, [O], is geschonden, zodat hun uitlatingen niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Daartoe is het volgende aangevoerd. Voorafgaand aan haar verhoren op 24 februari 2005 en 18 juli 2006 is [O] weliswaar gewezen op haar verschoningsrecht, maar bij gelegenheid van haar verhoor bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat haar daarbij tevens is medegedeeld dat de te stellen vragen niet onder het verschoningsrecht vielen. Van afstand van het verschoningsrecht door [O] kan geen sprake zijn geweest, nu er geen informed consent was, omdat [O] in de veronderstelling verkeerde dat zij zou worden gehoord over het lekken van een strafdossier of over een diefstal op het kantoor van mr. Moszkowicz. Bovendien was het aan mr. Moszkowicz, als degene van wie het verschoningsrecht van [O] was afgeleid, te beoordelen of [O] kon afzien van de bevoegdheid tot verschoning. De omstandigheid dat zijn oordeel niet is ingewonnen, brengt reeds mee dat inbreuk is gemaakt op het verschoningsrecht. Voorts is het verschoningsrecht van mr. Moszkowicz geschonden doordat [P] en mr. Van Straelen uitlatingen van mr. Moszkowicz in een proces-verbaal hebben gerelateerd, niettegenstaande de geheimhoudingsplicht van mr. Moszkowicz en het uiterst vertrouwelijke karakter van zijn gesprek met [P] en mr. Van Straelen. Naar de Hoge Raad heeft geoordeeld, mogen gegevens die vallen onder het professionele verschoningsrecht immers geen deel uitmaken van de processtukken. Het hof overweegt en beslist als volgt. Hoewel het aanbeveling verdient verschoningsgerechtigden te wijzen op hun bevoegdheid zich te verschonen, heeft de wetgever opsporingsambtenaren daartoe niet verplicht (HR 30 augustus 2005, NJ 2005, 543). [O] heeft, nadat zij voorafgaand aan haar verhoor op 24 februari 2005 op haar verschoningsrecht was gewezen, verklaard dat zij begreep wat daarmee bedoeld werd; ook voorafgaand aan haar verhoor op 18 juli 2006 is [O] op haar verschoningsrecht gewezen. Voorts heeft zij bij het verhoor van 24 februari 2005 verklaard dat zij kort vóór dat verhoor met mr. Moszkowicz had gebeld, bij welke gelegenheid deze haar had gezegd dat zij naar waarheid moest verklaren en haar had herinnerd aan een eerder gesprek van haar met de politie over bezoeken van de verdachte aan het kantoor van mr. Moszkowicz. Bij deze stand van zaken kan niet worden aangenomen dat bij de bedoelde verhoren van [O] inbreuk is gemaakt op haar verschoningsrecht of dat van mr. Moszkowicz. Indien [O] in de veronderstelling verkeerde dat zij zou worden gehoord over het lekken van een strafdossier of over een diefstal op het kantoor van mr. Moszkowicz, maakt dat het voorgaande niet anders. De suggestie dat aan mr. Moszkowicz de beslissing had moeten worden gelaten of [O] zich bij de beantwoording van bepaalde vragen diende te verschonen, vindt geen steun in het recht. De omstandigheid dat de verhorende opsporingsambtenaren [O] hebben medegedeeld dat de beantwoording van hun vragen niet onder het verschoningsrecht viel, indien die aannemelijk zou kunnen worden geacht, kan aan voormeld oordeel niet afdoen. Het proces-verbaal van [P] en mr. Van Straelen van 27 januari 2006, waarin een gesprek met mr. Moszkowicz op 1 december 2003 over een bedreiging door onder anderen [verzoeker] op het kantoor van mr. Moszkowicz is gerelateerd, houdt in dat aan mr. Moszkowicz is medegedeeld dat het gesprek vooralsnog een vertrouwelijk karakter had, maar dat dit niet meer het geval zou zijn als mr. Moszkowicz aan een ander of anderen de inhoud van het gesprek geheel of gedeeltelijk bekend zou maken. Voorts houdt het proces-verbaal in dat enige tijd na 1 december 2003 bleek dat mr. Moszkowicz de inhoud van het gesprek bekend had gemaakt aan de journalist [I]. Mr. Moszkowicz heeft bij brief van 3 februari 2006 gedeeltelijk ontkend de door [P] en mr. Van Straelen gerelateerde uitlatingen te hebben gedaan, maar niet betwist dat hem het voorwaardelijk vertrouwelijke karakter van het gesprek is medegedeeld. Evenmin heeft hij betwist dat hij [I] verteld had over de inhoud van het gesprek; [I] heeft zelf verklaard dat hij van mr. Moszkowicz had gehoord dat deze door [P] was toegesproken over een 'dreigingsincident' op het kantoor van mr. Moszkowicz (Dl-0216). Niet is gebleken dat mr. Moszkowicz zich tijdens het gesprek met [P] en mr. Van Straelen heeft beroepen op zijn verschoningsrecht noch heeft hij daaromtrent iets vermeld in zijn brief van 3 februari 2006, terwijl hij in zijn hoedanigheid van advocaat bij uitstek ervan op de hoogte moet zijn geweest in welke gevallen hij zijn verschoningsrecht kon inroepen. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het verschoningsrecht van mr. Moszkowicz ook in dit geval niet is geschonden. Het verweer wordt derhalve verworpen."
- De eerste klacht van het middel richt zich tegen 's hofs oordeel dat er rechtens geen steun is voor de suggestie dat aan mr. Moszkowicz de beslissing had moeten worden gelaten of [O] zich bij de beantwoording van bepaalde vragen diende te verschonen.
- Het volgende moet worden vooropgesteld: aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.
(26)Het hier aan de orde zijnde professionele verschoningsrecht van advocaten is dus niet onbeperkt, maar geldt blijkens de tekst van art. 218 Sv "alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd". Voorts wordt algemeen aanvaard dat de plicht tot geheimhouding van de advocaat niet alleen geldt voor hemzelf, doch ook voor het te zijnen kantore werkzame personeel, en dat aan de desbetreffende personeelsleden op grond daarvan een afgeleid verschoningsrecht toekomt. Deze uitbreiding is op praktische gronden geboden, omdat anders het recht en de plicht van de advocaat tot geheimhouding voor een belangrijk gedeelte illusoir zouden worden, gelet op de voor de advocaat bestaande noodzaak bedoelde personeelsleden bij zijn werkzaamheden te betrekken. Wat dit laatste betreft, geldt - volgens de Hoge Raad - dat "de aard van de hier aan de orde zijnde afgeleide bevoegdheid tot verschoning [mee]brengt dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of stukken object van de afgeleide bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de persoon van wie het verschoningsrecht is afgeleid."
(27)87. Art. 218 Sv bepaalt o.a. dat van het geven van getuigenis zich kunnen verschonen zij die uit hoofde van hun beroep tot geheimhouding verplicht zijn, maar alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. De advocaat, die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, kan zich van het geven van getuigenis verschonen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Het object van verschoning is beperkt tot de wetenschap die de advocaat in de normale uitoefening van zijn beroep pleegt te verkrijgen. Dit betekent dat (het verkrijgen van) die informatie in functioneel verband moet staan tot de werkzaamheden die behoren bij de gebruikelijke uitoefening van de professie van de advocaat (namelijk die van rechtshulpverlener), bestaande uit het verlenen van rechtsbijstand en het geven van juridisch advies.
(28)Ik citeer uit het proefschrift van Spronken: "De woorden 'als zoodanig' impliceren dat het moet gaan om informatie die in het kader van de beroepsuitoefening is verkregen. Dit betekent bijvoorbeeld dat de advocaat die getuige is van een misdrijf, ten aanzien van wat hij heeft gezien geen beroep kan doen op zijn verschoningsrecht, omdat datgene waarvan hij getuige is geweest niet in het kader van de hulpverlening aan hem is toevertrouwd. Ook wordt aangenomen dat de advocaat die al dan niet bewust meewerkt aan frauduleuze of illegale handelingen, ten aanzien van deze feiten geen verschoningsrecht toekomt, omdat deze niet behoren tot de normale uitoefening van zijn functie. De woorden 'als zoodanig' betekenen verder dat de werkzaamheden die de advocaat verricht, moeten behoren tot werkzaamheden die behoren bij de normale uitoefening van de functie, namelijk het verlenen van rechtsbijstand."
(29)De vraag is daarbij welke informatie wordt toevertrouwd. Spronken: "In de jurisprudentie wordt het begrip 'toevertrouwd' ruim uitgelegd. Het gaat hierbij om alle informatie die de beroepsbeoefenaar bij de uitoefening van zijn werkzaamheden ontvangt. Hieronder valt niet alleen de informatie van de cliënt, maar vallen alle waarnemingen en ondervindingen in het kader van de hulpverlening, inclusief ongewild of toevallig verkregen informatie en inclusief informatie van derden. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen meer of minder vertrouwelijke gegevens" (p. 397). 88. Kern is dat het om informatie gaat die de beroepsuitoefenaar bij de uitoefening van zijn werkzaamheden ontvangt, de normale beroepsuitoefening dus. Van Domburg heeft dit nog nader gepreciseerd: "Het verschoningsrecht beperkt zich tot de wetenschap die de vertrouwenspersoon 'als zoodanig' is toevertrouwd. Hiervan is sprake indien de vertrouwenspersoon de wetenschap in de normale uitoefening van zijn werkzaamheden pleegt te verkrijgen. Dit betekent, aldus Langemeijer, dat de wetenschap in functioneel verband moet staan tot de werkzaamheden. Ik zou deze formulering willen aanvullen door niet te spreken van 'in functioneel verband' maar van 'in zuiver functioneel verband'. Dit sluit beter aan bij de formulering dat de wetenschap in de normale uitoefening moet worden verkregen. Ter illustratie het volgende voorbeeld. Wanneer een hulpzoekende te kwader trouw een vertrouwenspersoon alleen maar gebruikt als dekmantel voor illegale praktijken, zal laatstgenoemde zich niet op een verschoningsrecht kunnen beroepen. Immers de wetenschap die het subject is toegekomen, is hem dan niet als vertrouwenspersoon in de normale uitoefening van zijn werkzaamheden verkregen. De wetenschap heeft het subject echter wel in de uitoefening van zijn functie verkregen: er is dus sprake van een functioneel verband. Dit functioneel verband is alleen niet zuiver. De functie is als het ware misbruikt."
(30)89. Aangezien het verschoningsrecht zich niet uitstrekt tot het door advocaten faciliteren van het begaan van strafbare feiten door hun cliënten, moet 's hofs kort geformuleerde oordeel dus wel in bovenstaande zin worden uitgelegd; anders zou een advocatenkantoor in die zin een vrijplaats worden voor het begaan van strafbare feiten, dat aldaar aanwezig personeel geen getuigenis behoeft af te leggen over daar te plegen en daadwerkelijk gepleegde strafbare feiten. Met het doortrekken van het verschoningsrecht ad absurdum lijkt mij munitie te worden geleverd voor een verdere beperking van het toch al onder druk staande verschoningsrecht voor advocaten.
(31)Zou de secretaresse geen aangifte mogen doen indien zij door een 'zeden'cliënt van haar werkgever op diens advocatenkantoor zou worden verkracht? 90. Een korte blik over de grenzen leert dat in Duitsland, Frankrijk en Zwitserland het verschoningsrecht beperkt is tot zaken die bij de uitoefening van het vertrouwensberoep worden toevertrouwd of bekend zijn geworden;
(32)alle vertrouwelijke mededelingen gedaan vanwege die beroepsuitoefening;
(33)geheimen die op grond van het beroep worden toevertrouwd of waarvan bij de uitoefening van zijn beroep wordt kennisgenomen.
(34)Een heldere afgrenzing vond ik ook nog in de Verenigde Staten: "Not only must there be an attorney-client relationship, but the communication must be related to the seeking of legal advice. As a result, it might be concluded that communications do not fall within the scope of the attorney-client privilege based on the extent to which the client is seeking business advice or technical advice. Also, because the communications must be in confidence, if a third party not having a common interest is allowed to be present during the communications or if it is intended that the communications be delivered to a third party, the attorney-client privilege will not apply."
(35)- Voor zover bekend had de bijeenkomst op het kantoor van mr. Moszkowicz geen betrekking op rechtsbijstand, maar op een zakelijke deal (afpersing), terwijl bovendien derden aanwezig waren, van wie een enkeling een vuurwapen in de buik van [C] drukte (o.a. bewijsmiddelen 1, 68, 69, 70, 112.a, 112.b, 112.c). Er waren dus derden bij betrokken op wie het verschoningsrecht überhaupt geen betrekking had.
- Weliswaar kwam [O] op grond van haar hoedanigheid van secretaresse van mr. Moszkowicz een afgeleid verschoningsrecht toe, maar alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan mr. Moszkowicz in zijn hoedanigheid van advocaat was toevertrouwd en waarbij hij zijn secretaresse had betrokken. [O] werd destijds verhoord over het zogeheten 'kantoorincident' waarvan zij getuige was geweest. Dit betrof een bedreiging van het slachtoffer [C] door onder anderen verzoeker op het kantoor van mr. Moszkowicz waarbij laatstgenoemde zelf niet aanwezig was. Voornoemde klacht faalt reeds omdat de door het hof voor het bewijs gebezigde verklaring van getuige [O]
(36)niet onder haar verschoningsrecht viel. Die verklaring gaat namelijk niet over haar wetenschap van een door verzoeker aan zijn advocaat toevertrouwd geheim, maar over haar eigen waarneming van een door verzoeker en anderen op het kantoor van zijn advocaat jegens een derde gepleegd strafbaar feit.
- Hoewel het niet nodig is nog aandacht te besteden aan alternatieve gronden voor verwerping, doe ik dat voor de aardigheid toch: a. mr. Moszkowicz had [O] opgedragen naar waarheid te verklaren, in welke opdracht gelezen kan worden dat ook hijzelf op dat moment vond dat het (afgeleide) verschoningsrecht niet speelde; en b. ook al zou [O] bevoegd zijn geweest om zich te verschonen, dan nog was het uiteindelijk zijzelf die eventueel tegen de opdracht van haar werkgever in had moeten bepalen of zij de vragen wilde beantwoorden (wat ook de consequenties voor haar zelf en haar positie zouden zijn).
- In al zijn kortheid is de motivering van 's hofs oordeel dat de suggestie dat aan mr. Moszkowicz de beslissing had moeten worden gelaten of [O] zich bij de beantwoording van bepaalde vragen diende te verschonen 'geen steun vindt in het recht', dan ook niet onjuist en niet in strijd met de hierboven geciteerde uitspraak van de Hoge Raad. Immers: als [O] al niet bevoegd was om zich te verschonen, was het ook niet aan mr. Moszkowicz om te beslissen of zijn secretaresse de vragen had moeten beantwoorden.
- De tweede klacht richt zijn pijlen op 's hofs overweging dat noch de omstandigheid dat [O] in de veronderstelling verkeerde dat zij zou worden gehoord over het lekken van een strafdossier of over een diefstal op het kantoor van mr. Moszkowicz noch de omstandigheid dat de verhorende opsporingsambtenaren [O] hadden medegedeeld dat de beantwoording van hun vragen niet onder het verschoningsrecht viel, kan afdoen aan het oordeel van het hof dat geen inbreuk is gemaakt op de verschoningsrechten van [O] en mr. Moszkowicz.
- Uit het voorafgaande volgt dat de verklaring van getuige [O] niet onder het verschoningsrecht van mr. Moszkowicz viel en daarmee ook niet onder het afgeleide verschoningsrecht van [O]. 's Hofs oordeel dat geen inbreuk is gemaakt op hun respectievelijk verschoningsrecht is dus niet onjuist en wel genoegzaam gemotiveerd. De hiertegen gerichte klacht treft reeds daarom geen doel. Nu er in dit geval geen bevoegdheid was om zich te verschonen, kon ook geen afstand van het verschoningsrecht worden gedaan.
- De derde klacht gaat over 's hofs overweging dat mr. Moszkowicz bij brief van 3 februari 2006 niet heeft betwist dat hem het 'voorwaardelijk vertrouwelijke' karakter van het gesprek op 1 december 2003 is medegedeeld. Deze overweging is onbegrijpelijk en in strijd met de inhoud van voormelde brief, aldus het middel.
- De bewuste brief van mr. Moszkowicz wordt geciteerd in de door de raadslieden aan het hof overgelegde pleitnotitie d.d. 7 en 12 mei 2009 (p. 65-66). Voor zover hier van belang houdt die brief het volgende in: "Dat gesprek, meneer Van Straelen, heeft op Uw uitdrukkelijke verzoek plaatsgevonden. Het gesprek werd door U als dringend aangemerkt.(...) Waar U in dat gesprek de suggestie in het leven riep als zou dat gesprek (dat niet anders dan uiterst vertrouwelijk kon zijn; als mijn secretaresse een geheimhoudingsplicht heeft, wat denkt U dan dat ik heb omtrent mijn contacten met cliënten. Dat ik even kan gaan kouten met een CIE-officier en het hoofd van de CIE?!) ... als zou dat gesprek dus het karakter hebben van een gesprek waarmee mijn belangen zouden moeten zijn gediend, is thans duidelijk dat hier sprake was van een gesprek dat is gebruikt om een wig te drijven tussen mij en mijn cliënt, waarbij ook nog eens sprake is van een vertekening van hetgeen is besproken. Ik licht dat toe. Ik ben in dat gesprek geconfronteerd met een tweetal mededelingen. De mededelingen namelijk:
- dat de indruk bestond dat druk door mijn cliënt [verzoeker] werd gelegd en dat die de baas zou zijn op mijn kantoor. Ik heb dat in ondubbelzinnige termen van de hand gewezen; ik heb dat als onzin betiteld;
- In die context is ook gesproken over de informatie die U had bereikt, als zou hier op kantoor een bedreiging hebben plaatsgevonden. Ik heb toen te kennen gegeven dat ik dat verhaal eerder had gehoord. Ik hoefde dat niet te zeggen, maar ik heb daar de waarheid over gesproken; dat verhaal deed de ronde. Ik heb nimmer de juistheid van dat verhaal bevestigd. Houdt U mij voor een imbeciel? Zelfs al zou het juist zijn, quod uitdrukkelijk non, dan zou ik er toch voor waken dat aan U te bevestigen? Ik zou dan niet alleen mijzelf in grote problemen hebben gebracht, maar zou ook nog eens een keer zelf informatie hebben aangeleverd die als potentieel belastend jegens mijn cliënt (...) zou kunnen hebben te gelden.(...) Ik heb het niet bevestigd, sterker nog; het is naar mijn beste weten niet gebeurd.(...) Het is volstrekt laakbaar dat onder deze omstandigheden een uiterst vertrouwelijk onderhoud, waarbij een geheimhouder tot uitlatingen wordt bewogen omtrent contacten met zijn cliënten, zoveel tijd later in proces-verbaalvorm opduikt, zonder dat ik, de geheimhouder, zelfs maar de meest elementaire gelegenheid krijg om de inhoud van het verslag van dat gesprek te verifiëren."
- Voor de beoordeling van de klacht is de inhoud van de volgende twee door het hof voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen van belang:
(37)- een proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten d.d. 27 januari 2006 (bewijsmiddel 68), inhoudende: "Naar aanleiding van binnengekomen informatie hebben wij per brief mr. A. Moszkowicz verzocht voor een gesprek op 1 december 2003 op het hoofdbureau van politie te komen. Dit gesprek heeft toen ook met ons beiden plaatsgevonden. Ik, [P], deelde mr. Moszkowicz mee dat de CIE had vernomen dat personen door of vanwege mr. Moszkowicz naar zijn kantoor zijn ontboden en daar op ernstige wijze werden bedreigd door onder anderen [verzoeker] en [Q]. Mr. Moszkowicz gaf hierop direct toe dat een dergelijk incident één maal had plaatsgevonden. Hij zei dat [verzoeker] misbruik van de situatie had gemaakt, door middel van de secretaresse van Moszkowicz X en Y had ontboden en dezen vervolgens had bedreigd. Hij gaf voorts te kennen dat [verzoeker] wel heel vaak op het kantoor verscheen, vaak ook zonder reden, en dat de situatie zeer ongezond was." - een kopie van een brief van mr. Moszkowicz d.d. 3 februari 2006 (bewijsmiddel 69), inhoudende, zakelijk (dus niet woordelijk gelijkluidend aan hetgeen in 98 staat) weergegeven: "Op 1 december 2003 heeft op verzoek van mr. Van Straelen een gesprek tussen hem, [P] en mij plaatsgevonden. In dat gesprek ben ik onder meer geconfronteerd met de mededeling dat mr. Van Straelen de informatie had bereikt als zou hier op kantoor een bedreiging hebben plaatsgevonden. Ik heb toen te kennen gegeven dat ik dat verhaal eerder had gehoord. Ik heb daarover de waarheid gesproken."
- Anders dan de klacht stelt doet noch het feit dat in de brief van mr. Moszkowicz staat dat het gesprek van 1 december 2003 "niet anders dan uiterst vertrouwelijk kon zijn" noch het feit dat hij daarin gedeeltelijk heeft ontkend zijn door [P] en mr. Van Straelen gerelateerde uitlatingen te hebben gedaan, af aan de begrijpelijkheid van 's hofs overweging dat mr. Moszkowicz niet heeft betwist dat hem het 'voorwaardelijk vertrouwelijke' karakter van het gesprek op 1 december 2003 is medegedeeld. Ofschoon bedoeld gesprek inderdaad 'uiterst vertrouwelijk' was wordt niets wat in dat gesprek aan de orde was beschermd door het verschoningsrecht (zie ook hierna, onder 102) terwijl evenmin - zoals het hof heeft overwogen - gebleken is dat hij zich tijdens het gesprek heeft beroepen op zijn verschoningsrecht noch heeft hij daaromtrent iets vermeld in bovengeciteerde brief. Sterker nog: niettegenstaande het feit dat aan mr. Moszkowicz is medegedeeld dat het gesprek vooralsnog een vertrouwelijk karakter had, maar dat dit niet meer het geval zou zijn als hij de inhoud van het gesprek (deels) bekend zou maken, is - zoals het hof voorts overweegt - niettemin gebleken dat hij enige tijd na het 'vertrouwelijk' gesprek de inhoud daarvan bekend had gemaakt aan de journalist [I]. Klaarblijkelijk vond mr. Moszkowicz het karakter van het gesprek zelf ook niet zo 'uiterst vertrouwelijk' dat hij zich verplicht voelde de inhoud ervan geheim te houden. 's Hofs oordeel dat ook in dit geval onder deze omstandigheden het verschoningsrecht van mr. Moszkowicz niet is geschonden is daarom onjuist noch onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
- De laatste, vierde, klacht van het middel handelt over 's hofs gebruik voor het bewijs van de brief van verzoekers toenmalige raadsman mr. Moszkowicz d.d. 3 februari 2006 (zie hierboven onder punt 99). Mededelingen van een raadsman kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt, ook niet - zo stelt het middel - indien deze niet ter terechtzitting maar wel in het kader van de verlening van rechtsbijstand aan zijn cliënt zijn gedaan.
- Nu de door het hof gebezigde inhoud van de brief van mr. Moszkowicz mededelingen betreffen die hij noch ter terechtzitting noch in zijn hoedanigheid van raadsman heeft gedaan, kunnen deze door hem gedane mededelingen ingevolge art. 339, eerste lid, Sv als wettig bewijsmiddel worden aangemerkt, zodat het hof de bewezenverklaring mede op voornoemde mededelingen heeft kunnen doen steunen.
(38)In die brief heeft mr. Moszkowicz immers mededelingen gedaan over het op 1 december 2003 plaatsgevonden hebbende gesprek tussen hem, mr. Van Straelen en [P]. Onderwerp van gesprek was de CIE-informatie dat personen, waaronder het slachtoffer [C], naar het kantoor van mr. Moszkowicz waren ontboden en daar werden bedreigd door onder anderen verzoeker. In dat gesprek is mr. Moszkowicz niet in de hoedanigheid van raadsman van verzoeker opgetreden, maar is hij verhoord over een strafbaar feit dat op zijn kantoor had plaatsgevonden. De in de bewuste brief vervatte mededelingen over dat gesprek kon het hof dus voor het bewijs gebruiken. Aan dat gebruik doet niet af dat mr. Moszkowicz destijds ook rechtsbijstand aan verzoeker verleende.
- Gezien het vorenoverwogene getuigt 's hofs verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de getuigenverklaringen van mr. Moszkowicz en [O] vanwege inbreuk op hun respectievelijke (afgeleide) verschoningsrechten, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
- Het vierde middel faalt. Dat de waarneming door een secretaresse van een advocaat op diens kantoor van de omstandigheden waaronder op dat kantoor door een cliënt van die raadsman een strafbaar feit wordt begaan niet onder het verschoningsrecht valt acht ik een zó uitgemaakte zaak dat toepassing zou kunnen worden gegeven aan art. 81 RO. Ook de overige klachten vergen geen bespreking door Uw Raad. Anderzijds kan het geen kwaad indien Uw Raad klip en klaar aangeeft wie de baas behoort te zijn op een advocatenkantoor: de cliënt (die door zijn raadsman daar de vrije hand wordt gelaten omdat hij kennelijk niet tegen hem opgewassen is) of de advocaat.
- Ik weersta de aanvechting om meteen door te stoten naar het elfde middel, dat de betrouwbaarheid van de verklaring van de secretaresse aan de orde stelt in verband met de in de krant verschenen publicaties over het kantoorincident en ga voort met de numerieke volgorde van de schriftuur.
- Het vijfde middel komt in de kern op tegen 's hofs oordeel dat art. 126l Sv niet van toepassing is op de achterbankgesprekken tussen [C] en de CIE-rechercheurs, omdat deze gesprekken geen "vertrouwelijke communicatie" zijn in de zin van voornoemde bepaling. Volgens de stellers van het middel berust het oordeel van het hof op een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het onbegrijpelijk.
- Het hof heeft zijn oordeel dat art. 126l Sv niet van toepassing is op de achterbankgesprekken als volgt gemotiveerd: "C. Verweren en verzoeken met betrekking tot het [C]dossier C.l. De bruikbaarheid van de achterbankgesprekken Door de verdediging is betoogd dat de weergaven van de door [C] gevoerde gesprekken met de CIE (nader te noemen: de achterbankgesprekken) op verscheidene gronden niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daartoe is, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd: a. Artikel 126l Sv is geschonden nu diverse achterbankgesprekken van [C] met een technisch hulpmiddel zijn opgenomen, zonder dat daaraan een bevel van de officier van justitie en een machtiging van de rechter-commissaris ten grondslag lag. Evenmin is ter zake aan de verbaliseringsverplichting voldaan. (...) Het hof overweegt en beslist hieromtrent als volgt. Ad a. Artikel 126l Sv Artikel 126l Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt.
- In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel b, vertrouwelijke communicatie opneemt met een technisch hulpmiddel.
- (...)
- Het bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie is schriftelijk (...).
- Het bevel kan slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.(...)
- (...)
- Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de officier van justitie voor wijziging, aanvulling of verlenging een machtiging van de rechter-commissaris behoeft. (...)
- (...)
- Van het opnemen wordt binnen drie dagen proces-verbaal opgemaakt. Artikel 126l Sv is tot stand gekomen naar aanleiding van voorstellen van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (commissie-Van Traa) als onderdeel van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden. In de Memorie van Toelichting van deze wet is - voor zover hier van belang - onder meer het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1996-1997, 25403, nr. 3). Bij enkele in titel V geregelde bevoegdheden, namelijk het opnemen van telecommunicatie en het opnemen van vertrouwelijke communicatie, dat zijn de meest op de grondrechten van burgers ingrijpende bevoegdheden, is de kring van personen beperkt tot personen ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat zij betrokken zijn bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van ernstige misdrijven. (...) Onder vertrouwelijke communicatie moet worden verstaan de uitwisseling van berichten tussen twee of meer personen die in beslotenheid plaatsvindt. Vertrouwelijke communicatie kan op zeer verschillende wijzen plaatsvinden: bijvoorbeeld door het gesproken of geschreven woord, of door de overdracht van signalen via de ether of de kabel. Onder vertrouwelijke communicatie valt bijvoorbeeld een in beslotenheid gevoerd gesprek, een niet openbaar e-mailbericht, of niet voor het publiek bestemd radioverkeer. (...) De bevoegdheid tot het opnemen van communicatie opent de mogelijkheid, zonder medewerking van een aanbieder van telecommunicatie, communicatie op internet op te nemen met een technisch hulpmiddel. (...) De bevoegdheid tot het opnemen van communicatie houdt in dat technische apparatuur mag worden geplaatst waarmee communicatie wordt opgevangen en geregistreerd. Anders dan bij de telecommunicatietap, kan, om de communicatie te onderscheppen, geen gebruik worden gemaakt van faciliteiten die aanwezig zijn bij telecommunicatieaanbieders. Vaak zal het opnemen van communicatie pas mogelijk zijn door in de omgeving van de persoon die onderwerp van onderzoek is, technische apparatuur te plaatsen. Hierbij moet vooral worden gedacht aan kleine microfoons, ook wel bugs genoemd. Deze kunnen worden geplaatst in een ruimte waarin, of op een voorwerp in de buurt waarvan of waarmee naar verwachting de verdachte of een andere persoon die van belang is voor het onderzoek, gesprekken zal voeren of op ander wijze zal communiceren. (...) Denkbaar is ook dat gesprekken worden afgeluisterd met zogenaamde richtmicrofoons, waarmee vanaf een afstand signalen worden opgevangen. Deze methode zal echter vaak niet werkbaar zijn, omdat een veelheid aan geluiden dermate storend zal werken, dat het beoogde gesprek nauwelijks kan worden verstaan. (...) Onder de regeling vallen niet die situaties waarin vertrouwelijke communicatie kan worden onderschept zonder gebruik van een technisch hulpmiddel. Wanneer deelnemers aan een gesprek in het openbaar zo praten dat zij door anderen zijn te verstaan, kunnen zij weten dat zij kunnen worden afgeluisterd. Indien dit gebeurt, is er geen sprake van privacyschending. Wanneer een opsporingsambtenaar kennis kan nemen van een gesprek, omdat hij in een café zit, naast het tafeltje van de personen die het gesprek voeren, dan heeft hij hiervoor geen bevel van de officier van justitie nodig. (...) Het voorgestelde artikel 126l, eerste lid, voorziet in de bevoegdheid tot opname van vertrouwelijke communicatie in geval er een geconcretiseerde verdenking is. Dit artikellid vereist niet dat het gaat om communicatie waaraan de verdachte deelneemt. Evenals bij de telefoontap staat de waarheidsvinding centraal. Het kan zijn dat het belang van waarheidsvinding juist verlangt dat communicatie waaraan andere personen dan de verdachte deelnemen, wordt opgenomen omdat dit cruciale informatie voor de opheldering van het misdrijf zou kunnen opleveren. Deze bevoegdheid maakt dus niet alleen inbreuk op de rechten van de verdachte, maar ook op die van derden. Mede daarom zijn de waarborgen waarmee deze bevoegdheid is omgeven, zoals de rechterlijke toets, de beperking tot misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken en de termijn van vier weken, in vergelijking met de overige bevoegdheden aanzienlijk. (...) Het opnemen van communicatie met medeweten van één van de deelnemers aan de communicatie, valt onder de regeling. De PEC heeft een regeling van deze situatie aanbevolen. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een infiltrant opnameapparatuur bij zich draagt, en deze inschakelt, wanneer hij bij de uitvoering van zijn taak gesp