Nr. 08/04423 MR. C.W.M. VAN BALLEGOOIJEN 5 maart 2010 Conclusie inzake: [Eiser 1] en [eiser 2] tegen Provincie Zuid-Holland
(1422), NJ 2006/655 (Staat/Vollering). 4.6 De Rechtbank heeft haar oordeel in r.o. 17 dat geen sprake is van een dwangbestemming gebaseerd op het deskundigenrapport, waarin naar luid van r.o. 14 is vastgesteld dat de gemeente kan worden aangemerkt als initiatiefnemer voor de omleidingsweg N219 en dat de keuze voor het beoogde tracé mede tot stand is gekomen door toedoen van de gemeente. Het oordeel van de Rechtbank behelst geen onjuiste rechtopvatting en berust bovendien op een waardering van de feiten en is mijns inziens voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. 4.7 Het tweede onderdeel faalt. Onderdeel 3 4.8 Het derde onderdeel gaat uit van een a contrario benadering van artikel 39 Onteigeningswet. Op grond van dit artikel dient bij de berekening van de schadevergoeding niet te worden gelet op veranderingen die kennelijk tot stand zijn gebracht met het doel de schadevergoeding te verhogen. Eisers menen dat in het onderhavige geval sprake is van een omgekeerde situatie. Evenmin wordt gelet op veranderingen die tot stand zijn gebracht na de formele tervisielegging van het onteigeningsplan, tenzij het normale of noodzakelijke veranderingen betreft die aansluiten bij de aard en de wijze van gebruik van de onroerende zaak ten tijde van die nederlegging. 4.9 Eisers menen dat uit artikel 39 Onteigeningswet a contrario kan worden afgeleid dat de onteigenende partij geen veranderingen aan de te onteigenen zaak aan mag brengen om zo de voor de eigendomsontneming verschuldigde schadeloosstelling te verlagen. De bestemmingwijziging in de bestemming verkeersdoeleinden zou als een dergelijke verandering moeten worden aangemerkt. 4.10 Ik meen echter dat noch in de tekst van artikel 39 Onteigeningswet, noch in de jurisprudentie aanknopingspunten zijn te vinden voor een a contrario benadering zoals eisers die naar voren hebben gebracht. 4.11 Het derde onderdeel faalt derhalve. Tweede principale middel: Onderdeel 1 4.12 De motivering voor de bepaling van de waarde van het te onteigenen perceelgedeelte is onjuist, althans onbegrijpelijk, aldus het eerste onderdeel. Eisers stellen dat de Rechtbank zonder nadere motivering de door hen voorafgaand aan het pleidooi in eerste aanleg overlegde stukken heeft gepasseerd. 4.13 Vooropgesteld dient te worden dat de onteigeningsrechter in beginsel vrij is in zijn keuze van de wijze van waardering van het onteigende en dat hij niet gehouden is in te gaan op elk ingebracht stuk. Zijn keuze mag evenwel niet in strijd zijn met het onteigeningsrecht en dient op voldoende en begrijpelijke wijze te worden gemotiveerd, zie het arrest van de Hoge Raad van 2 mei 1973, NJ 1973/498 (Staat/Van der Kooij). In dit kader meen ik dat het oordeel van de Rechtbank geen onjuiste rechtopvatting behelst. Het berust bovendien op een feitelijke waardering en is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. 4.14 Het eerste onderdeel faalt. Onderdeel 2 4.15 Het tweede onderdeel betoogt dat de Rechtbank ten onrechte de wijziging in de peildatum niet heeft verdisconteerd in de waardebepaling. In het deskundigenrapport is de dag van ingebruikgeving van de grond, 1 april 2008, gehanteerd als peildatum. De Rechtbank is hiervan afgeweken en heeft de peildatum in r.o. 13 bepaald op de datum van het eindvonnis, 20 augustus
- De omstandigheid dat niet de datum van ingebruikgeving maar de datum van het eindvonnis bepalend is, maakt volgens de Rechtbank onder de omstandigheden van het geval geen verschil voor de waardebepaling. Eisers stellen echter dat op de nieuwe peildatum de planologische ontwikkelingen met betrekking tot de Zuidplas (aanleg van stedelijk gebied) veel concreter waren, op 19 juni 2008 is namelijk een voorontwerpbestemmingsplan Zuidplan West ter inzage gelegd, dan op de datum van ingebruikneming van de gronden door verweerster. 4.16 De waarde van te onteigenen zaken wordt in belangrijke mate bepaald door de planologische bestemming, zowel de bestaande als de bestemming die op de peildatum te verwachten is indien deze laatste invloed heeft op de prijs in het commerciële verkeer. Ik meen echter dat het ter inzage gelegd worden van een voorontwerpbestemmingsplan niet kan worden aangemerkt als een planologische ontwikkeling die invloed heeft op de waarde van het te onteigenen goed. Het voorontwerpbestemmingsplan maakt immers deel uit van de voorbereidingsfase bij het tot stand komen van een bestemmingsplan. Hieraan kunnen mijns inziens nog geen voldoende concrete verwachtingen ten aanzien van de definitieve bestemming worden ontleend. Het oordeel van de Rechtbank in r.o. 20 behelst derhalve geen onjuiste rechtopvatting en berust bovendien op een feitelijke waardering en is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Dit laatste geldt ook voor het oordeel van de Rechtbank dat het voor de waarde van dit onteigende geen verschil maakt of de datum van ingebruikgeving dan wel de datum van het vonnis bepalend is. 4.17 Het tweede onderdeel faalt. Onderdeel 3 4.18 Het derde onderdeel bestrijdt het oordeel van de Rechtbank dat er geen aanleiding bestaat om het onteigende te beschouwen als een complex in de zin van artikel 40d Onteigeningswet, een als één geheel in exploitatie te brengen gebied met vaak verscheidene bestemmingen. De onteigening geschiedt volgens de Rechtbank ten behoeve van de aanleg van de N219 als regionale weg. Dat de weg wellicht in de toekomst zal worden verbreed en mede een functie zal krijgen ter ontsluiting van het te ontwikkelen gebied doet niet ter zake. Van een als één geheel te ontwikkelen complex is geen sprake, aldus de Rechtbank. 4.19 De vraag of sprake is van een complex is verweven met waarderingen van feitelijke aard. Van geval tot geval moet worden beoordeeld of het onteigende deel uitmaakt van een complex. Het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2008, NJ 2008,451 ([...]/Gemeente Enschede), leert dat de omstandigheid dat een aan te leggen weg (waarvoor onteigend wordt) mede dient tot toekomstige ontsluiting van in de omgeving liggende woonwijken niet dwingt tot de conclusie dat het gaat om als één geheel in exploitatie te brengen zaken. De Rechtbank heeft mijns inziens in r.o. 18 voldoende gemotiveerd vastgesteld dat geen sprake is van een complex in de zin van artikel 40d Onteigeningswet. Dit oordeel behelst geen onjuiste rechtsopvatting en is bovendien, mede gezien hetgeen de deskundigen hebben vastgesteld, niet onbegrijpelijk. 4.20 Het derde onderdeel faalt. Onderdeel 4 4.21 Het vierde onderdeel betoogt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onjuist gemotiveerd, althans onvoldoende gemotiveerd geen rekening heeft gehouden met de door eisers overlegde vergelijkingstransacties. Het oordeel van de Rechtbank omtrent de agrarische waarde van het onteigende in r.o. 19 e.v. berust op een feitelijke waardering en is mijns inziens voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. 4.22 Het vierde onderdeel faalt. Derde principale middel: 4.23 In het derde principale middel betogen eisers dat zij bij monde van hun advocaat bij gelegenheid van pleidooi de verrekening van omzetbelasting wel hebben bestreden. De Rechtbank heeft in r.o. 32 overwogen dat door eisers niet is bestreden dat zij de kosten (lees: de vergoeding van omzetbelasting) kunnen verrekenen. 4.24 Uit de gedingstukken bij de Rechtbank blijkt niet dat eisers de verrekening van omzetbelasting hebben bestreden. In zoverre faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag. 4.25 Voorts betogen eisers dat het hen, gezien het negatieve bedrijfsresultaat van hun onderneming, onmogelijk lijkt dat zij de omzetbelasting over de kosten van deskundige en rechtskundige bijstand kunnen verrekenen met de omzetbelasting die zij dienen te betalen over de gerealiseerde omzet. De te betalen omzetbelasting wordt immers al geheel verrekend met de omzetbelasting die eisers betalen over de kosten van hun bedrijfsexploitatie. De Rechtbank heeft in r.o. 32 geoordeeld dat de omzetbelasting, omdat deze voor [eiser 1] verrekenbaar is, geen kostenpost vormt en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt. 4.26 Het oordeel van de Rechtbank dat de omzetbelasting geen kostenpost is en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt, is naar mijn mening juist. Hierbij is echter niet van belang om vast te stellen of de verschuldigde omzetbelasting in het onderhavige geval kan worden verrekend in de zin van artikel 2, van de Wet op de omzetbelasting 1969 (hierna: Wet OB) met af te dragen omzetbelasting. Op grond van artikel 17 Wet OB kan ingeval de verschuldigde belasting meer bedraagt dan de af te dragen belasting, het verschil op verzoek van de ondernemer aan hem worden terugbetaald. Het middel faalt derhalve ook voor het overige.
- Beoordeling van het incidentele middel 5.1 Het incidentele middel bestrijdt het oordeel van de Rechtbank in r.o. 13 dat als peildatum voor de schadeloosstelling de datum van het eindvonnis dient te gelden. De eisen van redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen dat in het onderhavige geval een uitzondering wordt gemaakt op het in artikel 40a Onteigeningswet als uitgangspunt voor de bepaling van de schadeloosstelling aangewezen tijdstip. De datum van feitelijke ingebruikname, 1 april 2008, dient in dit geval als peildatum te gelden, aangezien op die datum het risico ter zake van het onteigende op verweerster is overgegaan. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst verweerster naar het arrest van de Hoge Raad van 30 september 1987, NJ 1988/
- Het betrof een situatie waarin partijen al voordien hadden afgesproken dat de gemeente het hoogheemraadschap zou toestaan de gronden vervroegd in gebruik te nemen en dat de waarde van die gronden zou worden vastgesteld via arbitrage naar het tijdstip van die vervroegde ingebruikname. De Hoge Raad oordeelde: Als tijdstip van waardering van de onderhavige gronden heeft de Rb. aangehouden de periode waarin het Hoogheemraadschap met toestemming van de gemeente de percelen, voordat zij in eigendom zouden worden overgedragen, vervroegd in gebruik heeft genomen. Daartoe heeft de Rb. reden gevonden in de tussen pp. gemaakte afspraak waarbij de gemeente met de vervroegde ingebruikneming akkoord is gegaan nadat was overeengekomen dat de vaststelling van de waarde van de percelen zou geschieden door middel van arbitrage. Daarbij hadden pp. naar het oordeel van de Rb. de bedoeling het moment van vervroegde ingebruikneming als tijdstip van waardering aan te houden. Op grond van die overeenkomst mocht de gemeente naar het oordeel van de Rb. in redelijkheid ervan uitgaan dat ook indien arbiters niet tot overeenstemming zouden komen de waardering zou plaatsvinden naar het tijdstip van de ingebruikneming. Daarmede heeft de Rb. niet tot uitdrukking gebracht dat pp. zulks met elkaar hebben afgesproken, doch dat de voor de arbitrage gemaakte afspraak, waarvan de vervroegde ingebruikneming afhankelijk was, in redelijkheid meebracht dat het Hoogheemraadschap ook in een onteigeningsgeding een waardering naar het tijdstip van ingebruikneming zou aanvaarden. Door aldus een op de redelijkheid steunende uitbreiding te geven aan de gevolgen van de tussen pp. gemaakte afspraak, waardoor ter wille van de redelijkheid een uitzondering wordt gemaakt op het in art. 40a Onteigeningswet als uitgangspunt voor de bepaling der schadeloosstelling aangewezen tijdstip, heeft de Rb. niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Haar vonnis behoefde op dit punt ook geen nadere motivering. In het arrest van 10 augustus 1994, NJ 1996/51 waren partijen een vervroegde ingebruikname (maar niet een vervroegde peildatum) overeengekomen. De Hoge Raad gaf op grond van de redelijkheid en billijkheid een uitbreiding van de eliminatieregel tot de situatie dat partijen een vervroegde ingebruikneming overeenkomen. Toen werd een waardeverandering die zich voordoet tussen de datum van feitelijke ingebruikname en de aangewezen peildatum van artikel 40a en die het gevolg is van activiteiten van de onteigenaar met het oog op het werk in het kader van onteigening, geëlimineerd. De Hoge Raad oordeelde: 3.
- Uit het standpunt dat de Gemeente voor de Rechtbank heeft ingenomen, volgt dat de Gemeente het onteigende reeds vóór de onteigening met toestemming van de eigenaren feitelijk in gebruik heeft genomen met het oog op de uitvoering van het werk waarvoor zij het appartementsrecht uiteindelijk, toen verkrijging in der minne niet meer mogelijk bleek, heeft onteigend. 3.
- Hiervan uitgaande heeft de Rechtbank een juiste, op de redelijkheid gebaseerde, beslissing gegeven door bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende naar het in artikel 40a van de Onteigeningswet bedoelde tijdstip geen rekening te houden met de invloed op die waarde van hetgeen de Gemeente sedert de ingebruikneming op het onteigende heeft verricht. 5.2 Ik meen dat, in tegenstelling tot hetgeen verweerster stelt, in de bovenstaande jurisprudentie geen steun kan worden gevonden voor het standpunt dat redelijkheid en billijkheid een uitzondering op artikel 40a Onteigeningswet rechtvaardigen. In beide arresten is, in tegenstelling tot de onderhavige situatie, sprake van een overeenkomst tussen partijen aangaande de vervroegde ingebruikname. Het zou mij bovendien vreemd voorkomen dat een formeel gebrek (namelijk het niet inschrijven door verweerster van het vonnis tot vervroegde onteigening in de openbare registers), waaraan geen schuld van eisers kleeft, zou kunnen worden hersteld door een beroep van verweerster op de redelijkheid en billijkheid. Tot slot: een eventuele waardestijging van het onteigende die zich voordoet in de periode gelegen tussen de datum van ingebruikneming door de onteigenaar en de datum van het vonnis en die niet voortkomt uit werkzaamheden van de onteigenaar, behoort mijns inziens de eisers niet te ontgaan. 5.3 Het incidentele middel faalt derhalve.
- Conclusie Mijn conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie alsmede van het incidentele beroep in cassatie. De Procureur- Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal