ECLI:NL:PHR:2010:BN1028
Nr. 09/02231 B Mr. Vegter Zitting: 2 februari 2010 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Het Hof heeft op 27 april 2009 in het kader van een beroep tegen een beslissing van de rechtbank op een bezwaarschrift tegen de dagvaarding verdachte deels buiten vervolging gesteld en het bezwaarschrift voor het overige ongegrond verklaard.
V., waarvan [betrokkene 1] voornoemd de aandelen in economische eigendom had, als winstdeling in verband met = de aankoop door [M] N.V. van de/het pand(en) [a-straat 1] te Utrecht en/of [b-straat 1] te Hengelo en/of [c-straat 1] te Veldhoven en/of [d-straat 1] te Maastricht en/of [e-straat 1] te Utrecht en/of een of meer (andere) pand(en) en/of = de verkoop door [M] N.V. van de panden [...] te Sittard en/of [a-straat 1] te Utrecht en/of [f-straat 1] te Son en Breugel;(2) art. 328ter lid 2 Wetboek van Strafrecht Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [C] B. V., verder te noemen 'de B. V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand juli 2000 tot en met de maand februari 2003 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Heerlen en/of Amsterdam en/of te Aerdenhout in de gemeente Bloemendaal en/of te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) [betrokkene 1] die, anders dan als ambtenaar, immers als fondsmanager en/of directeur kantorenfonds vastgoed en/of poliomanager en/of directeur commercieel vastgoed werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [M] N.V., naar aanleiding van hetgeen [betrokkene 1] voornoemd in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, (telkens) (een) gift(en) en/of (een) belofte(n), namelijk betaling(en) van een of meer geldbedrag(en) tot een totaalbedrag groot 1.162.223,- euro, althans 719.864,- euro, in elk geval van een of meer bedrag(en) aan geld, heeft gedaan van die aard en/of onder zodanige omstandigheden, dat de B.V. en/of haar mededader(s) redelijkerwijs had(den) moeten aannemen dat [betrokkene 1] voornoemd die gift(en) en/of belofte(n) in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn werkgever, immers heeft de B.
V, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, die/dat betalingen (telkens) aan [betrokkene 1] voornoemd gedaan via [B] B. V, waarvan [betrokkene 1] voornoemd de aandelen in economische eigendom had, als winstdeling in verband met = de aankoop door [M] N.V. van de/het pand(en) [a-straat 1] te Utrecht en/of [b-straat 1] te Hengelo en/of [c-straat 1] te Veldhoven en/of [d-straat 1] te Maastricht en/of [e-straat 1] te Utrecht en/of een of meer (andere) pand(en) en/of = de verkoop door [M] N.V. van de panden [...] te Sittard en/of [a-straat 1] te Utrecht en/of [f-straat 1] te Son en Breugel, hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat feiten en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en); art. 328ter lid 2 jo 51 Wetboek van Strafrecht 2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand januari 2001 tot en met de maand februari 2003 te Doorn in de gemeente Utrechtse Heuvelrug en/of in de gemeente(n) Hilversum en/of Utrecht en/of te Aerdenhout in de gemeente Bloemendaal en/of te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) [betrokkene 2] die, anders dan als ambtenaar, immers als financieel deskundige werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [D] B.V. naar aanleiding van hetgeen [betrokkene 2] voornoemd in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, (telkens) (een) gift(en) en/of (een) belofte(n), namelijk betaling(en) van een of meer geldbedrag(en) tot een totaalbedrag groot f 119.000,- en/of een totaalbedrag groot 178.402, - euro, in elk geval van een of meer bedrag(en) aan geld, heeft gedaan van die aard en/of onder zodanige omstandigheden, dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs had (den) moeten aannemen dat [betrokkene 2] voornoemd die gift(en) en/of belofte(n) in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn werkgever, immers (...) heeft hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
Verdachte maakt bezwaar tegen de dagvaarding op de navolgende -kort en zakelijk weergegeven- gronden:
De advocaat-generaal heeft zich aangesloten bij hetgeen door de Officier van Justitie in zijn appelmemorie tegen de beschikking van de rechtbank van 20 november 2008 is aangevoerd.
Kort en zakelijk weergegeven houdt deze appelmemorie het volgende in:
De verjaringstermijn voor misdrijven waarop een geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld bedraagt op grond van artikel 70, sub 2, van het Wetboek van Strafrecht, zes jaren.
Artikel 72, lid 1, Wetboek van Strafrecht, luidt als volgt:
Elke daad van vervolging stuit de verjaring ook ten aanzien van anderen dan vervolgde.
Het eerste feit in de tenlastelegging betreft omkoping van [betrokkene 1]. Het tweede feit heeft betrekking op de omkoping van [betrokkene 2]. Beide feiten vallen uiteen in verschillende transacties, waarbij het hof de indeling die de rechtbank daarbij heeft gemaakt zal volgen. Dit levert het volgende op.
Ten aanzien van de tenlastegelegde omkopingen van [betrokkene 1], worden in de dagvaarding de volgende transacties genoemd:
Ten aanzien van de tenlastegelegde omkopingen van [betrokkene 2], worden in de dagvaarding de volgende transacties genoemd:
Het hof zal eerst vaststellen op welk moment van de hiervoor omschreven afzonderlijke transacties de verjaring is aangevangen. Vervolgens zal het hof bezien of de verjaring al of niet (gedeeltelijk) is gestuit.
Aanvang verjaring De verjaring van een feit als het onderhavige vangt ingevolge artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht aan op de dag nà die waarop het feit is gepleegd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verjaring in geval van overtreding van artikel 328ter, twee lid van het Wetboek van Strafrecht aanvangt als een omkoper redelijkerwijze moet aannemen dat de gift of belofte die hij doet zal worden verzwegen tegenover zijn werkgever of lasthebber. Op grond van het dossier en het verhandelde in raadkamer in eerste aanleg en in hoger beroep is er geen aanleiding om aan te nemen dat de voor de voltooiing van het delict vereiste wetenschap aan de zijde van verdachte later zou zijn ontstaan dan het moment waarop hij de giften en beloften zou hebben gedaan. Het hof zal derhalve evenals de rechtbank tot uitgangspunt nemen dat de verjaring aanvangt op het moment waarop de giften en beloften zouden zijn gedaan.
Artikel 328ter Wetboek van Strafrecht stelt strafbaar zowel de omkoping door middel van een belofte (tot bevoordeling) alsook de omkoping door middel van een (bijvoorbeeld in de vorm van een geldbedrag verstrekte) gift, welke laatste handeling doorgaans op een later tijdstip plaatsvindt. Het moment van aanvang van de verjaringstermijn is in beide gevallen verschillend.
Blijkens de tenlastelegging zou ten aanzien van verdachte sprake zijn geweest van belofte(n) en/of gift(en). Het hof vindt in dit gegeven van de tenlastelegging aanleiding de verjaringstermijn te laten aanvangen op het moment dat de gift(en) wordt/worden gedaan c.q. opdracht ter effectuering ervan wordt gegeven. Het hof volgt hierin het standpunt van de advocaat-generaal en wijkt hiermee af van het standpunt van de rechtbank in voormelde beschikking dat voor de aanvang van de verjaring telkens het moment van de afspraken (overeenkomsten) bepalend is.
Hier van uitgaande kan het volgende worden vastgesteld.
Transactie 1.
Op 9 april 2001 doen medeverdachte [verdachte], namens [K] B.V. (hierna: "[K]"), en van [B] B.V (hierna: "[B]") een verzoek aan de notaris die betrokken is bij de verkoop van de panden aan de [a-straat 1] te Utrecht en [b-straat 1] te Hengelo (bijlage D-026). Het verzoek van [K] en [B] strekt tot verdeling van de opbrengst van voormelde transactie(s). [Betrokkene 1] is in economische zin eigenaar van [B]. [B] ontvangt, conform voornoemd schrijven van 9 april 2001 op 11 april 2001 een bedrag van fl. 525.000,-.,( bijlage D-131 ). Naar het oordeel van het hof kan deze betaling worden aangemerkt als gift. De verjaringstermijn ten deze vangt derhalve aan op 12 april 2001.
Transactie 2.
Op 9 november 2001 komen er drie overeenkomsten tot stand tussen een zestal vennootschappen, waaronder [J] Holding B.V. ("[J]"), [L] Holding B.V. ("[L]") en [B] (lees: [betrokkene 1]) ( bijlage D-038 t/m D-040. [medeverdachte] ondertekent deze overeenkomsten namens [J]. Verdachte ondertekent deze overeenkomsten namens [L]. De overeenkomsten hebben betrekking op de aankoop en winstverdeling van de hiervoor omschreven transactie 2. [B] heeft blijkens bankafschrift (bijlage D-137) op 12 maart 2002 een bedrag van Euro 417.290,84 ( tegenwaarde van f1919.588,00) ontvangen, conform de berekening opgenomen in bijlage D-045. Naar het oordeel van het hof kan deze betaling worden aangemerkt als gift. De verjaringstermijn van deze ten laste gelegde transactie vangt derhalve aan op 13 maart 2002.
Transactie 3 Op 15 augustus 2002 stuurt [B] aan [C] B.V. (hierna: "[C]") een factuur, betrekking hebbende op transactie 3 (bijlage D-032). Feitelijk leidinggevenden van [C] zouden medeverdachte [medeverdachte] en verdachte gezamenlijk zijn. Uit de bankafschriften van [B] blijkt dat een deelbetaling eerder heeft plaatsgevonden en wel op 13 juli 2002 en een tweede betaling op 9 september 2002. (bijlage (D-133). Naar het oordeel van het hof kan ook de betaling van 9 september 2002 worden aangemerkt als gift. De verjaringstermijn ten deze vangt derhalve aan op 10 september 2002.
Transactie 4.
Op 2 april 2001 stuurt Stichting [E] (lees: [betrokkene 2]) aan [C] een declaratie, factuur 01/01, 'conform afspraak' (bijlage D-009). Deze declaratie heeft betrekking op de hiervoor onder 4 omschreven transactie. Blijkens bankafschrift van Stichting [E] is het gefactureerde bedrag op 11 april 2001 ontvangen (bijlage D-016) Naar het oordeel van het hof kan deze betaling worden aangemerkt als gift De verjaringstermijn van deze transactie vangt dan ook aan op 12 april 2001.
Transactie 5.
Op 1 juli 2002 stuurt [betrokkene 2] een factuur met de vermelding 'commissie inzake bemiddeling bij verkoop onroerend goed objecten Utrecht, Son, Sittard' (bijlage D-027). Deze factuur heeft betrekking op transactie 5. Blijkens bankafschrift van [betrokkene 2] (bijlage D-028) heeft [betrokkene 2] het gefactureerde bedrag op 2 juli 2002 ontvangen. Het hof is van oordeel dat deze betaling kan worden aangemerkt als gift. De verjaringstermijn in deze vangt derhalve aan op 3 juli 2002.
Transactie 6.
Op 29 januari 2004 ontvangt [betrokkene 2] van [J] (lees: [medeverdachte]) een betaling (bijlage D-057, pag5). Bij deze betaling wordt vermeld: 'tipgeld vergoeding Krimpen a/d IJssel'. Ook deze betaling kan naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als gift, zodat ten deze de verjaringstermijn aanvangt op 30 januari 2004.
Stuiting van de verjaring door de inbeslagneming ?
In het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] heeft de Officier van Justitie op 15 februari 2006 een doorzoeking gedaan in een kantoorruimte, niet zijnde een woning of een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering.
De vraag die moet worden beantwoord is of deze doorzoeking ex artikel 96c en 125i van het Wetboek van Strafvordering kan worden beschouwd als een daad van vervolging die ingevolge artikel 72, lid 1, Wetboek van Strafrecht een stuiting van de verjaring teweegbrengt, zoals bepleit door de advocaat-generaal.
Het hof neemt voor de beantwoording van deze vraag als uitgangspunt dat onder daden van vervolging moet worden verstaan daden van het Openbaar Ministerie waardoor de rechter in de zaak wordt betrokken, zoals een vordering tot inbewaringstelling, tot gerechtelijk vooronderzoek en dagvaarding ter terechtzitting.
Daarentegen moeten aanhouding van verdachte en inverzekeringstelling worden gerekend tot de opsporingshandelingen van het Openbaar Ministerie.
Doorzoeking van plaatsen, niet zijnde woningen en kantoren van geheimhouders was tot de invoering van de Wet herziening gerechtelijk vooronderzoek -behoudens spoedzoeking door het Openbaar Ministerie- een exclusieve bevoegdheid van de rechter-commissaris in het kader van een door het Openbaar Ministerie gevorderd en toegestaan gerechterlijk vooronderzoek. Sedert 1 februari 2000 is doorzoeking van plaatsen niet zijnde woningen en kantoren van geheimhouders en het onderzoek naar computergegevens een in de artikelen 97 en 125i van het Wetboek van Strafvordering geregelde zelfstandige bevoegdheid van de Officier van Justitie, welke, met een enkele uitzondering, geen rechterlijke tussenkomst vereist.
Gelet op het gewijzigde karakter van deze vorm van inbeslagname sinds 1 februari 2000 kan naar het oordeel van het hof de onderhavige inbeslagname onder [betrokkene 2] en [betrokkene 1] niet worden beschouwd als een daad van vervolging. Van stuiting van de verjaring door deze inbeslagname is dan ook geen sprake.
Stuiting van de verjaring op 25 januari 2008.
Bij brief van 25 januari 2008 heeft de Officier van Justitie aan de raadsman van verdachte, mr. Raymakers het volgende laten weten:
Door de Fiod Utrecht is proces-verbaal opgemaakt tegen verdachte [medeverdachte] en [verdachte], eenmaal ter zake strafbare feiten die zij gepleegd hebben in samenhang met verdachte [betrokkene 1] en eenmaal ter zake strafbare feiten die in samenhang staan met verdachte [betrokkene 2]. De zaak [betrokkene 1] cs is ingeschreven onder bovengenoemde parketnummers.
Een afschrift van het eindproces-verbaal tegen [betrokkene 1] cs heb ik u op 21 maart 2007 doen toekomen. Thans treft u tevens een afschrift van het eindproces-verbaal aan tegen [betrokkene 2] cs. Verdachten zullen met betrekking tot dat laatste proces-verbaal nog onder afzonderlijke parketnummers worden ingeschreven.
Ik ben voornemens beide zaken te voegen en de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] ter zake de strafbare feiten in beide processen-verbaal strafrechtelijk te vervolgen.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat deze mededeling van de Officier van Justitie moet worden aangemerkt als een daad van vervolging. Daaraan doet niet af dat deze brief niet aangetekend is verzonden en alleen aan de raadsman van verdachte is gericht, nu niet betwist wordt dat deze mededeling van de Officier van Justitie ook de verdachte heeft bereikt.
Conclusie omtrent de verjaring Gelet op het vorenstaande komt het hof, evenals de rechtbank tot de conclusie dat de in de tenlastelegging opgenomen delicten gedeeltelijk zijn verjaard. Voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op de onder 1 en 4 omschreven transacties, zal verdachte buitenvervolging worden gesteld. (...) Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Stelt bezwaarde buiten vervolging voor het tenlastegelegde, uitsluitend voorzover betrekking hebbende op:
Sikkema schrijft over het samenvallen van de belofte en gift in de strafbepalingen betreffende ambtelijke corruptie dat in voorkomende gevallen met name de vraag of sprake is van een belofte of van een poging tot het doen van een gift moeilijk te beantwoorden is.(11) Dat een voltooide gift onder omstandigheden als een (gestand gedane) belofte aangemerkt zou moeten worden is ook bij hem niet te lezen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Ook in het dubbel van de dagvaarding staat poliomanager. Er zal wel portfoliomanager bedoeld zijn.
2 Hier lijkt aan hetgeen [betrokkene 1] in zijn dienstbetrekking heeft gedaan feitelijke invulling gegeven te worden door te vermelden dat [M] N.V. panden heeft aangekocht, respectievelijk verkocht. Op dit punt wordt niet geklaagd, zodat ik het er bij laat op te merken dat het optreden van de 'omgekochte', naar aanleiding waarvan betaald zou zijn mijns inziens bijvoorbeeld in de tenlastelegging onder 2, eerste gedachtenstreepje, beter uit de verf komt.
3 Hier is kennelijk een verschrijving opgetreden. De tenlastelegging vermeldt de nrs. 1120-1150.
4 Zie voor verjaring bij overtreding van het eerste lid HR 7 juni 2009, NJ 2010, 20 m.nt. Reijntjes.
5 Zie over het aanvangsmoment van de verjaring J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2009, 4e, p. 134, 135: "Art. 71 Sr geeft als hoofdregel 'de dag na die waarop het feit is gepleegd'. Dat roept vooral de vraag op hoe het tijdstip van het strafbare feit wordt bepaald. In de context van de verjaring ligt het in de rede om het vervullen van de delictsomschrijving, het voltooien van het delict (...) te kiezen. (...) Het past ook bij de grondslag voor de verjaring om aan te knopen bij het vervullen van alle voorwaarden voor aansprakelijkheid. Vooral daardoor wordt immers de rechtsorde geschokt en daarna kan pas de strafbehoefte ontstaan." Vgl. ook (in gelijke zin) A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem 1985, hoofdstuk 5.
6 Vgl. Kamerstukken II, 1966-1967, 8437, nr. 6, p. 2: "Het delict van de omkoper is voltooid op het ogenblik, waarop hij de gift of belofte doet. Indien hij op dat tijdstip redelijkerwijs moet aannemen, dat de omgekochte de gift of belofte zal verheimelijken, is hij strafbaar."
7 H. de Doelder, Enige opmerkingen over art. 328ter Sr, Strafrecht in balans, Arnhem 1983 (Geurts-bundel), p. 18, ziet het bestanddeel 'verzwijgen in strijd met de goede trouw' als het hoofdbestanddeel van artikel 328ter Sr.
8 Ik merk voor de volledigheid op dat de aangenomen gift of belofte geen effect hoeft te hebben in de zin dat de omgekocht wordt bewogen iets te doen of na te laten wat de verdachte wenselijk acht. Als dat wel vereist was, zou na een in deze zin succesvolle belofte wellicht de daaropvolgende gift geen toegevoegde waarde meer hebben. Zie over het door artikel 328ter Sr beschermde rechtsbelang C.F. Ruter en A.J. Hoekema, Omkoping van anderen dan ambtenaren, TvS 1968, p. 136, J.M. van Bemmelen, Niet-ambtelijke omkoping, NJB 1966, nr. 8, p. 188 en J.F.Roording, Corruptie in het Nederlandse strafrecht, DD 2002, nr. 2, p. 109, 139 en 140.
9 NLR, aant. 7 bij artikel 126 Sr.
10 Roording, t.a.p., p. 125.
11 Sikkema, Ambtelijke corruptie in het strafrecht, p. 359 e.v.
12 HR 19 november 1991, NJ 1992, 265, m.nt. ThWvV, G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Kluwer 2005, 6e, p. 217. Vgl. ook Van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, p. 216.
13 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2009, 3e, p. 136, onder verwijzing naar Kamerstukken I, 2004-2005, 28 495, B, p. 3. Machielse, NLR, aant. 2 bij artikel 72 Sr schrijft: "Door een daad van vervolging geeft het OM te kennen dat er nog reden is om de strafvervolging voort te zetten. Daaruit blijkt dat het volgens het OM niet aan strafbehoefte ontbreekt en dat waarheidsvinding nog steeds mogelijk is."
14 Vgl. HR 31 oktober 1967, NJ 1968, 85, m.nt. Van Eck, waarin de Hoge Raad overwoog: "dat noch de woorden noch de strekking van [artikel 72 Sr] steun bieden aan de stelling van rekw., dat daarin onder "daad van vervolging" alleen zou zijn te verstaan een daad van de met de vervolging belaste ambtenaren, waardoor onderzoek of beslissing van de rechter wordt uitgelokt."
15 Vgl. ook de in artikel 245 Sv voorgeschreven kennisgeving voor het geval voorlopige hechtenis is toegepast.
16 Ik wijs zijdelings op de Memorie van Toelichting bij het voorstel tot de Wet versterking positie rechter-commissaris, Kamerstukken II, 2009-2010, 32 177, nr. 3, p. 27: "Het openbaar ministerie vroeg in zijn advies aandacht voor de functie die het openen van het gerechtelijk vooronderzoek vervulde in verband met de stuiting van de verjaring. Met het vervallen van het gerechtelijk vooronderzoek zou de vraag zich voordoen of er behoefte bestaat aan een nadere regeling. De stuiting van de verjaring wordt geregeld in artikel 72 Sr. Als uitgangspunt geldt dat elke daad van vervolging de verjaring stuit. Met "vervolging" wordt geduid op "het door het openbaar ministerie betrekken van een rechter bij de zaak" (...) Dit betekent dat ook een vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris op grond van artikel 181 Sv als een daad van vervolging zal zijn aan te merken en de verjaring zal stuiten, evenals dat kan geschieden door het op andere wijze betrekken van de rechter(-commissaris) bij de zaak." In een (eventueel) vervallen van het gerechtelijke vooronderzoek ziet de regering dus kennelijk geen reden om de verjaringsregeling aan te passen. Het lijkt erop dat zij wenst vast te houden aan de (volgens de regering) geldende voorwaarde dat een rechter in de zaak betrokken wordt.
17 Naar de mening van Remmelink zal men onder een daad van vervolging moeten verstaan elke formele daad uitgaande van OM of rechter om in de fase voorafgaande aan de tenuitvoerlegging, om tot een (uitvoerbare) rechterlijke beslissing te geraken. Vgl. Hazewinkel-Suringa's Inleiding tot de studie van het Nederlands strafrecht, Arnhem: Gouda Quint 1996, p. 617 (hoe het in dit verband aangehaalde HR 3 februari 1936, NJ 1936, 354 aan deze opvatting steun biedt zie ik overigens niet in). Hierbij sluit aan Remmelinks opvatting dat een ingetrokken dagvaarding de verjaring niet stuit, omdat het OM het in zijn macht zou hebben de verjaring "tot een paskwil" te maken. Zie NLR, aant. 5 bij artikel 72 Sr. Dat argument pleit ertegen om het OM buitenwettelijke mogelijkheden tot stuiting van de verjaring te geven.
18 Of deze gang van zaken steun biedt aan de vrees van Remmelink voor chicanes van het OM kan hier in het midden blijven.
19 HR 13 september 1994, NJ 1994, 768, HR 26 maart 1985, NJ 1985, 688, m.nt. ThWvV.
20 Tot de voorzichtigheid die spreekt uit HR 13 oktober 2009, NJ 2009, 533 zie ik in de onderhavige zaak geen aanleiding.