ECLI:NL:PHR:2010:BN8840
Nr. 08/02072 Mr. Silvis Zitting 28 september 2010 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Verdachte is bij arrest van 8 mei 2008 door het gerechtshof te Arnhem wegens "Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, geheel.
Het gaat derhalve om gevaar dat te duchten is voor zaken die geheel of ten dele aan een ander of anderen dan de brandstichter toekomen (hierna ook kortweg: andermans objecten). Wie zich erop beroept dat slechts gevaar te duchten was voor zaken die hemzelf toekomen, doet een beroep op een kwalificatie-uitsluitingsgrond. Het bewezenverklaarde kan bij het slagen van dat beroep niet als opzettelijke brandstichting in de zin van art. 157 Sr worden gerubriceerd. Op zichzelf genomen valt het in brand steken van de eigen woning dus niet onder de strafdreiging van art. 157 Sr, mits daardoor geen gevaar voor andermans objecten te duchten is. Wanneer het verborgen motief zou zijn wederrechtelijk verzekeringspenningen te innen, ligt dat niet anders. Dat feit wordt bestreken door het bedrogsdelict zoals vervat in art. 328 Sr. Door zonder verlof brand te stichten in eigen onroerende zaken kan, ook zonder gevaar voor zaken van anderen, de overtreding van art 428 Sr zijn gepleegd. Noch het bedrogsdelict, noch de vermelde overtreding zijn hier aan de orde.
De belendende percelen hebben we niet natgehouden. Het eerste doel is redding, dan blussing en vervolgens uitbreiding van de brand voorkomen. Normaal gesproken ga je in het geval van een brand als deze niet uit van ontploffingsgevaar. Je houdt geen rekening met het feit dat in een huis een grote hoeveelheid aanstekers ligt. Het hof constateert dat de afstand tussen de muur van de woning en de muur van het bedrijfspand, liggend aan de rechterkant van de woning, vijf meter is (foto 5342, blz. 36 en foto 5343, blz. 37). Deze afstand is met een rolmaat gemeten. De afstand van dakgoot tot dakgoot is ongeveer een meter smaller. (...) Bij aankomst zag ik dat de vlammen uit de bovenkamer van de aanbouw kwamen.
De eerste straal hebben we op de slaapkamer gezet om te voorkomen dat de brand zou overslaan. Met de tweede straal zijn we via de achterdeur naar binnen gegaan en vervolgens naar boven gelopen. Toen ik ter plaatse kwam, stonden er mensen aan de achterkant van het pand. Zij zeiden dat er niemand meer binnen was. In mijn beleving was de brand aan de achterkant. Toen bleek dat er geen redding behoefde plaats te vinden, was mijn eerste prioriteit het voorkomen dat de brand zich zou uitbreiden. We verwachtten geen tweede brandhaard beneden. Na een kwartier waren we de brand meester. De tweede brandweerwagen heeft de brand beneden geblust, via de voordeur. Voor de mensen van de eerste brandweerwagen was niet te zien dat er beneden brand woedde.
Op het moment dat de mannen vanuit de keuken de deur openden naar gang, blokkeerden ze de ingang van de benedenkamer in de aanbouw. Daarom zijn ze aan die kamer voorbijgegaan en zijn ze meteen naar boven gelopen. Ik ben zelf tijdens het blussen niet in de woning geweest."
Ter zitting 24 april 2008 verklaart de nader gehoorde getuige-deskundige [getuige-deskundige 1] -zakelijk weergegeven in het proces-verbaal- als volgt: "Ik zag destijds geen risico voor het pand rechts van de woning. Tussen de woning en het pand rechts zit zo'n vier à vijf meter. De woning links van de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] ligt nog veel verder weg. Ik heb gekeken naar de meters tussen de gevels. Ik zag geen reden voor angst voor brandoverslag. Wij hebben ons derhalve puur op de brandhaard geconcentreerd. Zelfs als er geen brandweer bij zou zijn geweest, zie ik nog geen risico voor het pand aan de rechterkant. De rechterzijgevel van de woning was nagenoeg alleen maar van steen. Ik acht het gewoon niet aannemelijk dat er dan sprake kan zijn van brandoverslag. Stel dat een woning vol in brand staat, dus aan alle kanten brand, dan ga je je natuurlijk focussen op belendende percelen.
Dat wil nog niet zeggen dat die percelen in brand zullen vliegen. Niets is natuurlijk onmogelijk, maar ik acht de kans zeer klein dat er gevaar zou zijn geweest voor de belendende percelen gelet op de afstand en de nagenoeg blinde muur. Was er aan de [a-straat 1] in [plaats] sprake geweest van een volledige brand, dan had ik de situatie inderdaad wellicht anders bekeken. Dan ga je je richten op de omgeving. Je probeert altijd uitbreiding te voorkomen. Het is nacht, je weet niet of het andere pand bijvoorbeeld kunststofdelen bevat, dan zul je daar een straal op richten. Dat wil niet zeggen dat dat pand anders in brand zou vliegen. Het hof toont mij de luchtfoto op pagina 132 van het politieproces-verbaal.
De zijkanten van de woning zijn nagenoeg alleen maar van steen. Vanuit één kamer zou het vuur naar buiten kunnen komen. Stel dat dat zou gebeuren, dan wordt daar gegarandeerd een straal opgezet om vervolg van de brand te voorkomen. We nemen altijd voorzorgsmaatregelen. Dan zouden we het pand rechts van de woning gaan nat houden. Er is geen gevaar geweest voor de huizen aan de overkant van de straat. Daarvoor is de afstand te groot. Mocht er sprake zijn van brand in de omgeving, bijvoorbeeld in het groen, dan kun je dat afbakenen. Ter plekke kun je zien of de kans bestaat dat het groen in de omgeving in brand zal vliegen. In dit geval lijkt me die mogelijkheid niet aannemelijk. Je kijkt altijd waar er eventueel schade zou kunnen ontstaan en daar zet je dan een straal op.
Als een huis volledig in brand staat, kijken we naar de vuurbelasting. In de situatie die wij aantroffen, was dat absoluut niet nodig. Dit was een normaal woonhuis. De brand was op een zodanige plek, dat er concreet geen gevaar was voor het pand rechts van de woning."
Maar de vraag is niet of gemeen gevaar redelijkerwijs het gevolg kan zijn van de brandstichting, maar of dat ook een concreet te duchten gevaar is geweest. Het Hof gaat er in de motivering kennelijk vanuit dat bij een brand in een in de bebouwde kom gelegen woning op betrekkelijk korte afstand van andere woningen en op korte afstand van de straat spoedig gemeen gevaar voor goederen te duchten is. In de jurisprudentie is meermalen aangenomen dat bij brandstichting binnen de bebouwde kom inderdaad licht sprake zal zijn van gemeen gevaar voor goederen of voor zich in aangrenzende panden bevindende personen; vgl. HR 24 november 1987, NJ 1988, 686, LJN AD0075 en HR 26 januari 1988, NJ 1988, 816, LJN AD0155.
In die arresten gaat het echter wel om een dichtbevolkte woonbuurt (Lange Hillevliet, Rotterdam, NJ 1988, 686) en om brandstichting in een pand dat deel uitmaakt van 'lintbebouwing' (NJ 1988, 816). In HR 12 mei 1992, NJ 1992, 659 is het gevaar zo concreet dat de daklijst van een belendend perceel al vlam heeft gevat. Ten tijde van de brand is de situatie van de vrijstaande woning aan de [a-straat 1] te [plaats] in relatie tot het naastliggende perceel wezenlijk anders.
Op die overweging valt voor wat betreft de meeste zaken weinig af te dingen. Daarom is bijzondere redengeving vereist voor het geval het te duchten gemeen gevaar betrekking heeft op in de eigen woning aanwezige objecten van anderen. Dat is mogelijk anders wanneer dat feit of die omstandigheid een feit van algemene bekendheid (art. 339, lid 2 Sv) betreft. Uitgaande van de leer van concrete gevaarzetting voldoet in dit opzicht niet de algemene aanname dat in woningen veelal ook objecten van anderen aanwezig zijn, zoals bibliotheekboeken, ander geleende spullen, of rijkseigendommen als een paspoort of rijbewijs, een kentekenbewijs e.d. Maar er is in dit verband ook aan andere objecten te denken.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de eigenaar of bewoner van een woning geen eigenaar is van de zich in de meterkast (voor zover aanwezig) bevindende centrale schakel-, verdeel- en meetapparatuur, zoals de electriciteitsmeter (bijv. Kwh-meter), de gasmeter, de watermeter, binnenkomende leidingen waaronder ook die voor telecommunicatie en/of kabeltelevisie.(4) Die behoren toe aan (geprivatiseerde) nutsbedrijven en maken deel uit van het distributienet. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat voor objecten in de meterkast niet alleen gevaar te duchten is geweest, maar dat die als gevolg van de brand ook deels zijn aangetast. Het hof heeft de mogelijkheid dat reeds daarmee 'te duchten gemeen gevaar voor goederen' gegeven kon zijn kennelijk niet voor ogen gesteld, maar de bewezenverklaring ziet wel mede op de objecten en materialen in de meterkast, die blijkens de bewijsmiddelen (bewijsmiddel 2) in de benedenkamer was gesitueerd.
Bovendien heeft het hof, blijkens het hiervoor aangehaalde citaat, ook wel ruimer heeft vastgesteld dat voor andere in de woning van verdachte aanwezige goederen gemeen gevaar te duchten was, zij het dat het hof die vaststelling niet redengevend heeft geacht voor (de kwalificatie van) 'te duchten gemeen gevaar voor goederen' vanwege verondersteld toebehoren aan de verdachte. Als het een feit van algemene bekendheid geacht kan worden dat bepaalde objecten en materialen in de meterkast, waaronder de Kwh-meter, aan een ander dan verdachte toebehoren en -mits daarvoor concreet gevaar te duchten is- die omstandigheid ook 'gemeen gevaar' oplevert, dan is de stap naar de conclusie dat cassatie achterwege kan blijven niet groot.
Het vereiste van pluraliteit van objecten waarvoor gevaar te duchten moet zijn, staat daaraan m.i. niet in de weg.(5) Ook als ervan uit wordt gegaan dat de huisgroepenkast, anders dan de Kwh-meter en de leiding van buiten naar die meter, wel aan de verdachte kan toebehoren, gaat het om meer dan een enkel object van een ander.
De raadsman voert in dit verband het volgende aan: a. de (in opdracht van de verzekeraar van verdachte uitgevoerde) onderzoeken door [A] b.v. (verder: [A]) en [B] B.V. (verder: [B]) zijn ondeugdelijk, het zijn rapporten met de strekking "barbertje moet hangen"; b. de rechercheurs deden het geen haar beter en namen slaafs voor waar aan de rapporten van [A] en Bieshaar, zij zijn ernstig tekortgeschoten in hun opsporingstaak; c. belangrijk ontlastend bewijsmateriaal is verdwenen en/of vernietigd; d. er is verzuimd een schema te maken van de elektrische installatie van de woning met vermelding van de aangesloten electrische apparaten; e. nagelaten is een speurhond in te zetten bij het zoeken naar sporen van brandversnellende middelen.
De verdediging voert aan dat door de gesignaleerde fouten en tekortkomingen er, gelet op de door deze manco's veroorzaakte beperking voor de verdediging bij het onderbouwen van een alternatief scenario voor het ontstaan van de brand, sprake is van een zo grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging dat hierop niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie dient te volgen.
Het hof stelt voorop dat het technisch onderzoek door de recherche in de woning van verdachte al op 17 mei 2002 werd uitgevoerd. Het onderzoek in de woning van verdachte door [A] en [B] vond eerst op 21 mei 2002 plaats. [A] werd door de brandverzekeraar ingeschakeld om de schadeomvang vast te stellen, [B] kreeg van de brandverzekeraar opdracht tot een brandtechnisch onderzoek. Verdachte heeft op 21 mei 2002 schriftelijk toestemming gegeven voor het onderzoek door [A] en [B]. Niet gebleken is dat op enigerlei wijze de politie betrokken is geweest bij het onderzoek dat de basis vormde voor die rapporten, laat staan dat van de zijde van de politie daarbij sturend zou zijn opgetreden. Bij het door de politie opgemaakte proces-verbaal van onderzoek naar de brand in de woning van verdachte zijn gevoegd afschriften van de naar aanleiding van die brand uitgebrachte rapporten door [A] en [B]. Dit betekent echter geenszins dat eventuele onjuistheden in die rapporten aan het openbaar ministerie kunnen worden tegengeworpen.
Hetgeen hiervoor onder b t/m e is aangevoerd leent zich voor een gezamenlijke bespreking. Geenszins aannemelijk is geworden dat rechercheurs hun onderzoek met vooringenomenheid hebben uitgevoerd noch dat bewust in het nadeel van verdachte bepaald onderzoek niet is uitgevoerd of ontlastende gegevens zijn achtergehouden. Tijdens de procedure heeft de verdediging in ruime mate gelegenheid gekregen getuigen en deskundigen te bevragen en bevindingen aan de orde te stellen. Het hof komt tot de slotsom dat dit beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie faalt (...)."
De klacht berust in belangrijke mate op het niet bewaren van een stuk van overtuiging (SVO 111: versmolten restant van blauwe kunstsof jerrycan; blz 53 politiedossier). Ik merk op, dat het hof op grond van de bewijsmiddelen 10, 11 en 12 dat er terpentine in de jerrycan heeft gezeten, als ook dat de jerrycan ten tijde van de brand niet meer gevuld was. Deze bewijsmiddelen luiden als volgt: "10. het deskundigenrapport van [betrokkene 1], verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, gedateerd 21 augustus 2002, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Conclusie In de versmolten jerrycan [111] werd een rechtstreeks uit ruwe aardolie gewonnen product, zoals terpentine, aangetoond. In het brandmonster [119] werd een product zoals een verfverdunner aangetoond.
Bij het gaschromatografisch onderzoek (met massaspecifieke detectie) zijn in monster 119 de volgende componenten aangetoond: aceton, isobutanol, 1-butanol, tolueen en nbutylacetaat. De aangetroffen combinatie van componenten is voor NFI onderzoekers van brandresten herkenbaar als thinner/verfverdunner. Producten met een dergelijke samenstelling wordenonder diverse benamingen verkocht, zoals verfverdunner en kwastenreiniger. De onderhavige combinatie van componenten, vergeleken met het NFI bestand van commercieel verkrijgbare referentie producten van brandversnellende middelen komt goed overeen met een product dat als kwastenreiniger wordt verkocht. De combinatie van de vijf stoffen tezamen, de karakteristieke verhouding en de relatief grote intensiteit in het chromatogram ten opzichte van de intensiteit van de achtergrond (dit is een indicatie van de concentraties waarin de componenten aanwezig zijn), geven de NFI deskundigen de overtuiging dat hier sprake is van de aanwezigheid van een thinner/verfverdunner.
De uitgevoerde chemische analyses laten duidelijk zien dat in het monster 111, afkomstig uit de werkkamer (het hof begrijpt dat dit, gelet op de verklaring van de getuige-deskundige [getuige-deskundige 4] hiervoor onder 9 vermeld moet zijn: afkomstig van de jerrycan uit de hobby/kantoorruimte), terpentine aanwezig is en in het andere monster 119, afkomstig van de jerrycan uit de hobby/kantoorruimte (het hof begrijpt dat dit. gelet op de laatsbedoelde verklaring van de getuige-deskundige [getuige-deskundige 4] moet zijn: afkomstig uit de werkkamer), een mengsel van stoffen, zoals dat in thinner/verfverdunner voorkomt.
De gehouden schouw heeft voor ondergetekende nadere inzichten opgeleverd. Puntsgewijs zijn de volgende waarnemingen significant voor een analyse van onderhavige brand:
Op basis van bovenstaande punten acht ondergetekende de brand zoals die op 17 mei 2002 heeft gewoed in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] met enige mate van zekerheid het gevolg van het opzettelijk bijbrengen van brandversnellende brandstoffen en ontsteking hiervan in zowel de benedenkamer als de bovenkamer van de woning. Naar de mening van ondergetekende is in beide ruimten gebruik gemaakt van brandversnellende middelen om de brand te initiëren."
Verdachte betwist ook niet dat er terpentine in deze jerrycan heeft gezeten(6), maar stelt dat hem de mogelijkheid is ontnomen aan te tonen dat de terpentine uit de gevulde jerrycan pas na versmelting ten gevolge van hitteontwikkeling in de ruimte kan zijn vervlogen of verbrand en derhalve niet is gebruikt als tevoren verspreid brandversnellend middel. Ook zonder de beschikking te hebben over SVO 111 is de verdachte, mede gezien het algemene karakter van de brandtechnische bevindingen dienaangaande, in de gelegenheid geweest die bevindingen aan te vechten en daar andere deskundigenopvattingen tegenover te stellen. Voor zover het middel berust op de stelling dat in het voorbereidende onderzoek door voortijdige vernietiging van SVO 111 is gehandeld doelbewust in strijd met, of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte, heeft het hof deze stelling, in het licht van hetgeen daartoe door de raadsman naar voren was gebracht, in redelijkheid niet aannemelijk kunnen achten.
Het middel berust voorts op de opvatting dat onderzoek zo slecht van kwaliteit kan zijn dat ook op die grond het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten kunnen slagen. In termen van de rekwirant van cassatie zou daar sprake van kunnen zijn als het onderzoek wordt verricht door "bij wijze van spreken een stelletje kleuters". Een dergelijke omstandigheid zou m.i. begrepen kunnen worden onder handelen met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte. Het hof heeft een dergelijke veronachtzaming echter op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geacht en mede bezien in het licht van hetgeen door de raadsman te berde is gebracht ook niet aannemelijk hoeven achten. Het middel faalt.
Het middel faalt.
Tot begrip van de verwijzing naar "problemen die destijds zijn ontstaan bij de zitting van de rechtbank" kan dienen te vermelden dat ter terechtzitting van de rechtbank van 10 februari 2006, blijkens het proces-verbaal, de getuige-deskundige [getuige-deskundige 6] meermalen is gemaand enkel te spreken over de onderhavige zaak en niet te vervallen in uitwijdingen. Bovendien is in het proces-verbaal van die terechtzitting nadrukkelijk meermalen opgenomen dat [getuige-deskundige 6] tijdens de ondervraging van de verdachte lacht. In het proces-verbaal van de schouw van 12 september 2007 is opgenomen dat de getuige-deskundige [getuige-deskundige 6] niet alleen deel heeft uitgemaakt van het gezelschap deskundigen, maar ook dat hij aldaar is gehoord en voorts in de gelegenheid is gesteld om, zo de verdediging zulks zou wensen, nadere rapportage in te dienen, terwijl voorts zijn oproeping voor het vervolg van de behandeling ter terechtzitting is gelast.
Voorts staat in het proces-verbaal vermeld dat de getuige-deskundige [getuige-deskundige 6], kennelijk ongevraagd, handelingen verricht tijdens de schouw.(11) Er is, zo meen ik, niet aannemelijk geworden dat de getuige-deskundige [getuige-deskundige 6] tijdens de descente als een paria op afstand gehouden is. Uit de stukken is aannemelijk geworden dat getuige-deskundige [getuige-deskundige 6], tijdens de gehele procedure in hoger beroep, ten behoeve van de verdediging ruimschoots in de gelegenheid is gesteld zijn inzichten te presenteren en niet onnodig op afstand is gehouden. De bewering van vooringenomheid van het hof, in strijd met het beginsel van eerlijk procesvoering , is niet aannemelijk geworden.
Het middel faalt.
Voor de beoordeling van deze kwestie is het navolgende van belang: a. nadat op 17 mei 2002 brand was uitgebroken in de woning van verdachte werd hij op 1 juli 2002 als verdachte van brandstichting aangehouden en op diezelfde datum inverzekering gesteld. Hij werd die dag de eerste maal als verdachte gehoord. Het hof hanteert 1 juli 2002 als datum van aanvang van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM; b. het door de politie verrichte opsporingonderzoek werd afgerond op 15 oktober 2002 en de daarvan opgemaakte processen-verbaal werden door het arrondissementsparket te Zutphen blijkens de daarop geplaatste datumstempel(s) ontvangen op 29 oktober 2002 of 19 november 2002; c. de zaak diende voor de eerste maal op 15 augustus 2003 bij de politierechter. Deze verwees die dag de zaak voor verder onderzoek naar de rechter-commissaris; d. de rechter-commissaris heeft op 9 december 2003 een gerechtelijke plaatsopneming gehouden in het pand [a-straat 1] te [plaats]. Daarnaast hebben op verzoek van de rechter-commissaris deskundigen gerapporteerd; e. nadat de politierechter tijdens een latere zitting de zaak verwezen had naar de meervoudige kamer volgde een eerste inhoudelijke behandeling vond door de meervoudige kamer op 31 maart 2004. Op die datum werd de zaak opnieuw verwezen naar de rechter-commissaris voor nader onderzoek, ondermeer voor rapportage door een deskundige verbonden aan het NFI, een rapportage door een deskundige verbonden aan TNO en rapportage door een hoogleraar elektrotechniek; f. na deze tweede verwijzing heeft de rechter-commissaris aan een aantal deskundigen (aanvullende) opdrachten gegeven voor rapportage. De rechter-commissaris heeft op 25 november 2004 voor de tweede keer een schouw gehouden op het adres [a-straat 1] te [plaats]. De rechter-commissaris heeft nadere rapportage van deskundigen van het NFI ontvangen op 6 juli 2005 en op 11 oktober 2005 van de - toen nog - bij TNO werkzame deskundige Ing. [getuige-deskundige 2]; g. op 10 februari 2006 vond de laatste inhoudelijke behandeling door de meervoudige kamer van de rechtbank te Zutphen plaats. Het vonnis waarvan beroep werd uitgesproken op 24 februari 2006. Hoger beroep werd ingesteld op 3 maart 2006; h. de eerste behandeling in hoger beroep vond plaats ter terechtzitting van 22 november 2006.
Het hof heeft bij tussenarrest van 6 december 2006 een beslissing gegeven op een aantal verzoeken van de raadsman; i. op 18 december 2006 werd een verzoek tot wraking ingediend van de leden van de kamer die het tussenarrest van 6 december hadden gewezen. Bij op 13 februari 2007 uitgesproken beslissing van de wrakingskamer werd het verzoek tot wraking ongegrond verklaard; j . de bij tussenarrest van 6 december 2006 bepaalde gerechtelijke plaatsopneming heeft plaatsgevonden op 12 september 2007. Tijdens en direct na afloop van de schouw zijn in totaal 7 personen gehoord in de hoedanigheid van getuige en/of deskundige. Het hof heeft toen de getuigedeskundigen verzocht om aanvullende rapportage en bepaald dat bij een volgende zitting vijf getuige-deskundigen dienden te worden opgeroepen. De laatste aanvullende rapporten van deskundigen werden door de advocaat-generaal ontvangen op 25 maart 2008.
Hoewel sinds 1 juli 2002 en de datum waarop dit arrest wordt gewezen een termijn van bijna zes jaren is verstreken, is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Zowel tijdens de behandeling van de zaak door de rechtbank als door het hof is -veelal op verzoek van de raadsman van verdachte- uitgebreid aanvullend onderzoek verricht, is driemaal een descente gehouden en is veel tijd besteed aan het horen van getuige-deskundigen.
Bij het vaststellen van een datum voor de plaatsopneming door het hof was het van belang een datum te kiezen waarop zo min mogelijk deskundigen verhinderd waren. Een zittingsdatum in februari 2008 bleek in verband met verhindering van de raadsman niet door te kunnen gaan. Een complicerende factor voor de voortgang vormde de wenselijkheid het hof steeds dezelfde samenstelling het onderzoek te laten voortzetten.
Redenen waarom aan voormeld tijdsverloop enige gevolgtrekking ten gunste van verdachte zou moeten verbonden ziet het hof echter niet."
Deze conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn, in de mate die de Hoge Raad passend acht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Of de vervanging van 'goederen'door 'zaken' voor stoffelijke objecten hypercorrectief is of niet (vgl. Kn in de noot onder HR NJ 1993, 140), de terminologische disharmonie tussen strafrecht en civielrecht blijft ongemakkelijk.
2 TK 1878/79, Bijlagen 110, nr. 3 (MVT) p. 93, geciteerd met weglating van voetnoot.
3 Dat pand betreft een bedrijfshal die een jaar eerder kennelijk nog aan de verdachte toebehoorde, blijkens de verklaring van een van de twee getuigen-deskundigen van de verdediging, [betrokkene3], een directeur van een technisch installatiebedrijf, die in dat jaar (2001) de bedrijfshal van de verdachte had gekocht (bron: het proces-verbaal van de schouw van de rechter-commissaris op 9 december 2003).
4 Voor de goede orde zij vermeld, dat ik niet veronderstel dat al deze objecten zich in casu in de meterkast bevonden.
5 In HR 28 juni 1983, NJ 1984, 53, LJN AC8052 blijkt, weinig verrassend, dat het feit dat de in het geding zijnde goederen onder het enkelvoudig begrip 'huisraad' kunnen worden begrepen, niet belemmert te besluiten tot gemeen gevaar voor goederen. In HR 18 maart 1952 NJ 1952, 372 is al beslist dat onder gemeen gevaar moet worden verstaan een gevaar dat verschillende in zekere nabijheid zich bevindende goederen bedreigt.
6 De verdachte verklaart tijdens de schouw, blijkens het proces-verbaal van 12 september 2007: "Als je de deur naar de bovenkamer van de aanbouw opent, stond de jerrycan met terpentine meteen links op het stoeltje. De terpentine had ik gekocht bij de bouwmarkt. Met terpentine maak je schilderijen schoon. Ik heb met deze jerrycan met terpentine één schilderij schoongemaakt. Er was derhalve niet veel uit."
7 Vaste jurisprudentie, o.m. HR 16 mei 2000, LJN ZD1797.
8 HR 17 februari 2009, NJ 2009, 327, LJN BG7751.
9 Later, tijdens de laatste zitting, is daar wel sprake van. In een nadere bewijsoverweging van het hof, die deel uitmaakt van de aanvulling op het verkorte arrest, staat: "Ondanks een waarschuwing aan het begin van de laatste zitting heeft [getuige-deskundige 6] zich tijdens die zitting ook wanneer hij niet werd bevraagd in woord en gebaar geuit. Nadat hij meermalen ongevraagd, eigener beweging, de raadsman van verdachte had geïnstrueerd is bij wijze van ordemaatregel bepaald dat [getuige-deskundige 6] op geruime afstand van de raadsman plaats diende te nemen." 10 Volgens het proces-verbaal van deze schouw van 9 december 2003 is deze getuige-deskundige volgens eigen zeggen ook op 30 juli 2003 in het betreffende pand geweest. In de aanhef van dit proces-verbaal staat dat het ging om het in ogenschouw nemen van de toestand in het pand [a-straat 2], maar blijkens de verdere inhoud van het proces-verbaal gaat het om [a-straat 1].
11 PV schouw 12 september 2007, p. 7: "Het hof constateert dat de getuige-deskundige [getuige-deskundige 6] spullen uit de eerdergenoemde hoek weghaalt." En: "Het hof constateert dat de getuige-deskundige [getuige-deskundige 6] op de gangzijde van de deur een veeg heeft gemaakt (foto 5305, blz. 18)." p. 8: "Het hof neemt waar dat de getuige-deskundige [getuige-deskundige 6] met zijn vinger ook een witte lijn op de muur trekt."