← Nederland

ECLI:NL:PHR:2010:BO0187

Zaaknr. 10/00853 mr. E.M. Wesseling-van Gent Parket, 8 oktober 2010 Conclusie inzake: [De man] tegen

  1. mr. L. van Dijk in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over het hierna te noemen kind
  2. [De moeder] Deze zaak, die betrekking heeft op de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man, leent zich voor een verkorte conclusie. 1.1 Het tijdig

(1)tegen de beschikking van 2 december 2009 van het gerechtshof te 's-Gravenhage ingestelde cassatieberoep bevat drie middelen die opkomen tegen de bekrachtiging door het hof van de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 mei 2008, waarin de rechtbank het vaderschap van de man als vader van [het kind], hierna: het kind, heeft vastgesteld. 1.2 Het eerste middel klaagt dat het hof verweerder in cassatie onder 1, de bijzonder curator, alsmede de moeder, niet-ontvankelijk had moeten verklaren, de bijzonder curator omdat hij niet is opgekomen voor de belangen van het kind en de moeder omdat zij in eerste aanleg door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek tot vaststelling van het vaderschap van de man. 1.3 Het middel strandt reeds op de omstandigheid dat de man deze ontvankelijkheidsverweren in hoger beroep niet heeft gevoerd en dergelijke weren niet eerst in cassatie kunnen worden opgeworpen. Daarenboven faalt het middel ten aanzien van de bijzonder curator bij gebrek aan feitelijke grondslag nu de bijzonder curator wel degelijk heeft gesteld dat hij het in het belang van het kind acht dat haar afstamming juridisch vast komt te staan
(2)en ten aanzien van de moeder omdat zij door de man in zijn beroepschrift als belanghebbende is aangemerkt, in welke hoedanigheid van belanghebbende zij in de appelprocedure in de gelegenheid was verweer te voeren. 1.4 Het tweede middel klaagt dat het hof niet in zijn overwegingen heeft betrokken dat de DNA-test is aangewend voor een ander doel (te weten de vaderschapsprocedure) dan waarvoor deze was bedoeld (te weten de alimentatieprocedure), waarmee het bewijs "derhalve op ontoelaatbare wijze [is] verkregen, zodat het bewijs niet mag worden gebruikt". 1.5 Voor zover dit middel aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv. voldoet, faalt het zowel bij gebrek aan feitelijke grondslag als bij gebrek aan belang. Het hof heeft niet alleen in rechtsoverweging 9 met zoveel woorden overwogen dat de DNA-test in 2006 in het kader van een andere procedure is gedaan, maar ook kan het middel niet tot cassatie leiden nu tussen partijen niet in geschil is dat de man de verwekker van het kind is en op die grond het vaderschap is vastgesteld. 1.6 Het derde middel klaagt dat het hof geen rekening heeft gehouden met de belangen van de man bij de toewijzing van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap waarmee het oordeel van het hof onbegrijpelijk dan wel niet voldoende gemotiveerd is. 1.7 Ook het derde middel, dat een rechtsoordeel met een motiveringsklacht bestrijdt, faalt mede op de grond dat het oordeel van het hof dat voor de vaststelling van het vaderschap van een man niet meer vereist is dan dat deze de verwekker van het kind is en dat daarbij met name geen plaats is voor een afweging van belangen, juist is (zie HR 25 maart 2005, LJN AT0412 (NJ 2005, 313)). 1.8 Nu in deze zaak geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. worden verworpen met gebruikmaking van art. 81 RO. 3. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Het cassatieverzoekschrift is op 2 maart 2010 ingekomen (per fax) ter griffie van de Hoge Raad. 2 Zie het verweerschrift in hoger beroep van 3 november 2008 onder 8 en het slot van rov. 6 van de thans bestreden beschikking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.