Nr. 08/05147 Mr. Vellinga Zitting: 12 oktober 2010 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)- kan bij gebreke van enige nadere bewijsmotivering door het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door een misdrijf verkregen goed betrof, ook niet dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de oma-fiets van diefstal afkomstig was. Daarbij teken ik aan dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte er ten tijde van het voorhanden krijgen van de fiets van op de hoogte was dat hij de fiets kon verkopen voor een bedrag van € 90,-- en uit dat bedrag niet kan worden afgeleid dat de fiets naar uiterlijke kenmerken van zo goede kwaliteit was dat de verdachte moet hebben beseft dat deze wel van misdrijf afkomstig moest zijn, althans dat een aanmerkelijke kans bestond dat dat het geval was.
- Het Hof bezigt voor het bewijs ook dat de politie bekend was dat de verdachte veelpleger was. Aan het bewijs van het tenlastegelegde kan dat niet bijdragen.
- Het middel slaagt.
- Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 10 oktober 2008 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan vierentwintig maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit punt kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.