Zaaknummer: 10/03538 Mr. Wuisman Parketdatum: 5 november 2010 CONCLUSIE inzake: [verzoeker], verzoeker tot cassatie, advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos 1. Voorgeschiedenis 1.1 Verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]) heeft vanaf april 2003 tot december 2008 samen met een medevennoot een wijnhandel gedreven in het verband van een vennootschap onder firma, waarvan de handelsnaam [A] luidde. Hij is in betalingsmoeilijkheden geraakt en heeft bij een op 21 april 2010 ingediend verzoekschrift de rechtbank Amsterdam verzocht hem tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te laten. Blijkens de in artikel 285 lid 1 sub f Fw genoemde verklaring bedroeg de totale schuldenlast van [verzoeker] op 15 april 2010 € 166.087,67; die schuldenlast betreft volgens [verzoeker] voornamelijk de mede door hem gedreven wijnhandel. Tot de schuldenlast hoort een schuld van in totaal € 21.730,33 uit hoofde van geldleningen van de Dienst Werk & Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI). Aan die op de jaren 2005, 2006 en 2007 betrekking hebbende leningen was de voorwaarde verbonden, dat [verzoeker] aan het eind van elk jaar de financiële gegevens van zijn bedrijf zou overleggen. Aan die voorwaarde voldeed [verzoeker] niet. DWI heeft daarin aanleiding gevonden om bij besluit van respectievelijk 26 september 2007, 28 september 2007 en 16 september 2008 algehele terugbetaling van de leningen c.a. te vorderen. [Verzoeker] heeft ter verklaring van het niet voldoen van de voorwaarde aangevoerd, dat de boekhouder van de wijnhandel niet meer kon worden betaald en dat deze met een beroep op een retentierecht de financiële stukken van het bedrijf onder zich hield. Bovendien zou een medewerkster van het bedrijf fraude hebben gepleegd, waardoor hij ook essentiële gegevens niet kon produceren. 1.2 Bij vonnis d.d. 8 juni 2010 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen, omdat naar het oordeel van de rechtbank [verzoeker] bij het ontbetaald laten van zijn schulden aan DWI niet te goeder trouw is geweest. De rechtbank laat daarbij meewegen dat DWI had gesteld dat de schuld aan haar het gevolg van fraude was. Het hof Amsterdam bekrachtigt het vonnis bij arrest d.d. 30 juli 2010 en overweegt daartoe onder meer: "[verzoeker] kan daarvan - (het niet voldoen aan de door DWI aan de geldleningen verbonden voorwaarde) - een verwijt worden gemaakt. Dat de boekhouder de benodigde stukken vanwege zijn retentierecht onder zich hield, maakt dat niet anders. [verzoeker] is als ondernemer verantwoordelijk voor een deugdelijke boekhouding en in dat verband voor betaling van de facturen van zijn boekhouder. Dat geen sprake is van fraude - (ten opzichte van DWI) -, doet daar niet aan af. Zijn stelling dat hij vanwege fraude door een werkneemster niet over (een deel van) zijn financiële gegevens kon beschikken wordt als onvoldoende onderbouwd, eveneens verworpen." 1.3 Van het arrest van het hof is [verzoeker] met een op 6 augustus 2010 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift tijdig in cassatie gekomen.(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.