Zaaknummer: 10/03442 mr. Wuisman Parketdatum: 5 november 2010 CONCLUSIE inzake: [Verzoeker], verzoeker tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen. 1. Voorgeschiedenis 1.1 [Verzoeker], die vanaf november 2006 als eenmanszaak een schoonmaak- en onderhoudsbedrijf heeft uitgeoefend dat hij op een later moment in een hem toebehorende besloten vennootschap heeft ingebracht, heeft eerst bij de rechtbank Zwolle, zittingsplaats Lelystad, en vervolgens, na een verhuizing, op 4 maart 2010 bij de rechtbank Amsterdam een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend.(
(1)) Begin maart 2010 bedroeg volgens opgave diens schuldenlast € 166.924,
- Tot de schulden behoren op naam van [verzoeker] staande belastingschulden. 1.2 Bij vonnis d.d. 1 juni 2010 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. Dit vonnis bekrachtigt het hof Amsterdam bij arrest van 23 juni
- Naar het oordeel van het hof moeten de belastingschulden geacht worden niet te goeder trouw te zijn ontstaan. De voor betalingsonmacht aangevoerde rechtvaardigingsgrond voor het niet voldoen van de schulden, te weten fraude althans onrechtmatig handelen van werknemers, acht het hof onvoldoende onderbouwd. Bovendien ontslaat die grond, aldus het hof, niet van de betalingsverplichting. Verder is het hof van oordeel dat het feit dat [verzoeker] geen eenmanszaak meer drijft, niet voldoende om een beroep op artikel 288 lid 3 Fw te honoreren (rov. 2.4).
- Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Onder 4.3 t/m 4.5 worden klachten aangevoerd in verband met het oordeel van het hof dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het onbetaald laten van de belastingschulden te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1, sub b, Fw). De klachten gaan niet op. 2.1.1 Wat er van de in 4.3 genoemde verfijningen ook zij, zij laten onverlet dat ook de belastingschulden, die te maken hebben met de uitoefening van de eenmanszaak, schulden zijn die op naam van [verzoeker] staan en door hem zijn te voldoen. Het oordeel van het hof dat [verzoeker] de aangevoerde rechtvaardigingsgrond voor de betalingsonmacht onvoldoende onderbouwd heeft, wordt als zodanig niet bestreden. Dat bijgevolg voor juist te houden oordeel brengt reeds mee dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet voldoen van de belastingschulden te goeder trouw is geschied en dat dus een voorwaarde voor honorering van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet in vervulling is gegaan. 2.1.2 In 4.4 wordt uit het oog verloren dat het hof bij zijn oordeelsvorming de schulden van de BV niet in aanmerking heeft genomen. 2.1.3 Voor het betoog in 4.5 is geen (voldoende) grondslag in de stukken te vinden. 2.2 In 4.6 wordt opgekomen tegen de afwijzing door het hof van het beroep op artikel 288 lid 3 Fw. Tevergeefs, want uit feit dat de eenmanszaak in de BV is ingebracht hoeft niet zonder meer te volgen dat [verzoeker] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. Niet alleen heeft [verzoeker] onvoldoende inzicht in die omstandigheden gegeven, maar omvatte de schuldenlast ook niet aan de eenmanszaak gerelateerde schulden. Bovendien gaat het in artikel 288 lid 3 Fw om een discretionaire bevoegdheid. Dat die bevoegdheid door het hof op onjuiste of onbegrijpelijke wijze is uitgeoefend wordt niet genoegzam aangetoond. 2.3 Alle aangevoerde klachten falen derhalve.
- Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
- [Verzoeker] is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1], die ook een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft gedaan. Dat verzoek speelt in de onderhavige zaak geen rol.