Nr. 09/02281 Mr. Vellinga Zitting: 21 september 2010 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Het mag zo zijn dat de verklaringen van aangever en zijn echtgenote op essentiële onderdelen overeenkomen, daar staat tegenover dat de raadsman met kracht van argumenten betoogt waarom niet geloofwaardig is dat de aangever met zijn echtgenote niet meer over de details van het voorval in het ziekenhuis heeft gesproken, dat er belangrijke verschillen zijn tussen hetgeen de getuige [betrokkene 2] tegenover de politie en tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard, en dat hetgeen deze getuige tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard over de positie van verdachte en aangever ten opzichte van het ziekenhuisbed uitsluiten dat verdachte, zoals aangever heeft verklaard, met zijn gezicht heel dicht bij dat van aangever kwam. Voorts vergt het passeren van het betoog dat het geweld sporen had moeten achterlaten gezien de daaraan ten grondslag gelegde motivering, o.a. een verklaring van een medicus, nadere uitleg. Een en ander klemt temeer nu, zoals verdachtes raadsman heeft aangevoerd, het bewijs louter is gebaseerd op de verklaring van aangever en zijn echtgenote, die beiden in een verstoorde familierelatie tot de verdachte staan.
- Het middel slaagt.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Vgl. HR 13 juli 2010, LJN BM
- In HR 23 maart 2010, LJN BK6929, met kritische noot Y. Buruma achtte de Hoge Raad de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betreffende de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen voldoende met redenen omkleed maar daar had het Hof - anders dan in het onderhavige geval - met zoveel woorden de verschillen tussen de verklaringen onder ogen gezien.