Nr. 09/00747 Mr. Machielse Zitting: 26 oktober 2010 Conclusie inzake: [Verdachte]
(2)heeft het Hof met de bewezenverklaring dat verdachte in totaal € 2.850.926,23 heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit bedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was "uit de opbrengst van fiscale strafbare feiten, in elk geval afkomstig van enig misdrijf" met de hierboven onder 5 en 6 geciteerde bewijsconstructie voldoende gemotiveerd.
- De steller van het middel klaagt voorts dat het Hof bij de vaststelling van het witgewassen bedrag rekening had moeten houden met verdachtes bezit van de vermoedelijk circa vier hectare grond in Marokko, die hij van zijn vader verkreeg, althans dat het Hof nader had moeten motiveren waarom niet aannemelijk is geworden dat een deel van de gestorte gelden de opbrengst hiervan bevat.
- De klacht miskent dat het Hof heeft overwogen dat de bedoelde grond weinig waarde heeft en slechts groenten voor eigen gebruik oplevert. Die overweging is geenszins onbegrijpelijk, gezien de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de vader van verdachte (bewijsmiddelen 15, 16 en 18). Voorts heeft verdachte niet betoogd dat hij de grond die hij van zijn vader heeft gekregen heeft verkocht, noch heeft hij duidelijkheid gegeven over een eventuele opbrengst van die verkoop
- Derhalve faalt het eerste middel in beide onderdelen.
- Het tweede middel klaagt over de afwijzing van het verzoek om [betrokkene 4], een neef van verdachte, als getuige te doen horen.
- Het bestreden arrest houdt hieromtrent het volgende in: "Ter zitting van het hof van 26 januari 2009 heeft de raadsman van verdachte (mr Meerman) aangevoerd dat het hof nog geen beslissing zou hebben genomen omtrent diens verzoek om ook [betrokkene 4], een neef van verdachte, als getuige te doen horen. Het hof constateert dat de raadsman ter zitting van het hof van 14 april 2006 een lijst van getuigen heeft overgelegd - welke aan het proces-verbaal van die zitting is gehecht - waarbij die getuige als nummer 4 werd vermeld. De advocaat- generaal deelde toen mede dat hij niet inhoudelijk op het verzoek van de raadsman tot het horen van de opgegeven getuigen kon reageren omdat het onderliggende strafdossier niet binnen was. De behandeling werd daarop aangehouden tot de zitting van 30 juni
- Vervolgens ontving het hof een brief d.d. 19 juni 2006 van de raadsman, waarbij de raadsman met het oog op de regiezitting van 30 juni 2006 de namen van in totaal zes personen, met motivering, opgaf om als getuigen te worden gehoord. Daarbij werd echter niet meer om het horen van de getuige [betrokkene 4] verzocht. Omdat het dossier nog steeds niet bij het hof binnen was gekomen, werd de regiezitting toen nader bepaald op 20 september
- Ter zitting van het hof van 20 september 2006 is de getuige [betrokkene 4] in het geheel niet meer ter sprake gekomen. De raadsman deed op die zitting afstand van vier getuigen, zodat een verzoek met betrekking tot twee getuigen resteerde. Het hof heeft in zijn tussenbeslissing d.d. 4 oktober 2006 dan ook overwogen dat het verzoek van de verdediging zich beperkte tot het doen horen van die twee getuigen, te weten [betrokkene 5] en de vader van verdachte. Deze twee personen werden inmiddels als getuigen gehoord. Pas op de zitting van 26 januari 2009 werd door de raadsman medegedeeld dat bij het horen van [betrokkene 4] werd gepersisteerd. Slotsom is echter dat voor het eerst weer op 26 januari 2009 door de verdediging werd teruggekomen op een eerder geuite wens om die getuige te doen horen, welke wens de verdediging in de tussentijd kennelijk had laten varen. Het hof beschouwt het ter zitting van 26 januari 2009 gedane verzoek dan ook als een hernieuwd verzoek om die getuige te doen horen. Mede in het licht van hetgeen hierna onder "herkomst gelden" wordt overwogen ziet het hof redelijkerwijs geen noodzaak tot het alsnog doen horen van deze getuige."
- Volgens de steller van het middel heeft het Hof, door te verwijzen naar zijn overwegingen onder het kopje 'herkomst gelden' (zie onder 6), de afwijzing onvoldoende gemotiveerd, nu verdachte wordt tegengeworpen dat familieleden zijn verklaringen over de herkomst van het geld uit de opbrengst van grondverkoop in Marokko niet hebben bevestigd.
- Met betrekking tot de herkomst van de gelden heeft het Hof onder meer het volgende overwogen. Verdachte heeft op dit punt tegenstrijdige verklaringen afgelegd, waaronder de verklaring dat zijn vader en zijn oom en tante het geld hebben verkregen door het verkopen van grond. Ter zitting van 20 september 2006 heeft verdachte gesteld dat alleen door het horen van zijn vader duidelijkheid kon ontstaan over de grondverkoop en de opbrengsten daarvan. De vader van verdachte is driemaal gehoord, waarvan de laatste keer op 18 juli 2008 onder ede en in het bijzijn van de rechter-commissaris. Het Hof heeft geloof gehecht aan de verklaringen van de vader, die geen enkele steun bieden voor het verweer van verdachte dat de gelden de opbrengst zijn van de verkoop van land - laat staan voor zijn eerdere lezing dat het zou gaan om een erfenis van zijn overleden vader. In dit licht is 's afwijzing van het latere (hernieuwde) verzoek om een neef van verdachte als getuige te doen horen, omdat het hiervoor redelijkerwijs geen noodzaak ziet, niet onbegrijpelijk en behoeft zij geen nadere motivering.
- Derhalve faalt ook het tweede middel.
- Beide middelen falen en kunnen door de Hoge Raad worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
- Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Deze zaak hangt samen met de zaak 09/01255 P, waarin ik heden ook concludeer. 2 Zie bijv. HR 13 juli 2010, LJN BM2471, HR 7 oktober 2008, LJN BD2774, NJ 2009/94 m.nt. Borgers, HR 27 september 2005, LJN AT4094, en HR 28 september 2004, LJN AP2124.