Nr. 09/03416 Mr. Silvis Zitting 9 november 2010 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Deze bepaling luidde als volgt: "De werkgever deelt de aanvang van of de beëindiging van werkzaamheden door een verzekerde, alsmede de wijziging in de arbeidsverhouding met de verzekerde, mede aan de Uitvoeringsinstelling die ten aanzien van hem de in artikel 41 bedoelde werkzaamheden verricht."
- Met de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de rechtspersonen verplicht waren de aanvang van werkzaamheden door de betreffende verzekerden mee te delen aan de uitvoeringsinstellingen GAK Nederland BV of het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, heeft het middel of voor ogen dat art. 91, eerste lid, Osv in de bewijsmiddelen hadden moeten worden opgenomen of bedoelt het te klagen dat de mededelingsplicht van art. 91, eerste lid, Osv i.c. niet van toepassing is. De steller van het middel zal het eerste geval niet hebben bedoeld. Indien het middel beoogt te klagen dat de mededelingsplicht van art. 91, eerste lid, Osv niet van toepassing is, merk ik op dat deze klacht zo algemeen is geformuleerd, dat het niet kan worden aangemerkt als een middel van cassatie. Bovendien is deze klacht zo verweven met het aan de feitenrechter toekomende feitelijke oordeel dat het niet voor het eerst in cassatie worden voorgesteld.
- Hetzelfde lot treft de klachten geformuleerd onder de nummers 5.2.3 tot en met 5.
- Deze klachten zijn zo algemeen en onduidelijk, dat ook zij niet als middel van cassatie kunnen worden aangemerkt.
- Het derde middel faalt, voor zover het als middel van cassatie in de zin der wet is te beschouwen.
- Het vierde middel heeft betrekking op het onder 4 bewezenverklaarde feit. Geklaagd wordt dat het hof niet, althans niet voldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de facturen d.d. 2 oktober 2000 en 2 november 2000 niet valselijk zijn opgemaakt.
- Ter terechtzitting heeft de verdediging - voor zover hier van belang - aangevoerd: "VALSHEID IN GESCHRIFT (tenlastelegging 4) In eerste instantie lijken o.a. [betrokkene 8] er van te zijn uitgegaan dat de facturen vals waren. Althans, als hen dat tijdens de verhoren wordt voorgehouden, dat de facturen vals zouden zijn, wordt daar vanuit gegaan en probeert iedereen de zwarte piet bij de ander neer te leggen. Tijdens zijn verhoor bij de rc op pagina 5 en 6 - niet meer als verdachte en inmiddels op de hoogte van hoe een en ander destijds precies is gegaan - bevestigt [betrokkene 8] de versie van [verdachte] (productie 2). De werkzaamheden waren al door de onderaannemers van [D] B.V. verricht en [D] B.V. moest die werkzaamheden aan [E] B.V. doorberekenen. Omdat [getuige 1] in gebreke bleef, heeft [verdachte] aan [betrokkene 8] gevraagd om de geldstroom op gang te brengen. [Betrokkene 8] heeft dit verzoek aldus begrepen dat hem gevraagd werd de facturen te verzorgen. [Betrokkene 8] deed dat vaker voor [D] B.V. De bedragen klopten, de factuurnummers klopten en de omschrijving klopte. [Getuige 1] was echter niet van tevoren op de hoogte en [betrokkene 8] heeft vervolgpapier gebruikt (kleiner logo). [Verdachte] en/of [betrokkene 8] hebben dus nooit de bedoeling gehad (oogmerk) om facturen te vervalsen en om die als zijn de echt en onvervalst te gebruiken. De facturen zijn ook niet vals, want de facturen vermelden de juiste bedragen, de juiste geadresseerde en de juiste afzender, namelijk [D] B.V. en de bedragen zijn uiteindelijk ook aan [D] B.V. uitbetaald. [Betrokkene 8] heeft de facturen binnen de boekhouding van [D] B.V. opgesteld. Van het opzettelijk vervalsen is dus geen sprake geweest. Conclusie: vrijspraak"
- Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen: "Overweging met betrekking tot het bewijs (...) Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde Door de verdediging is betoogd dat van valsheid in geschrift geen sprake kan zijn, nu door middel van de facturen van 1.10.2000 en 2.11.2000 bedragen in rekening worden gebracht voor feitelijk verrichte werkzaamheden. Bovendien, zo stelt de raadsman, heeft [getuige 1] de betreffende facturen wel in zijn administratie opgenomen. Ook dat verweer gaat niet op. De facturen die door [E] B.V. zijn toegezonden aan de [H] B.V. , zijn buiten [getuige 1] om opgemaakt door [betrokkene 8] in opdracht van verdachte, terwijl [betrokkene 8] en verdachte daartoe niet gerechtigd waren. Met die facturen beoogde verdachte [H] te bewegen betalingen te doen wegens door [D] B.V. aan [E] B.V. in rekening gebrachte termijnen van het totaal verschuldigde bedrag. Derhalve werd met die facturen een vals beeld gecreëerd, met behulp waarvan [verdachte] zich een aanmerkelijke liquiditeitsvoordeel heeft geschapen, waar tegenover risico's voor anderen stonden. Het hof is op grond van de verklaringen van [betrokkene 8], [betrokkene 1] en [getuige 1] ervan overtuigd dat verdachte met [betrokkene 8] deze valsheid in geschrift heeft medegepleegd. Dat [getuige 1] de facturen naderhand wel in zijn administratie heeft opgenomen doet, anders dan de raadsman heeft betoogd, aan de gepleegde valsheid niets af.
- Voor zover het middel inhoudt dat het hof de door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende heeft laten meewegen in zijn beslissing, merk ik op dat de weging en waardering van feiten een aangelegenheid is die aan de feitenrechter is voorbehouden.
- Indien het middel echter bedoelt te klagen dat het hof voorbij is gegaan aan het verweer van de raadsman dat de omstandigheid dat de facturen onbevoegdelijk zijn opgemaakt nog niet betekent dat zij valselijk zijn opgemaakt, merk ik op dat het hof voldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom het van oordeel is dat de facturen valselijk zijn opgemaakt. Het hof heeft met zijn oordeel dat met de facturen een vals beeld is gecreëerd vastgesteld dat de valsheid zit in het voorwenden dat de facturen van een ander, nl. van [D] BV, afkomstig zijn. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat i. de facturen door [betrokkene 8] in opdracht van verdachte en buiten [getuige 1] om zijn opgemaakt; ii. [betrokkene 8] en verdachte daartoe niet gerechtigd waren; iii. de facturen door [E] BV aan de [H] BV zijn toegezonden; iv. verdachte met die facturen beoogde [H] te bewegen betalingen te doen wegens door [D] BV aan [E] BV in rekening gebrachte termijnen van het totaal verschuldigde bedrag. 's Hofs oordeel dat de facturen valselijk zijn opgemaakt geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, mede gelet op de omstandigheden die door het hof in aanmerking zijn genomen, niet onbegrijpelijk. Het middel faalt.
- Het vijfde middel komt op tegen het onder 5 bewezenverklaarde feit, nl. dat: "[E] B.V. op 09 oktober 2001 te Nijmegen, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het tijdvak september 2001 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft die [E] B.V. opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Nijmegen ingeleverde aangifte/aangiftebiljet omzetbelasting over genoemd tijdvak een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en een bedrag aan terug te vragen belasting opgegeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven."
- Het middel behelst ten eerste de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld.
- I.c. doet zich het geval voor waarin de opzet van [E] BV afgeleid wordt van het opzettelijk handelen door zijn feitelijk leidinggevende, verdachte. Voor wat betreft de vraag of verdachte opzettelijk onjuist en/of onvolledig aangifte heeft gedaan, zijn met name de volgende bewijsmiddelen relevant: - Bewijsmiddel 27, zijnde een afschrift van een notariële leveringsakte registergoed d.d. 3 september 2001, opgemaakt door mr. J.F. Verlinden, notaris te Eindhoven, inhoudende - zakelijk weergegeven -: "Afschrift van een akte houdende levering door [E] B.V. aan [H] BV van het zakelijk recht van opstal ten behoeve van energievoorzieningen c.s. op een gedeelte van het perceel aan [G] te [plaats]. [E], hierna te noemen "verkoper" en [H] BV, hierna te noemen "koper". De koopprijs van het verkochte bedraagt fl. 2.700.000,00, vermeerderd met de verschuldigde omzetbelasting ad fl. 513.000,00, derhalve totaal fl. 3.213.000,
- Genoemd bedrag is op heden tussen partijen verrekend. Mitsdien wordt voor de betaling van genoemde koopprijs met omzetbelasting door Verkoper aan Koper kwijting verleend." - Bewijsmiddel 28, zijnde een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 10], gedateerd 6 maart 2003, inhoudende als verklaring van deze getuige - zakelijk weergegeven - : "[Verdachte] zocht een financier voor de installatie van warmtepompen in het zwembad in [G]. Wij hebben die installatie gefinancierd en later is daar ook nog een warmtekrachtkoppeling bij gekomen. Voor ingebruikname is de installatie geleverd door middel van een notariële akte. Betaling heeft plaatsgevonden door verrekening met de voorfinanciering. Het was de bedoeling dat de te betalen vergoeding voor de levering en het bedrag dat was voorgefinancierd gelijk waren, afgezien van een rentevergoeding. Met [E] BV is nadrukkelijk afgesproken dat [E] BV de in verband met de levering verschuldigde omzetbelasting moest betalen. In september 2001 heb ik [verdachte] persoonlijk aan de telefoon gehad. Ik heb hem tijdens dat gesprek expliciet verzocht [H] een factuur te sturen in verband met de levering. Op de factuur zou dan ook de BTW komen te staan. [Verdachte] wenste geen factuur te sturen, omdat hij niet in staat was de BTW te betalen. Hij wilde een oplossing voor het [G]-verhaal, waarbij hij dit BTW probleem ook meegenomen wilde zien en het gefinancierd wilde hebben. Daar ben ik toen niet op ingegaan. Ik heb [verdachte] duidelijk aangegeven dat hij de BTW al verschuldigd was in verband met de levering van de opstalrechten." - Bewijsmiddel 29, zijnde een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 8], gedateerd 24 maart 2003, inhoudende als verklaring van deze getuige - zakelijk weergegeven - : "Ik wist niet van de levering door [E] BV van het zakelijk recht van opstal ten behoeve van energievoorzieningen c.s. op een gedeelte van het perceel aan [G] te [plaats]. Ik heb niet expliciet met [verdachte] over deze omzetbelasting gesproken. Ik heb [verdachte] er wel op gewezen dat hij, als hij installaties gaat leveren, BTW verschuldigd is en dat er daarvoor liquide middelen voorhanden moeten zijn om deze BTW te kunnen betalen." - Bewijsmiddel 30, zijnde een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1], gedateerd 19 maart 2003, inhoudende als verklaring van deze getuige - zakelijk weergegeven - : "In de regel was het zo dat ik de stukken van de notaris kreeg. Ik ging de stukken door en gaf dan de stukken aan [verdachte] zelf. [Verdachte] tekende niets ongelezen. De concepten heeft [verdachte] ook onder ogen gehad en hij was dus bekend met de inhoud." - Bewijsmiddel 31, zijnde een proces-verbaal van verhoor van verdachte, gedateerd 25 april 2002, inhoudende als zijn verklaring - zakelijk weergegeven - : "U houdt mij voor dat in de overeenkomst met [H] BV, terzake de levering van de opstalrechten "[G]", omzetbelasting door [E] BV wordt berekend. Ik heb geen factuur verstuurd. Ik heb deze omzetbelasting dus niet afgedragen. Ik weet wel dat als ik een factuur had verstuurd ik de omzetbelasting moet afdragen. U toont mij de aangifte omzetbelasting van [E] BV over het tijdvak september
- Ik herken mijn handtekening. Ik heb deze aangifte omstreeks 4 oktober 2001 te Bemmel ondertekend. Ik kan me het telefoontje van [betrokkene 10] in september 2001 wel ongeveer herinneren."
- Voorts bevat 's hofs arrest de volgende bewijsmotivering: "Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde Tenslotte is door de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 5 tenlastegelegde strafbare feit omdat verdachte niet opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte van de omzetbelasting heeft gedaan nu verdachte meende dat er nog geen omzetbelasting verschuldigd was. Het hof is van mening, dat verdachte wel degelijk opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de Algemene wet inzake rijksbelastingen. In een telefoongesprek in september 2001 tussen verdachte en [betrokkene 10], medewerker van [H], is over de verschuldigdheid van omzetbelasting gesproken bij de levering van installaties. In een notariële akte, opgemaakt tussen verdachte en [H] B.V. is verwoord dat een groot bedrag aan omzetbelasting is verschuldigd, welk bedrag door middel van verrekening met de eerder door [H] verstrekte lening wordt voldaan. Als verdachte dan, zonder enig nader onderzoek naar de juistheid van zijn stelling dat pas omzetbelasting verschuldigd is als hij een factuur verstuurt, geen omzetbelasting terzake van deze levering in zijn aangifte omzetbelasting vermeldt, handelt hij opzettelijk."
- Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen 27-31 volgt dat verdachte wist dat [E] BV omzetbelasting moest afdragen ter zake van het zakelijk recht van opstal dat de BV aan [H] BV heeft geleverd. Voorts kan uit bewijsmiddel 28 in samenhang met bewijsmiddel 31 worden afgeleid dat verdachte - indien hij dit eerder niet wist - in elk geval nà het telefoongesprek met [betrokkene 10] ervan op de hoogte was geraakt dat de omzetbelasting die [E] BV ter zake van de levering aan [H] BV moest afdragen reeds was verschuldigd. Het gesprek met [betrokkene 10] vond plaats in september
- Het namens [E] BV ingediende aangiftebiljet over het tijdvak september 2001 heeft verdachte op 4 oktober 2001 - en dus na het gesprek met [betrokkene 10] - ondertekend en ingediend (zie de bewijsmiddelen 31 en 32).
- Het hof heeft in zijn overweging (zie onder 35) tot uitdrukking gebracht dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat namens [E] BV onjuist en/of onvolledig aangifte is gedaan van de omzetbelasting over het tijdvak
- Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat verdachte naar aanleiding van het gesprek met [betrokkene 10] ervan op de hoogte was dat de door [E] BV af te dragen omzetbelasting ter zake van de levering aan [H] BV al verschuldigd was, maar dat hij de aangifte over het tijdvak 2001 heeft ondertekend en ingediend (of laten indienen) zonder enig nader onderzoek te hebben gedaan naar de juistheid van zijn veronderstelling dat die omzetbelasting pas is verschuldigd als een factuur is verstuurd, terwijl hij wist dat de omzetbelasting die ter zake van de levering aan [H] BV is verschuldigd niet in de aangifte was vermeld.
- De klacht dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld faalt dus.
- Het middel behelst verder de klacht dat voor zover bewezen is verklaard dat [E] BV in de aangifte over het tijdvak 2001 "een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en een bedrag aan terug te vragen belasting [heeft] opgegeven", uit de bewijsmiddelen niet volgt dat in de aangifte een bedrag aan terug te vragen belasting is opgegeven.
- Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder bewijsmiddel 32, volgt niet dat [E] BV in de aangifte over het tijdvak 2001 een bedrag aan terug te vragen belasting heeft opgegeven. Het middel klaagt hierover terecht.
- De middelen 2 tot en met 4 falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
- Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in cassatie is overschreden. Verdachte heeft op 15 juli 2008 beroep in cassatie ingesteld. Dat betekent dat de termijn van twee jaren waarbinnen de Hoge Raad uitspraak zal doen inmiddels is overschreden. Het hof waarnaar de zaak wordt verwezen kan indien het komt tot strafoplegging rekening houden met de termijnoverschrijding in cassatie.
- Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Zie voor de definitie van verzekerde in de zin de Osv art. 1, onder f, van deze wet.