Nr. 09/00921 Mr. Aben Zitting 31 augustus 2010 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)getuigt het in deze verwerping besloten liggende oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde dit oordeel evenmin nader gemotiveerd te worden. Voorts heeft het hof in zijn onder 3.3 aangehaalde bewijsoverweging overwogen dat, wat er ook zij van de letterlijke vertaling van het Engelstalige woord 'bastard', dit woord in het gewone spraakgebruik en dus naar algemeen bekend is als scheldwoord wordt gebruikt. In deze overweging ligt als rechtsopvatting besloten dat het feit dat zowel de verdachte als de betrokken politieambtenaar het Nederlands als moedertaal hebben aan de algemene bekendheid van de betekenis van het genoemde woord niet afdoet. Die rechtsopvatting komt mij evident juist voor, zodat het hof ook hier niet tot een nadere motivering gehouden was. Bij het voorgaande past nog als algemene opmerking dat het dragen van kleding voorzien van de afkorting 'A.C.A.B.' door bepaalde groepen jongeren er juist toe strekt een bepaald maatschappelijk signaal af te geven en/of ten opzichte van de maatschappij waarvan zij onderdeel uitmaken een eigen identiteit te definiëren. Met deze omstandigheid lijkt de algemene bekendheid van de beledigende betekenis van de betreffende afkorting reeds in belangrijke mate gegeven te zijn. 3.
- De eerste klacht van het middel faalt derhalve. 3.
- Met de tweede klacht richt het middel zich tegen 's hofs oordeel dat de gedraging van de verdachte - bestaande uit het dragen in de publieke ruimte van een bomberjack voorzien van de afkorting 'A.C.A.B.' - een opzettelijke belediging van een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening oplevert in de zin van art. 266, eerste lid, Sr. in verbinding met art. 267, onder °2, Sr. Volgens de steller van het middel betreft de genoemde afkorting de politie als zodanig en niet één of meer bepaalde politieambtenaren, zodat het opzet van de verdachte niet gericht kan zijn geweest op belediging van de betrokken politieambtenaar als individu. 3.
- Juist is vanzelfsprekend dat voor strafbaarheid op de voet van art. 266, eerste lid, Sr. in verbinding met art. 267, onder °2, Sr. is vereist dat het opzet van de verdachte gericht is geweest op belediging van een individuele ambtenaar. Op de vraag of een opzettelijke belediging met algemene strekking tevens een opzettelijke belediging van een individueel persoon kan opleveren laat zich bezwaarlijk een voor alle gevallen geldend antwoord formuleren. Veel hangt af van de omstandigheden van het concrete geval. In de toelichting op het middel wordt onder meer gesteld dat van politieambtenaren - net als van bijvoorbeeld politici - een groter incasseringsvermogen mag worden verwacht dan van willekeurige anderen. Daar staat tegenover dat politieambtenaren vanwege het gezag waarover zij voor hun taakvervulling in de publieke ruimte dienen te beschikken zich juist eerder individueel beledigd zullen weten dan willekeurige anderen. Doorslaggevend in het onderhavige geval is m.i. echter dat - zoals het hof feitelijk heeft vastgesteld - de verdachte een week voor zijn aanhouding door collega's van de betrokken politieambtenaar een waarschuwing had ontvangen. Uit deze omstandigheid heeft het hof zonder meer kunnen afleiden dat bij de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet bestond op het beledigen van de betrokken politieambtenaar. 's Hofs oordeel in dit verband getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. 3.
- De tweede klacht van het middel faalt eveneens. 3.
- De derde klacht van het middel betoogt dat het hof in het bestreden arrest heeft nagelaten bij de vraag naar de strafbaarheid van de gedraging van de verdachte diens recht op een vrije meningsuiting te betrekken. Voor zover daarbij de onder 3.4 aangehaalde overweging van het hof dat het uiten van een mening zijn grenzen vindt in de bescherming van de goede naam van anderen over het hoofd wordt gezien, ontbeert de klacht een grondslag in de feiten. Voor zover de klacht integendeel geacht moet worden tegen de genoemde overweging op te komen, faalt zij eveneens. Van een onjuiste rechtsopvatting getuigt de overweging van het hof immers niet en door de verdediging is in hoger beroep niets aangevoerd wat het hof tot een nadere motivering noopte. 3.
- Ook de derde klacht van het middel faalt daarom.
- Alle klachten van het middel falen en kunnen naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 6e druk, blz. 667.