Nr. 10/00703 Mr. Machielse Zitting 11 januari 2011 Conclusie inzake: [Verdachte]
(2)Waarom het feit dat [betrokkene 4] tijdens zijn verhoren door de FIOD gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht in een bewijsoverweging is opgenomen is mij evenmin helder. Kortom, de bewijsoverwegingen voldoen niet aan de Promiscriteria. Het middel slaagt, althans voorzover het geacht mag worden daarover te klagen. 4.
- Het tweede middel klaagt over schending redelijke termijn in de cassatiefase. Op 14 april 2009 is cassatie ingesteld en het dossier is eerst op 26 januari 2010 ter administratie van de Hoge Raad ontvangen. 4.
- Deze gegevens zijn mij juist gebleken. Aldus is de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met één maand en 12 dagen overschreden. Met deze overschrijding van de redelijke termijn zal de rechter die de zaak in hoger beroep in mijn visie opnieuw zal moeten behandelen rekening kunnen houden.
- Het eerste middel is gegrond voor zover het klaagt over de onduidelijkheid over de wettige bewijsmiddelen waaraan een aantal gegevens die het hof in de bewijsoverweging heeft genoemd is ontleend. Ook het tweede middel treft doel. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 HR 15 mei 2007, NJ 2007, 387 m.nt. Buruma. 2 Vermoedelijk is dit gegeven ontleend aan het bewijsmiddel dat is aangeduid in de aanvulling onder 14.