Nr. 09/02618 Mr. Aben Zitting 1 februari 2011 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Hetgeen overigens nog in het middel wordt aangevoerd doet hier niet aan af, waarbij ik ook nog opmerk dat de raadsman op de terechtzitting van 11 juni 2009 desgevraagd heeft verklaard dat 'hij zich aangaande de gevorderde wijziging refereert aan het oordeel van het hof.' 4.
- Het tweede middel is vruchteloos voorgesteld. 5.
- In het derde middel wordt betoogd dat de bewezenverklaring - voor zover inhoudende dat de verdachte [getuige] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht -onvoldoende gemotiveerd is. 5.
- Het middel berust op de opvatting dat de door de verdachte jegens [getuige] verrichte handelingen waarvan de bewijsmiddelen blijk geven geen bedreiging in de bewezenverklaarde zin kan opleveren. Deze handelingen houden in: het uit zijn broekband achter de rug pakken van een vuurwapen en dat vuurwapen, voor [getuige] duidelijk zichtbaar, naar voren halen waarna hij het vuurwapen in zijn broeksband aan de voorzijde stak. Anders dan de steller van het middel acht ik 's hofs oordeel dat deze handelwijze van dien aard was en onder zodanige omstandigheden is verricht dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen onjuist, noch onbegrijpelijk. Een verdergaande toetsing van dat oordeel behoort in cassatie niet tot de mogelijkheden. 5.
- Het derde middel faalt. 6.
- Het vierde middel klaagt erover dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte rekening heeft gehouden met een ad informandum gevoegd feit, nu niet blijkt dat de verdachte dit feit ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend. 6.
- De inleidende dagvaarding bevat een mededeling van een ad informandum gevoegd feit betreffende het op 18 januari 2008 voorhanden hebben van een traangasbusje. Het hof heeft bij de straftoemeting, zo blijkt uit de strafmotivering, rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan genoemd ad informandum gevoegd strafbaar feit, voor welk feit hij, aldus de strafmotivering, niet afzonderlijk zal worden vervolgd. 6.
- In het geval de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen staat het de appelrechter alleen dan vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met het ad informandum gevoegde feit indien op grond van een door de verdachte ter terechtzitting gedane erkenning aannemelijk is geworden dat hij dit strafbare feit heeft begaan en wanneer voorts ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen. Het gaat daarbij, aldus vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, om erkenning door de verdachte van het ad informandum gevoegde feit ten overstaan van de rechter die de straf oplegt.