ECLI:NL:PHR:2011:BP4606
Nr. 09/04655 Mr. Jörg Zitting 8 februari 2011 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 5 november 2009 het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.
Uit dit faxbericht is af te leiden dat verdachte zich gedurende de cassatieprocedure - juli 2010 - tot een andere raadsman heeft gewend zodat zich derhalve een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat verdachte met het cassatieberoep van het openbaar ministerie bekend is. Aldus verzet art. 434, derde lid, Sv zich niet langer tegen een voortgang van de behandeling in cassatie. De ratio van het bepaalde in art. 433, eerste lid, en 434, derde lid, Sv is immers dat de verdachte de mogelijkheid heeft zich tegen het beroep van het openbaar ministerie te verweren door dit tegen te spreken en dat hij de gelegenheid krijgt incidenteel beroep in cassatie in te stellen. Daaraan is in de onderhavige zaak voldaan. De termijn waarbinnen de verdachte op grond van art. 433, tweede lid, Sv alsnog beroep in cassatie kon instellen, is inmiddels verstreken, zodat met de behandeling van deze zaak kan worden voortgegaan (vgl. de conclusie van toenmalig advocaat-generaal Fokkens bij HR 9 januari 2001, NJ 2001, 126).
Het in artikel 167, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in dat het openbaar ministerie belangen kan afwegen op grond van zijn verantwoordelijkheid binnen de grenzen die de wet, regelgeving en de verdragen stellen met betrekking tot het justitieel beleid ten aanzien van het al dan niet vervolgen van verdachten van strafbare feiten. Deze belangenafweging staat - in geval van vervolging - in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot een vervolging had kunnen besluiten, kan sprake zijn van het vervallen van het recht tot strafvervolging en een door de rechter uit te spreken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Het lijdt evenmin twijfel dat indien in bovenstaande vonnissen wordt gesproken over een inlichtingenplicht, hiermee wordt gedoeld op de inlichtingenplicht ex artikel 58 Iw 1990. In het kort gedingvonnis van 27 februari 2001 wordt dat verband ook met zoveel woorden gelegd. Artikel 60 van de Iw 1990 bepaalt aan welke eisen de gevraagde gegevens en inlichtingen dienen te voldoen. Het niet voldoen aan deze inlichtingenplicht is strafbaar gesteld in artikel 64 en 65 van die wet. Dit is het feit waarvoor de verdachte in deze strafzaak terechtstaat. Het gaat in dit verband in deze strafprocedure derhalve om hetzelfde vergrijp en om dezelfde persoon als in de gijzelingsprocedure.
Aan het oordeel dat de verdachte mede gegijzeld is geweest op grond van het niet voldoen aan dezelfde inlichtingenplicht als waarvoor hij nu strafrechtelijk terechtstaat doet niet af dat de strafrechtelijke vervolging van de verdachte (anders dan de gijzelingsprocedure) ook ziet op het onjuist informeren van de ontvanger. Naar het oordeel van het hof is in artikel 58 Iw 1990 sprake van één inlichtingenplicht. Het niet voldoen aan die inlichtingenplicht is strafbaar gesteld. Als niet wordt voldaan aan de voorschriften die omtrent het leveren van die inlichtingen zijn gesteld in artikel 60 Iw 1990 is die inlichtingenplicht geschonden. Of het nu gaat om het (opzettelijk) niet of onjuist of onvolledig verstrekken van inlichtingen: het gaat in alle gevallen om het niet voldoen aan dezelfde inlichtingenplicht.
De advocaat-generaal heeft gesteld dat lijfsdwang niet kan worden bevolen voor het niet voldoen aan de inlichtingenplicht, zoals is opgenomen in hoofdstuk VII Iw 1990, omdat lijfsdwang slechts is bedoeld als dwangmaatregel bij het invorderen van een schuld. De advocaat-generaal heeft hierbij gewezen op de plaats waarop lijfsdwang en de inlichtingenplicht in die wet zijn geregeld. Het eerste is geregeld in artikel 20, in hoofdstuk III 'dwanginvordering', het tweede in artikel 60 in hoofdstuk VII 'verplichtingen ten behoeve van de invordering'. De advocaat-generaal heeft voorts gesteld dat de gijzeling van de verdachte ook slechts is tenuitvoergelegd met als doel om hem te dwingen te voldoen aan zijn betalingsverplichting die op hem rustte op grond van de door de fiscus opgelegde aanslagen. De advocaat-generaal heeft daarbij gewezen op de tekst van het door hem ter terechtzitting van 22 oktober 2009 overgelegde exploit van betekening en proces-verbaal van gijzeling. Hierin is - kort gezegd - onder meer opgenomen dat wanneer [verdachte] niet aan het onder 1. omschreven bevel (de betalingsverplichting) voldoet, hij zal worden gegijzeld.
Naar het oordeel van het hof dient bij de beoordeling van de vraag op grond waarvan de gijzeling van de verdachte is bevolen te worden uitgegaan van de rechterlijke vonnissen die hieromtrent zijn gewezen en hierboven zijn aangehaald. Het exploit is slechts de akte waarin verslag wordt gedaan van het betekenen van een gerechtelijk stuk en dient als bewijsstuk dat de betrokkene dat gerechtelijk stuk daadwerkelijk ontvangen heeft. In casu werd [verdachte] op de hoogte gesteld van de door de rechter bevolen gijzeling. Wanneer in een dergelijk exploit verschillen voorkomen met een vonnis is naar het oordeel van het hof de tekst van het vonnis bepalend. In casu kan naar het oordeel van het hof derhalve in redelijkheid aan de tekst van het exploit niet de conclusie worden verbonden dat de gijzeling slechts is bevolen voor één van de genoemde gronden, te weten de betalingsverplichting. Het tegendeel blijkt immers uit de hierboven aangehaalde vonnissen. Het lijdt voorts geen twijfel dat [verdachte] op de hoogte was van de gronden waarop hij in gijzeling was genomen. Hij heeft immers gedurende de gevoerde procedure telkens betoogd te hebben voldaan aan de op hem rustende inlichtingenplicht door te stellen dat hij de ontvanger voldoende informatie had verstrekt.
De verdachte mocht er, wat er ook zij van de juistheid van de stelling van de advocaat-generaal omtrent het doel van het dwangmiddel lijfsdwang, bij deze stand van zaken op vertrouwen dat hij niet alsnog strafrechtelijk zou worden vervolgd voor het niet voldoen aan de op hem rustende inlichtingenplicht.
In de Leidraad Invordering 1990 (verder: LI 1990) wordt niet toegelicht wat wordt begrepen onder 'een civiele procedure' zoals staat opgenomen bij de toelichting op artikel 60 Iw 1990. Het hof gaat, nu er geen reden is om van het tegendeel uit te gaan, ervan uit dat met deze bewoordingen wordt gedoeld op procedures zoals deze staan opgenomen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv), zoals ook lijfsdwang krachtens artikel 585 Rv.
De gijzeling van de verdachte is door de burgerlijke rechter in kort geding op 16 maart 2000 bevolen, voorts zijn voor de burgerlijke rechter drie kort gedingen en een bodemprocedure gevoerd.
De ontvanger is gerechtigd deze bevoegdheid uit het burgerlijk procesrecht (lijfsdwang conform artikel 585 Rv) aan te wenden. Wel moet de ontvanger over een machtiging beschikken van het Ministerie van Financiën.(3) In confesso is, dat deze aanwezig is. Nu de gijzeling een bevoegdheid is die is voorzien en geregeld in Rv en de bijbehorende procedures ook gevoerd zijn voor de burgerlijke rechter, is de gijzeling van de verdachte aan te merken als het gevolg van 'een civiele procedure' zoals bedoeld in de LI 1990.
Het hof verwerpt de stelling van de advocaat-generaal dat de procedure die heeft geleid tot de gijzeling van [verdachte] moet worden aangemerkt als een fiscale procedure. De advocaat-generaal heeft hiertoe aangevoerd dat de ontvanger de bevoegdheid tot vordering van lijfsdwang ex artikel 20 Iw 1990 en derhalve op fiscale grond, heeft aangewend.
Naar het oordeel van het hof maakt het feit dat de vordering tot lijfsdwang is gegrond op dit artikel niet dat hiermee de aard van de procedure verandert. In artikel 20 Iw 1990 wordt immers expliciet gewezen op de overeenkomstige toepassing van artikel 585 tot en met 600 Rv. Anders gezegd: een vordering tot lijfsdwang door de ontvanger maakt de daarop volgende procedure daardoor niet tot een fiscale.
Op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan een belastingschuldige zich beroepen op het in de LI 1990 neergelegde beleid.(4) Het beleid opgenomen in de LI 1990 betreft recht in de zin van artikel 79 RO.(5) In de inleidende opmerkingen, paragraaf 1, punt 10, is opgenomen dat de ontvanger in alle gevallen zorgvuldig dient te handelen en dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur uitgangspunt zijn van het handelen van de ontvanger. Dit betekent dat de ontvanger gehouden is te handelen conform de in de LI 1990 opgenomen regels die betrekking hebben op de Iw 1990.
Ten aanzien van artikel 60 van de Iw 1990 wordt in de LI 1990(6) zoals geldend ten tijde van het tenlastegelegde - voor zover hier relevant - het volgende opgemerkt: "Artikel 60, eerste lid, van de wet bepaalt voorts hoe de gegevens verstrekt of beschikbaar gesteld moeten worden.
Duidelijk, stellig en zonder voorbehoud zijn begrippen die niet spoedig tot verwarring aanleiding zullen geven. Dubbelzinnige, weinig concrete of voor verschillende uitleg vatbare gegevens, dan wel gegevens ten aanzien waarvan voorbehouden worden gemaakt hoeft de ontvanger niet te accepteren. Hij herhaalt in een dergelijke situatie zijn vragen en vordert op basis van dit lid, correcte en concrete gegevens.
Voldoen de gegevens ook na herhaling niet aan de gestelde eisen dan dient overwogen te worden een civiele procedure op te starten, dan wel de strafsanctie van hoofdstuk VIII toe te passen." (Cursivering hof.) De woordcombinatie 'dan wel' wordt in het spraakgebruik gebezigd in plaats van het uitsluitende 'of'. De ontvanger moet derhalve een keus maken tussen het starten van een civiele procedure en het toepassen van de strafsanctie van hoofdstuk VIII.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de LI 1990 geen verboden bevat, maar dat daarin slechts de marsroute en aanbevelenswaardige mogelijkheden langs welke de in de wet beschikbaar gestelde bevoegdheden middelen kunnen worden ingezet. Voorts heeft hij gesteld dat uit niets blijkt dat een keuze voor de civielrechtelijke of strafrechtelijke route uitsluit dat tussentijds van route wordt gewisseld, of dat beide routes na elkaar worden bewandeld.
De advocaat-generaal heeft er voorts op gewezen dat het uitgangspunt van de in de LI 1990 opgenomen regels is dat de invordering voor beide partijen op de meest eenvoudige, snelste en minst kostbare manier wordt verricht. Wanneer de tekst van de LI 1990 met betrekking tot artikel 60 zou worden uitgelegd als een verbod om van de ingeslagen weg af te wijken zou dit volgens de advocaat-generaal in strijd komen met het uitgangspunt van de Leidraad.
Ter onderbouwing hiervan heeft de advocaat-generaal gewezen op de inhoud van een door hem ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2009 overgelegde brief namens de Staatssecretaris van Financiën en met name op de navolgende passage: "Dat de ontvanger in art. 60, paragraaf 1, lid 3 van de Leidraad niet de mogelijkheid wordt geboden de civielrechtelijke en strafrechtelijke route tegelijkertijd te volgen, is ingegeven door overwegingen van doelmatigheid. De ontvanger dient van geval tot geval te bezien welke route op het gegeven tijdstip het meest geschikt is. De keuzemogelijkheid laat onverlet dat zo nodig tussentijds van route wordt gewisseld of beide routes na elkaar worden gevolgd. Er is niet beoogd de route waarvoor in eerste instantie niet is gekozen uit te sluiten."
Naar het oordeel van het hof kan de door de Staatssecretaris van Financiën bij brief van 16 oktober 2009 weergegeven achteraf gegeven uitleg niet in de plaats worden gesteld van de door het hof voorgestane grammaticale interpretatie. Het hof heeft hierbij bovendien acht geslagen op de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van de Invorderingswet.(7) De wetgever heeft bij de totstandkoming expliciet gewezen op de toepasselijkheid van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en opgemerkt dat de bepaling van de inhoud en reikwijdte daarvan worden overgelaten aan de jurisprudentie. Hierin ziet het hof mede bevestiging dat door de ontvanger - onder omstandigheden - niet van een ingeslagen weg kan worden afgeweken en dat een dergelijke, door de wetgever expliciete genoemde koerswijziging strijdigheid kan opleveren met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Naar het oordeel van het hof is sprake van wegen die elkaar - onder omstandigheden - uitsluiten.
Naar het oordeel van het hof stond het aan het openbaar ministerie niet meer vrij om, na de gijzeling van de verdachte, tot vervolging over te gaan. Het hof acht die handelwijze van de officier van justitie in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. De in de LI1990 opgenomen beleidsregel richt zich tot de ontvanger, maar ook het openbaar ministerie dat verantwoordelijk is voor de beslissing tot strafrechtelijke vervolging van de verdachte is aan deze beleidsregel gebonden. Naar het oordeel van het hof tast de hiervoor geschetste gang van zaken de ontvankelijkheid van de officier van justitie om tot strafrechtelijk[e] vervolging van de verdachte over te gaan rechtstreeks aan. Het hof zal daarom het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaren in zijn vervolging."
"In zijn algemeenheid bevat dit wetsvoorstel enerzijds een vergroting van de bevoegdheden van de ontvanger en anderzijds een aanscherping van de rechtspositie van de belastingschuldige c.q. de aansprakelijk gestelde. Een adequate invordering waarborgt de gelijkheid in de betaling van belastingschulden; daarmee wordt in de ondernemingssfeer het risico van concurrentievervalsing als gevolg van het op ongelijke wijze nakomen van de betalingsverplichtingen zo veel mogelijk voorkomen. (...) In een ander opzicht kan de toepassing van de aansprakelijkheidsbepalingen in bepaalde situaties tot een lastenverzwaring leiden; opgemerkt zij echter dat deze regeling, wij doelen op de civiele procedure vooraf, een heel belangrijke rol speelt in de rechtsbescherming van in het bijzonder de aansprakelijk gestelde."(14) 20. De wetgever heeft de mogelijkheid tot lijfsdwang bij de totstandkoming van de Invorderingswet 1990 als volgt in de Memorie van Toelichting toegelicht:
Wij merken op dat het indirecte of zijdelingse executiemiddel van de lijfsdwang sporadisch wordt toegepast om de belastingschuldige tot betaling te dwingen. Alleen in de gevallen waarin bekend is dat de belastingschuldige over vermogensbestanddelen beschikt of inkomsten geniet, die zodanig zijn belegd of zodanig opkomen dat daarop geen beslag mogelijk is en de belastingschuldige voorts volhardt in het niet betalen van zijn belastingschuld, zal de lijfsdwang als ultimum remedium worden gehanteerd.
In dit verband wijzen wij nog op het voorschrift van artikel 21, dat bepaalt dat lijfsdwang alleen kan worden toegepast na verkregen vonnis van de rechtbank in welker arrondissement het kantoor van de ontvanger is gevestigd."
Daarbij dienen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als uitgangspunt. Tot de voornaamste algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden gerekend de beginselen van gelijkheid, motivering, rechtszekerheid en zorgvuldigheid. (...) Voorts brengen de beginselen van behoorlijk bestuur met zich mee dat opgewekt vertrouwen wordt gehonoreerd en dat de aan de ontvanger gegeven bevoegdheden slechts worden gebruikt overeenkomstig hun bedoeling."(19)
Duidelijk, stellig en zonder voorbehoud zijn begrippen die niet spoedig tot verwarring aanleiding zullen geven. Dubbelzinnige, weinig concrete of voor verschillende uitleg vatbare gegevens, dan wel gegevens ten aanzien waarvan voorbehouden worden gemaakt hoeft de ontvanger niet te accepteren. Hij herhaalt in een dergelijke situatie zijn vragen en vordert op basis van dit lid, correcte en concrete gegevens.
Voldoen de gegevens ook na herhaling niet aan de gestelde eisen dan dient overwogen te worden een civiele procedure op te starten, dan wel de strafsanctie van hoofdstuk VIII toe te passen. (...) (Art. 60, § 1) Strafsancties 5. Bij het niet voldoen aan het in artikel 60 van de wet bepaalde zijn de strafsancties van hoofdstuk VIII van de wet (d.w.z. art. 64 tot en met 66 Iw 1990, NJ) van toepassing."(20)
Hoofdstuk VIII. Strafrechtelijke bepalingen § 1. Inleiding Algemeen 1. Op grond van de artikelen 58, 59 en 62 van de wet is de belastingschuldige c.q. zijn de in de artikelen 59 en 62 nader genoemde derden verplicht desgevraagd aan de ontvanger gegevens en inlichtingen te verstrekken alsmede de gegevensdragers voor raadpleging beschikbaar te stellen. Artikel 60 van de wet regelt de aard, de inhoud en wijze waarop aan de verplichtingen uitvoering moet worden gegeven. Het niet, het niet volledig of het niet op juiste wijze nakomen van die verplichtingen levert op grond van de artikelen 64 en 65 van de wet een strafbaar feit op.
Overigens wordt in dit verband erop gewezen dat tegen niet meewerkende informatieplichtigen veelal op grond van het civiele recht geprocedeerd kan worden om de informatieverplichtingen af te dwingen. Te denken valt bijvoorbeeld aan een kort geding, een verkorte termijnprocedure of een gewone bodemprocedure bij de civiele rechter."(21) 24. Aan het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet in de vervolging kan worden ontvangen, ligt de opvatting ten grondslag dat verdachte gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de formulering in art. 60 § 1 onder 3 LI 1990, inhoudende dat indien de gevergde gegevens ook na herhaling niet aan de gestelde eisen voldoen, overwogen dient te worden "een civiele procedure op te starten, dan wel de strafsanctie van hoofdstuk VIII toe te passen".(22) 25. Deze opvatting van het hof vindt geen steun in het recht. De wetsgeschiedenis waarnaar het hof verwijst betreft níet een te maken keuze tussen het strafrecht enerzijds en de fiscaal-/civielrechtelijke weg anderzijds, maar het gaat de wetgever in die passages om een open systeem waarin de ontvanger kan kiezen tussen gewone, civielrechtelijke, bevoegdheden enerzijds en bijzondere, fiscaalrechtelijke, bevoegdheden anderzijds. In de wetsgeschiedenis van de Invorderingswet 1990 wordt geen (eventuele) beperking geformuleerd ten aanzien van de mogelijkheid tot vervolging ter zake van de in Hoofdstuk VIII geformuleerde strafbaarstellingen. De structuur van de Invorderingswet 1990 wijst erop dat, nadat de meest efficiënte doch waar mogelijk minst ingrijpende weg ter inning tevergeefs door de fiscus is bewandeld, altijd nog voor de strafrechtelijke weg kan worden gekozen. Ook uit art. 60 § 1 onder 5 LI 1990 volgt dat de strafrechtbepalingen onverkort gelden, terwijl voorts hetgeen ter inleiding op de strafbepalingen in LI 1990 staat vermeld erop wijst dat in plaats van het strafrecht eerst het civiele recht kan worden overwogen. In een uitzonderlijk geval waarin de fiscus tot zijn ultimum remedium van lijfsdwang overgaat en (zelfs) dit niet tot het gewenste resultaat leidt, kan dit derhalve betekenen dat alsnog tot strafvervolging zal worden overgegaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Ter zijde merk ik op dat een aanzegging in persoon in de onderhavige zaak praktisch vooralsnog niet goed uitvoerbaar is: verdachte heeft immers tot op heden geen bekende woon- of verblijfplaats hier te lande (zie de in het dossier gevoegde uitdraai van het GBA-overzicht d.d. 8 februari 2011).
2 HR 6 april 1999, LJN ZD1472, NJ 1999, 566 (m.nt. Schalken).
3 Leidraad Invordering 1990, artikel 20, paragraaf 1.
4 Vergelijk Hoge Raad 16 maart 1994 m.nt. Scheltens, LJN: ZC5625.
5 Vergelijk Hoge Raad 28 maart 1990, LJN: ZC4258.
6 Leidraad Invordering 1990, tweede druk, W.E.J. Tjeenk Willink 1998.
7 Kamerstukken II 1987/1988, 20 588, nr. 3 p. 8 en 9 en 1988/ 1989 20 588, nr. 6. p. 18.
8 De Invorderingswet 1990 is allereerst van toepassing op belastingaanslagen die zijn vastgesteld op de voet van de AWR. Bovendien is de wet van toepassing op belastingaanslagen in de premieheffing volksverzekeringen, de premieheffing werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet. Daarnaast zijn de bepalingen van de wet geheel of ten dele van toepassing op velerlei andere heffingen (vgl. art. 1 Leidraad Invordering 1990). Een verdere uitbreiding van de reikwijdte van de wet is te vinden in artikel 6 van de wet: het gaat ook om de opcenten, de betalingskorting, de renten en de kosten.
9 Vetter, Wattel en Van Oers, Invordering van belastingen, Kluwer, 7e druk, p. 189.
10 Tweede Kamer 1987-88, 20 588, nr. 3, p. 7-9.
11 Tweede Kamer 1987-88, 20 588, nr. 3, p. 7.
12 Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-89, 20 588, nr. 6, p. 18.
13 Tweede Kamer 1987-88, 20 588, nr. 3, p. 10-11.
14 Tweede Kamer 1987-88, 20 588, nr. 3, p. 25.
15 Tweede Kamer 1987-88, 20 588, nr. 3, p. 126.
16 P. Koedood, Lexplicatie, commentaar op regeling Leidraad Invordering 2008.
17 Vgl. HR 28 maart 1990, LJN ZC4258, NJ 1991, 118, m.nt. MS.
18 Te vinden op www.belastingdienst.nl.
19 Vastgesteld bij besluit van 16 juli 1997, Stcrt. 1997, 138 (inwerkingtreding: 25 juli 1997) en gepubliceerd in Leidraad Invordering 1990, tweede druk, W.E.J. Tjeenk Willink 1998. In zoverre zijn de inleidende opmerkingen nadien ongewijzigd gebleven.
20 Vastgesteld bij besluit van 16 juli 1997, Stcrt. 1997, 138 (inwerkingtreding: 25 juli 1997) en gepubliceerd in Leidraad Invordering 1990, tweede druk, W.E.J. Tjeenk Willink 1998. In zoverre nadien ongewijzigd gebleven.
21 Vastgesteld bij besluit van 28 januari 1998, Stcrt. 1998, 22 (inwerkingtreding 5 februari 1998). In zoverre nadien ongewijzigd.
22 Mijn cursivering. In LI 2008 is 'dan wel' in 'of' veranderd. Zoals gezegd is er met LI 2008 geen inhoudelijke wijziging van het invorderingsbeleid beoogd.
23 Ter[0] zijde merk ik op dat bij de vervolgingsbeslissing ter zake van fiscale delicten de belastingdienst en het openbaar ministerie gebonden zijn aan het door hen opgestelde beleid, welk beleid beide instanties op grond van beginselen van een behoorlijke procesorde bindt. Nu in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens vervolging in strijd met die richtlijnen, was het hof niet gehouden de omstandigheden van het geval aan de in die richtlijnen neergelegde beleidsregels te toetsen.