10/03320 Mr L. Strikwerda Parket, 11 febr. 2011 Conclusie inzake [Verzoeker] tegen Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen Edelhoogachtbaar College,
- Verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 26 juli 2010, beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof te Arnhem van 27 april
- Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] een beschikking van de rechtbank Almelo van 13 mei 2009 vernietigd en thans verweerder in cassatie, hierna: het LBIO, op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud, Washington, 30 mei 2001, Trb. 2001, 117, hierna: het Verdrag, verlof verleend tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van een vonnis van de Superior Court of the State of Washington for King County van 17 april 1995 waarbij ten laste van [verzoeker] een verplichting tot levensonderhoud ten behoeve van een buiten huwelijk geboren kind is vastgesteld.
- Het LBIO heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep van [verzoeker] te verwerpen. Voorts heeft het LBIO van zijn kant incidenteel cassatieberoep ingesteld. [Verzoeker] heeft een verweerschrift in het incidenteel beroep ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het incidenteel cassatieberoep van het LBIO te verwerpen.
- [Verzoeker] kan naar mijn oordeel wegens overschrijding van de cassatietermijn in zijn principaal cassatieberoep niet worden ontvangen. Ik licht dit als volgt toe.
- Bij gebreke van een regeling in het Verdrag zelf, is de procedure die gevolgd moet worden ter verkrijging van een verlof tot tenuitvoerlegging van een beslissing onder het Verdrag, de procedure die is geregeld in art. 985 e.v. Rv. Zie Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., art. 985, aant. 6 (P. Vlas). Zie ook art. VIII van het Verdrag.
- Ingevolge art. 990 Rv bedraagt de termijn voor het instellen van beroep in cassatie een maand na de dag waarop de beschikking van het gerechtshof is gegeven. Het Verdrag bevat geen afwijkende voorziening (art. 992 Rv).
- De bestreden beschikking van het hof is gegeven op 27 april
- [Verzoeker] heeft zijn cassatieberoep aangebracht bij verzoekschrift dat op 26 juli 2010 ter griffie van de Hoge Raad is ingekomen. Het cassatieberoep is derhalve te laat ingesteld.
- Nu [verzoeker] in zijn principaal beroep wegens overschrijding van de cassatietermijn niet kan worden ontvangen, moet het LBIO in zijn incidenteel beroep eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard. Vgl. HR 18 februari 1994, NJ 1994, 606 nt. HER. Zie voorts Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen
(2005), nr. 148 en 214. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in het principaal beroep en van het LBIO in het incidenteel beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,