het belang der wet
zake: [Verdachte] Deze vordering tot cassatie
het belang der wet heeft betrekking op een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 september 1994, waarbij het Hof de verdachte ter zake van
houdsopgave 1.
leiding
het bestuursrecht
leiding 7.
de strafbaarstelling 10.2. Veranderingen
de sanctionering 10.
leiding 1.1 Het hiervoor genoemde arrest van het Gerechtshof te Arnhem is onherroepelijk.
gevolge art. 78 RO kan cassatie
het belang der wet worden
gesteld. Daaraan staat niet
de weg dat het arrest geruime tijd geleden is gewezen. De wet kent
dit opzicht geen beperking. Daaraan staat evenmin
de weg dat de Hoge Raad destijds het tegen het arrest
gestelde cassatieberoep heeft verworpen (HR 13 februari 1996, LJN ZC9526, NJ 1996, 502). Ook
dit opzicht kent de wet geen beperking.
deze zaak cassatie
het belang der wet
te stellen, wordt gevormd door de uitspraak die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens deed
de zaak Scoppola tegen Italië. (EHRM 17 september 2009, 10249/03, LJN BK6009).
art. 7 EVRM het lex mitior-principe, "the principle of retrospectiveness of the more lenient criminal law", impliciet besloten ligt.
ons nationale recht heeft dit beginsel zoals bekend uitdrukking gevonden
art. 1 lid 2 Sr, dat voorschrijft dat bij verandering van wetgeving de voor de verdachte gunstigste bepalingen moeten worden toegepast. Deze wetsbepaling heeft de status van een wet
formele zin en staat dus
rangorde niet boven andere wetten
formele zin. Dat betekent, naar ook altijd is aanvaard, dat de wetgever
voorkomende gevallen een bijzondere overgangsregeling kan treffen die van art. 1 lid 2 Sr afwijkt. Bij dit gegeven past ook de impliciete beperking die
art. 1 lid 2 Sr wordt
gelezen. Van een verandering van wetgeving
de zin van dat artikellid is volgens de jurisprudentie alleen sprake als die verandering getuigt van een gewijzigd
zicht van de wetgever. De uitspraak van het EHRM
de zaak Scoppola heeft tot gevolg dat het lex mitior-principe een andere status heeft gekregen. Het is verheven tot een mensenrecht dat door de Nederlandse Staat moet worden gegarandeerd en gerespecteerd. Dat roept de vraag op of voor afwijkende overgangsbepalingen nog langer plaats is. Dat roept ook de vraag op of de retroactieve toepassing van "the more lenient law" nog langer afhankelijk mag worden gemaakt van het (gewijzigd)
zicht van de nationale wetgever. 1.3 Tot de brandende problemen van deze tijd, schreef ik eens, behoort niet het overgangsrecht.
beginsel bereid zich, wat de uitleg van art. 1 lid 2 Sr betreft, te richten naar het oordeel van de Hoge Raad. Maar dan moet er wel een oordeel zijn. Om daarin te voorzien, grijp ik naar het buitengewone rechtsmiddel van cassatie
het belang der wet. Dat is een beetje een kunstgreep, maar
het belang van de wet zijn kunstgrepen geoorloofd. 1.4 Ik heb gezocht naar een arrest van de Hoge Raad waarin de overgangsrechtelijke problematiek vergelijkbaar is met die
zaken die, naar ik heb begrepen, momenteel bij de bestuursrechter aanhangig zijn. Het hiervoor genoemde arrest (HR 13 februari 1996, LJN ZC9526, NJ 1996, 502) voldoet aan dit zoekcriterium. Het is tevens een van de arresten waarin het criterium van het gewijzigd
zicht zijn huidige
vulling kreeg. Kort gezegd komt die
vulling erop neer dat onvoldoende is dat de wetswijziging is veroorzaakt door een veranderd
zicht (
plaats van door veranderde omstandigheden). Van een gewijzigd
zicht is pas sprake als de wetgever anders is gaan denken over de strafwaardigheid van de onder de oude, afgeschafte, wet gepleegde feiten. Deze aanscherping van het criterium heeft ertoe geleid dat een verandering van wetgeving
de zin van art. 1 lid 2 Sr een betrekkelijke zeldzaamheid is geworden. 1.5 Tegen arresten van de Hoge Raad kan geen cassatie
gesteld worden, ook niet
het belang van de wet. Daarom richt deze vordering zich formeel tegen het onderliggende arrest van het Hof Arnhem.
feite echter gaat het om de vraag of de jurisprudentie van de Hoge Raad bijstelling behoeft. Centraal staat daarbij het type wetswijziging waarover het Hof Arnhem zich uitsprak en waarover de Hoge Raad oordeelde, namelijk een verandering
de strafbaarstelling. Op dat type wetswijziging heeft deze vordering betrekking. De vraag of bij een verandering
de strafbaarstelling nog ruimte is voor de toepassing van het criterium van het gewijzigd
zicht, is echter niet de enige vraag die het Scoppola-arrest oproept. Nauw verwant met die vraag is, zoals ik hiervoor reeds aanstipte, of de wetgever nog de vrijheid heeft om afwijkende overgangsbepalingen te scheppen. Een andere, eveneens nauw verwante vraag is of bij veranderingen
(alleen) de sanctionering van het strafbare feit plaats is voor toepassing van het criterium van het gewijzigd
zicht. Ten behoeve van een brede voorlichting aan de Hoge Raad zal ik mij
de toelichting op deze vordering ook over deze verwante kwesties uitlaten. Tevens zal ik mij enkele opmerkingen veroorloven over de mogelijke betekenis van het Scoppola-arrest voor veranderingen
de verjaringstermijnen. Wellicht vindt de Hoge Raad
het belang van de rechtseenheid aanleiding om een en ander te betrekken bij de motivering van zijn oordeel. 1.6
de toelichting op deze vordering zal ik betogen dat het oordeel van het EHRM
de zaak Scoppola er niet toe dwingt het criterium van het gewijzigd
zicht bij veranderingen
de strafbaarstelling los te laten. Om formele redenen echter zal ik mij op het standpunt stellen dat het oordeel van het Hof Arnhem getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De aard van het gekozen
strument dwingt tot die formele stellingname. De grond voor de gevorderde vernietiging van een uitspraak kan immers slechts gelegen zijn
de (beweerdelijke) onjuistheid van die uitspraak. 1.7 Het voorgaande betekent niet dat ik van oordeel ben dat de Scoppola-uitspraak geen enkele consequentie heeft voor het Nederlandse recht. Het criterium van het gewijzigd
zicht zal mijns
ziens iets anders
gevuld moeten worden. Ten aanzien van de genoemde verwante vragen zal ik verdedigen dat er reden is om de jurisprudentie bij te stellen.
de niet eenvoudig te doorgronden milieuwetgeving. Het is mijns
ziens niet nodig om de toepasselijke regelgeving nog eens
extenso weer te geven. Daarvoor verwijs ik naar het gepubliceerde arrest van de Hoge Raad. Met een samenvatting op hoofdlijnen kan hier worden volstaan. 2.2. De verdachte
deze zaak was een akkerbouwer uit [plaats]. Op zijn bedrijf was, zo bleek bij een op 17 juni 1993 uitgevoerde controle, een tank voor de opslag van dieselolie aanwezig die een grotere
houd had dan 1000 liter. Ook waren op zijn bedrijf schapen aanwezig. Dat betekende dat
meer dan één opzicht sprake was van een "
richting"
de zin van de Wet milieubeheer (Wm).
werking hebben van een dergelijke
richting was verboden als daarvoor geen vergunning was verleend.
het bezit van een vergunning. Dat leverde een bij de Wet Economische Delicten strafbaar gesteld feit op. 2.3. De door de verdachte gedreven
richting viel met
gang van 1 maart 1993 onder de Wet milieubeheer.
de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, die bij die gelegenheid werd omgedoopt tot de Wet milieubeheer.
richtingen te vervangen door een meldingsplicht. Meldingsplichtige
richtingen moesten daarbij voldoen aan de regels die
de desbetreffende AMvB met betrekkingen tot die
richtingen waren gesteld.
dividuele bedrijf toegesneden vergunningsvoorwaarden konden plaatsmaken voor een uniforme, voor de gehele categorie geldende, set milieuregels. 2.4. Als van deze mogelijkheid gebruik werd gemaakt, diende de desbetreffende AMvB een overgangsregeling te bevatten voor al bestaande
richtingen.
begrip van de daarin opgenomen meldingsplicht) eveneens een economisch delict opleverde. De strafbedreiging verschilde daarbij niet. Handelen
strijd met de uniforme regeling was met dezelfde straffen bedreigd als het zonder vergunning - of
strijd met de gestelde vergunningsvoorwaarden -
werking hebben van een
richting. 2.5. Van de geboden mogelijkheid werd gebruikgemaakt. Op 1 april 1994 trad het op art. 8.40 Wm gebaseerde Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer
werking (Besluit van 4 februari 1994, Stb. 107). Dit Besluit voerde het alternatieve regime
voor akker- en tuinbouwbedrijven die aan bepaalde voorwaarden voldeden.
cassatie moet er vanuit worden gegaan dat verdachtes bedrijf aan die voorwaarden voldeed, zodat het Besluit op dat bedrijf van toepassing was.
richting die verdachte
werking had met
gang van 1 april 1994 was komen te vervallen. Het Hof verklaarde bewezen dat verdachte (kort gezegd)
1993 zonder vergunning een
richting
werking had gehad. Met betrekking tot het door de raadsvrouw gevoerde verweer overwoog het Hof, voor zover hier van belang:
de pleitnota aangegeven gronden. (...) Blijkens de Nota van Toelichting (p.35) vloeit het Besluit voort "uit de conclusie
het actieprogramma deregulering ruimtelijke ordening en milieubeheer (..), dat
het kader van de
middels
getrokken Hinderwet de totstandkoming van voor alle tot een aangewezen categorie behorende
richtingen geldende algemene regels met gelijktijdige opheffing van de vergunningplicht voor die
richtingen afzonderlijk, dient te worden bevorderd. Dit brengt een zekere centralisatie mee, daar de voorschriften die tot dusverre door het bevoegd gezag aan de vergunning waren verbonden, thans door de centrale overheid worden gegeven. Een neveneffect van de Algemene Maatregel van Bestuur zal zijn dat de beleidslasten welke thans zijn gemoeid met de vergunningverlening,
de toekomst zullen verschuiven naar het terrein van de handhaving. Voorts vermeldt de Nota van Toelichting: Het beslag op het justitiële apparaat zal voorzover het de handhaving betreft niet verminderen. Daarop kan zelfs een zwaarder accent komen te liggen
het actieprogramma deregulering ruimtelijke ordening en milieubeheer is aangegeven dat de voordelen van de amvb's als de onderwerpelijke evident zijn: meer zekerheid omtrent de
houd van de regelgeving, geen procedures, dus geen vertraging, ruimte voor de lagere overheden om de achterstand bij de
voering van de Hinderwet snel
te halen en daarbij aandacht te schenken aan die bedrijven die werkelijk problemen veroorzaken." Uit het bovenstaande volgt dat de regelgever met betrekking tot de strafwaardigheid van het bewezenverklaarde: het
werking hebben van een
richting zonder vergunning, niet blijk heeft gegeven van een gewijzigd
zicht. De regelgever heeft slechts een procedurele wijziging
gevoerd met het oog op een voortvarende uitvoering van de milieuwetgeving, waarbij voor de omslachtige vergunningsprocedure een eenvoudige meldingsregeling
de plaats is gekomen, gekoppeld aan de verplichting om te voldoen aan de voorschriften
bijlage 1 van het Besluit. Het betoog van de raadsvrouw wordt verworpen." 2.7. De verdachte ging tegen het arrest van het Hof
cassatie.
het eerste en het tweede cassatiemiddel werd het hiervoor weergegeven oordeel van het Hof aangevochten. De Hoge Raad citeerde, na een gewetensvolle weergave van de relevante regelgeving, uitvoerig uit de parlementaire geschiedenis. Ik verwijs daarvoor naar het gepubliceerde arrest en volsta hier met een beknopte weergave van de bedoelde citaten. Uit de MvT bleek allereerst dat de omvorming van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne tot de Wet milieubeheer onderdeel vormde van een proces van stroomlijning en
tegratie van de versnipperde en onoverzichtelijke milieuwetgeving. Voorts blijkt uit de MvT dat de
art. 8.40 Wm voorziene mogelijkheid om het regime van een aan voorwaarden gebonden vergunning te vervangen door een alternatief regime met meldingsplicht en algemene regels een figuur was die
de plaats kwam van een vergelijkbare bevoegdheid
de (
de Wet milieubeheer te
tegreren) Hinderwet. Als voordeel van een regime van vergunningsvoorwaarden noemde de MvT dat maatwerk kon worden geleverd omdat de vergunningsvoorwaarden konden worden toegesneden op het desbetreffende bedrijf en zijn omgeving. Als nadeel werd genoemd dat de prijs van dergelijk maatwerk (de daarmee gemoeide handhavingskosten) soms hoog was. Verwezen werd daarbij naar het actieprogramma DROM (actieprogramma deregulering ruimtelijke ordening en milieubeheer) uit 1983.
te lopen (circa 50% van de hinderwetplichtige bedrijven beschikte niet over een toereikende vergunning) en om de bemoeienis met de wel vergunningplichtige bedrijven te
tensiveren. De Nota van Toelichting op het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer sloot daarbij aan. Ook daarin werd een beroep gedaan op het actieprogramma DROM uit 1983. Zowel
deze Nota als
de MvT werd erop gewezen dat de wet voorzag
strafrechtelijke handhaving van het alternatieve regime. 2.
gegeven door het streven naar verdere stroomlijning en
tegratie van het wetgevingsinstrumentarium op het gebied van het milieu, ten einde het beleid ten aanzien van het milieu en de handhaving van milieuvoorschriften doelmatiger te doen plaatsvinden. Met het Besluit is voor wat betreft de daarin genoemde categorieën bedrijven beoogd het stellen van de voorschriften die vóór de
werkingtreding daarvan door het bevoegd gezag werden verbonden aan een vergunning als bedoeld
art. 8.1 Wm
handen te leggen van de centrale overheid. Daarbij heeft de wetgever de strafrechtelijke handhaving van die voorschriften niet willen prijsgeven. Slechts de wijze waarop de naleving van die voorschriften langs strafrechtelijke weg kan worden afgedwongen heeft verandering ondergaan. Zo is onder vigeur van het Besluit de strafbedreiging niet langer verbonden aan het verbod te handelen zonder vergunning en het handelen
strijd met de aan de vergunning verbonden (milieu)voorschriften, doch aan het niet
acht nemen van de bij het Besluit voorziene meldingsplicht en de overtreding van de bij of krachtens het Besluit gegeven (milieu)voorschriften. Uit een en ander volgt dat het vervallen van de vergunningsplicht en van het daarmee samenhangende verbod van art. 8.1 Wm niet voortvloeit uit verandering van
zicht bij de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór het vervallen van die vergunningsplicht begane overtredingen van genoemd verbod. Dit betekent dat zich te dezen bij de wetgever geen gewijzigd
zicht
zake de strafwaardigheid van de onderwerpelijke gedraging heeft voorgedaan." Daaruit trok de Hoge Raad de conclusie dat het Hof het gevoerde verweer terecht had verworpen. 2.9. De wetswijziging waarover de Hoge Raad
deze zaak had te oordelen, onttrekt zich aan het eenvoudige denkschema dat ten grondslag ligt aan de vraag of de wetswijziging is veroorzaakt door veranderde omstandigheden of door een verandering van
zicht. De omstandigheden waren een jaar na de
werkingtreding op 1 maart 1993 van de nieuw opgetuigde Wet milieubeheer niet noemenswaard veranderd. Daarop werd dan ook
de Nota van Toelichting op het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer geen beroep gedaan. Er werd een beroep gedaan op
zichten die al sinds tenminste 1983, toen het actieprogramma DROM het licht zag, bestonden. Die
zichten lagen ook ten grondslag aan de Wet milieubeheer zoals die op 1 maart 1993 van kracht werd.
de mogelijkheid om op een ander handhavingsregime over te stappen, was
die wet uitdrukkelijk voorzien. Van een gewijzigd
zicht was dus evenmin sprake. Wel kan gezegd worden dat de realisering van het al bestaande
zicht
dit geval tijd kostte. De wetgever had zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat er situaties waren waarin het alternatieve handhavingsregime de voorkeur verdiende, maar was tevens van oordeel dat het vergunningstelsel had te gelden zolang het alternatief niet was gerealiseerd. Dat oordeel was
1994 niet veranderd. De wetgever was nog steeds van oordeel dat de betrokken burgers zich aan vergunningstelsels die mogelijk bij gebrek aan beter golden, hadden te houden en dat de niet-naleving van die plicht strafrechtelijk diende te worden gesanctioneerd. Over de strafwaardigheid van een dergelijk vergrijp was de wetgever dus niet anders gaan denken. 2.10. Het door de Hoge Raad
dit arrest gehanteerde criterium past
deze gedachtegang. Beslissend is of er sprake is "van een verandering van
zicht bij de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór het vervallen van die vergunningsplicht begane overtredingen". Het gewijzigd
zicht moet dus betrekking hebben op het verleden. De wetsovertreder kan van de wetswijziging alleen profiteren als de wetgever diens overtreding van de oude wet (de "onderwerpelijke gedraging") niet strafwaardig acht. 2.11. Het oordeel van de Hoge Raad
de onderhavige zaak staat niet op zichzelf. Zo had de Hoge Raad
1985 geoordeeld dat de vervanging van de Veiligheidswet 1934 door de Arbowet geen verandering van wetgeving opleverde (HR 9 april 1985, LJN AC0824, NJ 1985, 857). Deze vervanging voorzag
een andere regeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid
geval van niet-naleving van de op deze wetten gebaseerde veiligheidsbesluiten. Niet meer het hoofd of de bestuurder van de onderneming was aansprakelijk, maar de werkgever. De Hoge Raad wees erop dat het desbetreffende Veiligheidsbesluit ongewijzigd van kracht was gebleven en dat de "naleving van de voorschriften van dit besluit door strafbaarstelling verzekerd blijft". Daarom kon niet worden aangenomen dat sprake was van een gewijzigd
zicht "omtrent de strafwaardigheid van het door het hoofd op de bestuurder begane feit". Ook hier betrok de Hoge Raad het gewijzigd
zicht derhalve op het onder de oude wet begane feit, en daarmee op het verleden. 2.12. De lijn die zich al vóór 1996 begon af te tekenen, werd daarna krachtig doorgetrokken. Zo werd geen veranderd
zicht ten aanzien van de overtreding van de oude wet aangenomen
HR 29 april 1997, LJN ZD0150, NJ 1997, 722, dat betrekking had op de vervanging van de Winkelsluitingswet door de Winkeltijdenwet. De Hoge Raad overwoog dat de verandering van regelgeving voortvloeide uit het streven om de controle op de naleving van de winkelsluitingstijden te vereenvoudigen.
HR 17 september 2002, LJN AE1336, NJ 2002, 627, dat betrekking had op een door een wijziging van de EG-Verordening noodzakelijk geworden aanpassing van de visserijwetgeving, werd gewijzigd
zicht met betrekking tot het verleden ontkend omdat het zou gaan om een betere handhaving van de betrokken voorschriften.
HR 21 januari 2003, LJN AE8928, NJ 2003, 216 had de Vogelwet 1936 plaatsgemaakt voor de Flora- en faunawet. Die wet versoepelde het verbod om beschermde vogels onder zich te hebben. De strafbaarheid verviel als de vogel
gevangenschap was geboren en volgens de regels van de wet geringd en geregistreerd was. De Hoge Raad oordeelde dat geen sprake was van een veranderd
zicht met betrekking tot het vóór de wetswijziging gepleegde feit omdat de gedachte achter het nieuwe regime was dat het nagestreefde doel, te weten de bescherming van de vogels, door de
gevoerde ring- en registratieverplichting voor
gevangenschap geboren vogels voldoende was gewaarborgd. 2.13.
dezelfde lijn ligt dat het vervangen van de strafrechtelijke handhaving door niet-strafrechtelijke handhavingssystemen geen verandering van wetgeving
de zin van art. 1 lid 2 Sr oplevert. Zie met betrekking tot de fiscalisering van parkeerovertredingen HR 2 februari 1993, LJN ZC9222, NJ 1993, 536, waarin de Hoge Raad het beroep peeksgewijs afdeed. Zie met betrekking tot de
voering van bestuurlijke beboeting HR 23 maart 1993, LJN ZC9250, NJ 1993, 695 (waarin het beroep op art. 1 lid 2 Sr reeds faalde omdat een bijzondere overgangsbepaling dat artikellid van toepassing uitsloot), HR 10 juni 1997, LJN ZD0747, NJ 1998, 25 en HR 26 oktober 1999, LJN AD4659, NJ 2000, 262. 2.14. Het is overigens niet zo dat een beroep op art. 1 lid 2 Sr bij een verandering
de strafbaarstelling nimmer meer wordt gehonoreerd. Ik noem HR 22 februari 1996, LJN AD2491, NJ 1996, 503 (over het nitraatgehalte
krulsla); HR 30 juni 1998, LJN ZD1214, NJ 1999, 88 (over het voorhanden hebben van bajonetten) en HR 22 september 2009, LJN BI1427, NJ 2009, 463 (over het houden van pitbullterriërs). 3. Art. 1 lid 2 Sr
het bestuursrecht 3.1. Zoals gezegd verklaart het vierde lid van art. 5:46 Awb art. 1 lid 2 Sr van overeenkomstige toepassing op de oplegging van bestuurlijke boetes. Genoemd art. 5:46 is geplaatst
("Handhaving") van de Algemene wet bestuursrecht, en wel
Het artikel luidt, voor zover hier van belang: "5: 46
gevoegd
de Algemene wet bestuursrecht bij de op 1 juli 2009
werking getreden Wet van 15 juni 2009, Stb. 264.
de MvT op het desbetreffende wetsvoorstel wordt gesteld dat het uitgangspunt is dat nodeloze verschillen tussen de verschillende rechtsgebieden moeten worden voorkomen. "Wanneer de privaatrechtelijke of strafrechtelijke regels ook voor de bestuursrechtelijke verhoudingen goed voldoen, moet daarbij worden aangesloten". Daarbij wordt opgemerkt dat veel van wat op het eerste gezicht typisch bestuurs-, straf- of privaatrechtelijk lijkt, bij nadere beschouwing "een uitwerking is van aan de verschillende rechtsgebieden gemeenschappelijke beginselen". De taak van de wetgever bij dit alles is duidelijk te maken of en
hoeverre bij andere rechtsgebieden moet worden aangesloten. Dat kan door uitdrukkelijk bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek of het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing te verklaren.
zien nauwer (dan
het voorontwerp van wet het geval was) aansluiting diende te worden gezocht bij het strafrecht, behoorde de verandering van de boeteregeling.
dien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien
de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren." De authentieke Engelse tekst van het verdrag gebruikt voor "strafbaar feit" de woorden "criminal offence". Hoewel deze woorden wellicht iets beperkter moeten worden uitgelegd dan de woorden "criminal charge",
die zin dat lichte overtredingen er wellicht buiten vallen, moet worden aangenomen dat ook aan het begrip" criminal offence" een autonome, materiële uitleg moet worden gegeven. Dat wil zeggen dat niet beslissend is of het feit naar nationaal recht als strafbaar feit wordt gekwalificeerd. Ware dit anders, dan zou de betekenis van artikel 15 per verdragsstaat uiteen kunnen gaan lopen, hetgeen
strijd zou zijn met de bedoeling van het verdrag. Dit betekent dat
ieder geval bij zwaardere bestuurlijke boeten sprake is van een "criminal offence" en dat daarmee de regel van artikel 15, eerste lid, derde volzin, IVBPR geldt. Ook artikel 2, tweede lid, tweede volzin, van Vo. (EG) 2988/95, Pb 1995 L 312, is relevant
dit verband.
dien de wetgever besluit de boete of maximale boete voor een bepaalde overtreding te verlagen, geldt deze verlaging ook voor overtredingen die voor de
werkingtreding van de verlaging hebben plaatsgevonden. Nu kan zich het geval voordoen dat een verlaging van een bestuurlijke boete
werking treedt nadat een boete is opgelegd, maar voordat op een beroep daartegen is beslist. De vraag rijst dan of de bestuursrechter de beschikking tot oplegging van een boete moet vernietigen omdat zij te hoog is. Naar ons oordeel is dat het geval. Het past bij de bijzondere rol van de bestuursrechter
geval hij boetebesluiten toetst dat hij rekening houdt met een dergelijke wijziging ten gunste van de overtreder. Dit sluit aan bij het bepaalde
artikel 15, eerste lid, IVBPR en artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Opgrond van deze regel kan de overtreder niet alleen
de bezwaarfase maar ook
de fase van beroepvoor de rechter profiteren van een verlaging van de bestuurlijke boete. Deze regel wordt
de jurisprudentie reeds aanvaard (zie bijv. CRvB 1 maart 2000, JB 2000, 107, RSV 2000, 87, CRvB 7 december 2000, JB 2001, 18, RSV 2001, 84 en CRvB 14 februari 2001, AB 2001, 151, JB 2001, 80 en RSV 2001, 108 en 109; CRvB 17 december 2002, G.St. 2002, 7182, nr. 52).
het vierde lid van artikel 5.4.1.7 wordt artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing verklaard. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat bij "verandering van wetgeving" de voor de verdachte meest gunstige bepalingen worden toegepast. Daarbij gaat het dus niet alleen om wijzigingen
de aard of hoogte van de sanctie, maar ook om wijzigingen
het overtreden voorschrift, zij het dat de rechtspraak heeft uitgemaakt dat artikel 1, tweede lid, WvSr
dat geval slechts toepassing vindt
dien de wijziging berust op gewijzigd
zicht van de wetgever over de strafwaardigheid van het feit (zie bijv. HR 11 oktober 1989, NJ 1989, 455 tegenover HR 24 november 1987, NJ 1988, 931). Hiervan is bijvoorbeeld geen sprake
dien een systeem van strafrechtelijke handhaving wordt vervangen door een bestuurlijke boete, omdat de wetgever laatstgenoemd systeem van wetshandhaving effectiever acht (zie HR 26 oktober 1999, NJ 2000, 240: het betrof hier de vervanging van strafsancties door bestuurlijke boeten
de Wet opde particuliere beveiligingsorganisaties). De rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld, dat het
artikel 15, eerste lid, IVBPR neergelegde beginsel ook toepassing moet vinden
dien beleidsregels
zake de hoogte van de boete ten gunste van de overtreder zijn gewijzigd (Rb. Rotterdam 26 november 2002, AB 2003, 385). De wetgever - dit kan ook de lagere wetgever zijn - kan overigens bij de wijziging van de boeteregeling
kwestie zelf een overgangsregeling treffen. Een voorbeeld biedt HR 14 mei 2002, NJ 2002, 369: na het plegen van het strafbare feit
kwestie was een aantal bepalingen
het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering aangepast, waardoor - kort gezegd - iets ruimere mogelijkheden bestonden voor de oplegging van een taakstraf. De verdachte beroept zich op artikel 15 IVBPR, nu het gerechtshof ten onrechte niet deze nieuwe regeling heeft toegepast en het aanbod tot het verrichten van een taakstraf heeft afgewezen. De Hoge Raad overweegt echter dat zich hier niet de
artikel 15 IVBPR bedoelde situatie voordoet, nu de nieuwe regeling bepaalt dat de wet geen gevolgen heeft voor strafzaken die voor de
werkingtreding daarvan bij wege van verkorte dagvaarding, oproeping of dagvaarding aanhangig zijn gemaakt. De Hoge Raad hoeft zich derhalve niet over de vraag uit te spreken of door de
voering van de nieuwe regeling sprake is van een lichtere straf, doordat nu een taakstraf
plaats van gevangenisstraf kan worden opgelegd. De wetgever dient zich op dat moment uit te spreken over de vraag of op het terrein
kwestie overtreders van de desbetreffende boeteregeling van de wijziging al dan niet moeten profiteren.
dien deze wetgever hier niets over regelt, geldt de regel zoals neergelegd
het vierde lid." 3.4. Aandacht verdient dat
de MvT uitdrukkelijk aansluiting wordt gezocht bij art. 15 lid 1, derde volzin, IVBPR. Daaraan zal niet vreemd zijn dat het lex mitior-beginsel reeds voor de
werkingtreding van art. 5:46 Awb
de bestuursrechtelijke jurisprudentie was aanvaard als geldend recht. Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep die
de MvT worden genoemd, blijkt dat de toepassing van de nieuwe gunstiger regeling rechtstreeks werd gebaseerd op de genoemde verdragsbepaling. Ook de regering lijkt de opvatting te zijn toegedaan dat het IVBPR verplicht tot de toepassing van nieuwe strafbepalingen die voor de betrokkene gunstiger zijn en dus dat met art. 5.4.1.7 lid 4 (en daarmee met art. 1 lid 2 Sr) wordt voldaan aan een verdragsverplichting. Tegelijk is de regering, met een beroep op de jurisprudentie van de Hoge Raad, van oordeel dat de wetgever afwijkende overgangsbepalingen kan treffen. Hoe een en ander zich tot elkaar verhoudt, is de vraag. Ik teken daarbij aan dat de regering niet, althans niet expliciet, stelt dat art. 1 lid 2 Sr
zijn geheel uit het IVBPR voortvloeit. De MvT laat met andere woorden ruimte open voor de opvatting dat art. 1 lid 2 Sr verder gaat dan het IVBPR vereist. 3.5.
de MvT wordt aangesloten bij de strafrechtelijke doctrine die
houdt dat de verdachte alleen van een verandering
de wetgeving kan profiteren als die verandering berust op een gewijzigd
zicht van de wetgever over de strafwaardigheid van het feit. Die impliciete beperking van het lex mitior-beginsel is al vóór de
werkingtreding van art. 5:46 Awb
de bestuursrechtelijke jurisprudentie aanvaard. Zie ABRvS 2 april 2008, LJN BC8497 en ABRvS 23 augustus 2008, LJN BD9986. Het ging daarbij om de tewerkstelling van Poolse werknemers zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning. Dat vereiste vormde een onderdeel van het overgangsregime dat met het oog op de toetreding van Polen tot de Europese Unie was geschapen. Op 1 mei 2007 kwam aan dit regime een einde. De Afdeling was van oordeel dat het overgangsregime van meet af aan een tijdelijk karakter had gehad en dat daarom niet kon worden gezegd dat het
zicht "over de strafwaardigheid van de geconstateerde overtreding" was gewijzigd. De Afdeling lette daarbij zowel op art. 15 lid 1, derde volzin IVBPR als op art. 1 lid 2 Sr. Kennelijk was de Afdeling van oordeel dat de genoemde verdragsbepaling niet aan de toepassing van het criterium van het gewijzigd
zicht
de weg stond. 3.6. Het uitdrukkelijke beroep dat
de MvT wordt gedaan op de derde volzin van art. 15 lid 1 IVBPR, gevoegd bij de grote rol die deze verdragsbepaling
de bestuursrechtspraak speelt, is één van de redenen om aan die verdragsbepaling apart aandacht te besteden. Zie daarvoor hierna, paragraaf 5. Het beroep dat
de MvT wordt gedaan op art. 2 lid 2 van Vo. (EG) 2988/95 vormt voorts mede aanleiding om kort aandacht te besteden aan het lex mitior-beginsel
het Europese recht. Zie hierna, paragraaf
de zaak Scoppola tegen Italië (EHRM 17 september 2009, nr. 10249/03) oordeelde de Grote Kamer van het Europese Hof dat het lex mitior-principe impliciet besloten ligt
art. 7 EVRM. Daarmee brak het EHRM met zijn eerdere jurisprudentie, die
het spoor was gebleven dat de Commissie
de zaak X tegen Duitsland (ECRM 6 maart 1978, nr. 7900/77) had uitgezet. De Commissie oordeelde dat de klacht kennelijk ongegrond was omdat art. 7 EVRM, anders dan art. 15 lid 1 IVBPR, niet garandeerde dat de verdachte kon profiteren van latere, minder strenge wetgeving.
de zaken Le Petit tegen het Verenigd Koninkrijk (EHRM 5 december 2000, nr 35574) en Zaprianov tegen Bulgarije (EHRM 6 maart 2003, nr. 41171) oordeelde het EHRM
gelijke zin. De casus die, zes jaar na de laatstgenoemde beslissing, aanleiding gaf om van standpunt te veranderen, was gecompliceerd. Voor een goed begrip volgt hier een korte samenvatting. 4.2. Scoppola werd vervolgd wegens onder meer moord en poging tot moord, gepleegd op 2 september 1999. Op deze
meerdaadse samenloop gepleegde feiten stond een verzwaarde vorm van levenslang, namelijk levenslang met "daytime isolation". Op 2 januari 2000 trad een wijziging van art. 442 van het Wetboek van Strafvordering
werking. Die wijziging maakte het ook voor verdachten die werden vervolgd wegens feiten waarop levenslang stond, mogelijk om te kiezen voor een vereenvoudigde procedure. Die keuze werd daarbij beloond met strafverlaging. Het gewijzigde art. 442 WvSv bepaalde dat de levenslange gevangenisstraf werd vervangen door een tijdelijke van dertig jaar. 4.3. Het leek er aanvankelijk op dat Scoppola van deze wijziging zou profiteren. Hij verzocht om toepassing van de vereenvoudigde procedure waarmee de voorprocedure-rechter (giudice dell'udienza preliminaire, afgekort: GUP)
stemde. Die veroordeelde hem vervolgens op 24 november 2000 tot dertig jaar gevangenisstraf. Op dezelfde dag echter werd een Wettelijk Decreet van kracht dat art. 442 WvSv bij wege van "authentieke
terpretatie" wijzigde.
geval van een vereenvoudigde procedure omgezet
dertig jaar gevangenisstraf. Levenslang mét daytime isolation werd omgezet
gewoon levenslang. Het Openbaar Ministerie tekende beroep aan tegen de beslissing van de GUP omdat deze ten onrechte geen toepassing zou hebben gegeven aan het Wettelijk Decreet. Dat leidde er uiteindelijk toe dat Scoppola alsnog tot levenslang (zonder daytime isolation) werd veroordeeld. Tegen die veroordeling kwam hij bij de Italiaanse Hoge Raad tevergeefs op. 4.4. Aandacht verdient dat de door het Decreet gewijzigde Italiaanse wetgeving nauwelijks ruimte liet voor een andere beslissing dan levenslang.
het Italiaanse Wetboek van Strafrecht was neergelegd. Art. 2 WvSr luidde,
de Engelse vertaling gebezigd
van het Scoppola-arrest, als volgt: "Article 2 of the 1930 Criminal Code, entitled "Succession of criminal laws", reads as follows: "1. No one may be punished for an act which, under the law
force at the time when it was committed, was not an offence.
force at the time when the offence was committed and later [laws] differ, the law to be applied is the one whose provisions are most favourable to the defendant, except where a final sentence has already been imposed.
to statute-law is time barred [decadenza] or does not take place, and where a legislative decree has been converted
to statute-law with amendments." " Het Wettelijk Decreet van 24 november 2000 veranderde echter niet het Wetboek van Strafrecht, maar het Wetboek van Strafvordering. Op die verandering had art. 2 WvSr geen betrekking. Dat althans voerde de Italiaanse regering
Straatsburg aan. Volgens haar was
casu geen sprake van een verandering
het materiële strafrecht, maar enkel van een verandering
het procesrecht. Dergelijke veranderingen hadden, overeenkomstig het principe tempus regit actum, onmiddellijke werking. Van die zienswijze getuigden ook de bijzondere overgangsbepalingen die
art. 8 van het Wettelijk Dekreet waren opgenomen. Dit artikel luidde als volgt: "Article 8 1.
criminal proceedings pending on the date of the entry
to force of the present legislative decree, where the defendant is liable to or has been sentenced to life imprisonment with daytime isolation, and has opted for the summary procedure ..., he or she may withdraw his or her request within thirty days of the date on which the legislation implementing the present legislative decree enters
to force.
that case, the proceedings shall be resumed under the ordinary procedure at the stage they had reached when the request was made. Any
vestigative findings which may have been reached may be used within the limits laid down by Article 511 of the Code of Criminal Procedure. 2. Where, on account of an appeal by the prosecution, it is possible to apply the provisions of Article 7, the accused may withdraw the request referred to
paragraph 1 within thirty days of the time when he or she learns of the appeal by the prosecution or, if such an appeal was lodged before the entry
to force of the legislation to implement the present legislative decree, within thirty days' of the latter date. The provisions of the second and third sentences of paragraph 1 shall apply... " Scoppola had geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om zijn verzoek om volgens de vereenvoudigde procedure berecht te worden,
te trekken. Dat betekende volgens art. 8 van het Decreet dat een levenslange gevangenisstraf zonder isolatie diende te worden opgelegd. 4.5. Het EHRM was unaniem van oordeel dat de toepassing van het Wettelijk Decreet
Scoppola's zaak een schending van art. 6 EVRM opleverde. Het ging - heel kort gezegd - niet aan om op een gemaakte afspraak terug te komen. Daarmee wilde de meerderheid van het Hof echter niet volstaan. Met elf stemmen tegen zes werd art. 7 EVRM eveneens geschonden geacht. Die schending kon daarbij niet gebaseerd worden op de nulla poena-regel. De straf die op basis van het "onmiddellijk" werkende Dekreet werd opgelegd, was immers niet zwaarder dan de straf die op de feiten stond ten tijde van het plegen ervan. Een schending van art. 7 EVRM kon daarom alleen geconstrueerd worden via het lex mitior principe. Die schending bestond hierin, dat de Scoppola niet (langer) kon profiteren van de gunstiger bepalingen die na het plegen van de feiten tot stand waren gekomen. Zonder een aanspraak op de toepassing van die gunstiger regeling kon de "onmiddellijke" toepassing van het Decreet - die deze aanspraak tenietdeed - geen schending van art. 7 EVRM opleveren.
belandt het Hof dan bij het eerder - door de Commissie
X tegen Duitsland en door het Hof
daarop aansluitende jurisprudentie -
genomen standpunt met betrekking tot het lex mitior-principe. Vervolgens (§§ 104-109) motiveert het Hof waarom het thans anders oordeelt. Dat alles nog steeds onder het kopje: (iii) Foreseeability of the criminal law. 4.7.
zet het Hof voorop dat het EVRM een levend
strument is dat om een "dynamic and evolutive approach" vraagt en dat dit meebrengt dat het Hof "must (...) respond, for example, to any emerging consensus as to the standards to be achieved".
de §§ 105-109 wordt dan gemotiveerd waarom die dynamische benadering
casu tot verandering leidt. Ik merk daarbij op dat § 105 teruggrijpt op wat eerder, onder het hoofd: "
ternational texts and documents" ( §§ 35-41) is weergegeven. De bedoelde paragrafen houden het volgende
: "105. The Court considers that a long time has elapsed since the Commission gave the above-mentioned X v. Germany decision and that during that time there have been important developments
ternationally.
particular, apart from the entry
to force of the American Convention on Human Rights, Article 9 of which guarantees the retrospective effect of a law providing for a more lenient penalty enacted after the commission of the relevant offence (see paragraph 36 above), mention should be made of the proclamation of the European Union's Charter of Fundamental Rights. The wording of Article 49 § 1 of the Charter differs - and this can only be deliberate (see, mutatis mutandis, Christine Goodwin, cited above, § 100
fine) - from that of Article 7 of the Convention
that it states: "If, subsequent to the commission of a criminal offence, the law provides for a lighter penalty, that penalty shall be applicable" (see paragraph 37 above).
the case of Berlusconi and Others, the Court of Justice of the European Communities, whose ruling was endorsed by the French Court of Cassation (see paragraph 39 above), held that this principle formed part of the constitutional traditions common to the member States (see paragraph 38 above). Lastly, the applicability of the more lenient criminal law was set forth
the statute of the
ternational Criminal Court and affirmed
the case-law of the ICTY (see paragraphs 40 and 41 above). 106. The Court therefore concludes that since the X v. Germany decision a consensus has gradually emerged
Europe and
ternationally around the view that application of a criminal law providing for a more lenient penalty, even one enacted after the commission of the offence, has become a fundamental principle of criminal law. It is also significant that the legislation of the respondent State had recognised that principle since 1930 (see Article 2 § 3 of the Criminal Code, cited
paragraph 32 above). 107. Admittedly, Article 7 of the Convention does not expressly mention an obligation for Contracting States to grant an accused the benefit of a change
the law subsequent to the commission of the offence. It was precisely on the basis of that argument relating to the wording of the Convention that the Commission rejected the applicant's complaint
the case of X v. Germany. However, taking
to account the developments mentioned above, the Court cannot regard that argument as decisive. Moreover, it observes that
prohibiting the imposition of "a heavier penalty ... than the one that was applicable at the time the criminal offence was committed", paragraph 1
fine of Article 7 does not exclude granting the accused the benefit of a more lenient sentence, prescribed by legislation subsequent to the offence. 108.
the Court's opinion, it is consistent with the principle of the rule of law, of which Article 7 forms an essential part, to expect a trial court to apply to each punishable act the penalty which the legislator considers proportionate.
flicting a heavier penalty for the sole reason that it was prescribed at the time of the commission of the offence would mean applying to the defendant's detriment the rules governing the succession of criminal laws
time.
addition, it would amount to disregarding any legislative change favourable to the accused which might have come
before the conviction and continuing to impose penalties which the State - and the community it represents - now consider excessive. The Court notes that the obligation to apply, from among several criminal laws, the one whose provisions are the most favourable to the accused is a clarification of the rules on the succession of criminal laws, which is
accord with another essential element of Article 7, namely the foreseeability of penalties. 109.
the light of the foregoing considerations, the Court takes the view that it is necessary to depart from the case-law established by the Commission
the case of X v. Germany and affirm that Article 7 § 1 of the Convention guarantees not only the principle of non-retrospectiveness of more stringent criminal laws but also, and implicitly, the principle of retrospectiveness of the more lenient criminal law. That principle is embodied
the rule that where there are differences between the criminal law
force at the time of the commission of the offence and subsequent criminal laws enacted before a final judgment is rendered, the courts must apply the law whose provisions are most favourable to the defendant." 4.8. De argumentatie van het Hof blinkt niet uit door helderheid. Dat het lex mitior-principe een uitwerking van de foreseeability-eis zou zijn, overtuigt niet direct. De voorspelbaarheid is toch het grootst als strak vastgehouden wordt aan de wet die gold ten tijde van het plegen van het feit, zodat geen enkele latere wet verandering kan brengen
de straffen die op dat moment worden bedreigd. Het beroep dat het Hof
lijkt te doen op wat de wetgever een passende straf vindt, laat zich moeilijk rijmen met het feit dat de wil van de Italiaanse wetgever (zoals neergelegd
art. 8 van het Wettelijk Decreet van 24 november 2000) door het Hof wordt overruled. Opmerkelijk is ook dat de argumentatie
toegespitst lijkt te zijn op een verandering
de bedreigde straf, terwijl the rule waarin the principle (of retrospectiveness of the more lenient criminal law)
Die regel lijkt betrekking te hebben op alle verschillen
opeenvolgende "criminal laws", dus niet alleen op verschillen
de strafbedreiging. Daarbij komt dat de consensus waarop het Hof zich beroept, betrekking heeft op the principle dat de gunstiger wet toepassing moet vinden. Of consensus bestaat over de breed geformuleerde rule is zogezien nog maar de vraag. 4.9. De vraag bij dit alles is of bij de
terpretatie van het arrest betekenis toekomt aan het feit dat de toepassing van het lex mitior-principe betrekking had op een a-typisch geval. De vraag was niet of Scoppola, toen de gunstiger regeling op 2 januari 2000
werking trad, op de toepassing ervan aanspraak kon maken. Die vraag moest, vanwege de onmiddellijke werking die aan de wetswijziging werd toegekend, naar Italiaans recht bevestigend worden beantwoord. De vraag waarom het ging, was of de aanspraak die Scoppola naar Italiaans recht had, door latere wetgeving weer ongedaan gemaakt kon worden. Dat is "
principe" een vraag van andere orde. Zoals ik hierna (paragraaf 8) zal betogen, berust het principe dat een gunstiger wet moet worden toegepast die op het moment van de toepassing (nog) geldt, op een andere rechtsgrond dan het principe dat een gunstiger regeling die
middels is afgeschaft, toepassing moet vinden. Dat verschil
rechtsgrond werkt mogelijk door
de
vulling en begrenzing van beide principes. 4.10.
het navolgende zal ik een nadere analyse pogen te geven van het arrest van het Hof. Daartoe zal ik eerst nader
gaan op de vraag hoever de consensus waarop het Hof zich baseert, reikt. Daarbij zal
het bijzonder aandacht uitgaan naar art. 15 lid 1 IVBPR. Tevens zal een bescheiden verkenning plaatsvinden naar de toepassing van het lex mitior-principe
het nationale recht van enkele Verdragsluitende Partijen. Vervolgens zal ik terugkomen op de
houdelijke argumentatie van het Hof. Dit met het oog op de vraag of en
hoeverre aan de achterliggende rechtsgrond argumenten kunnen worden ontleend voor deze of gene uitleg van het arrest. Ten slotte zullen enkele voorzichtige conclusies worden getrokken. 4.11.
tussen mag niet onvermeld blijven dat de toepassing die het EHRM
het onderhavige arrest aan het lex mitior-principe geeft, al iets leert over de wijze waarop het EHRM dat principe
vult. Het verweer van de Italiaanse regering was zoals wij zagen dat het
casu ging om veranderingen
het procesrecht. Het Hof onderschrijft
zijn overwegingen dat het lex mitior-beginsel alleen betrekking heeft op veranderingen
het materiële strafrecht. Of daarvan sprake is, wordt evenwel beheerst door de autonome uitleg die het Hof aan het Verdrag geeft. Nationale begrippen en onderscheidingen kunnen daarom niet beslissend zijn. De desbetreffende paragrafen houden het volgende
: "110. The Court reiterates that the rules on retrospectiveness set out
of the Convention apply only to provisions defining offences and the penalties for them; on the other hand,
other cases, the Court has held that it is reasonable for domestic courts to apply the tempus regit actum principle with regard to procedural laws (see, with reference to new regulations on time-limits for appeals, Mione v. Italy (dec.), no. 7856/02, 12 February 2004, and Rasnik v. Italy (dec.), no. 45989/06, 10 July 2007; see also Martelli v. Italy (dec.), no. 20402/03, 12 April 2007, concerning implementation of a law containing new rules on the assessment of evidence, and Coëme and Others, cited above, §§ 147-149, on the immediate application to pending proceedings of laws amending the rules on limitation). The Court must therefore determine whether the text which,
the present case, underwent the legislative changes complained of, namely Article 442 § 2 of the CCP, contained provisions of substantive criminal law, and
particular provisions
fluencing the length of the sentence to be imposed. 111. The Court notes that Article 442 is part of the Code of Criminal Procedure, whose provisions normally govern the procedure for the prosecution and trial of offenders. However, the classification
domestic law of the legislation concerned cannot be decisive. Although it is true that Articles 438 and 441 to 443 of the CCP describe the scope and procedural stages of the summary procedure, paragraph 2 of Article 442 is entirely concerned with the length of the sentence to be imposed when the trial is conducted
accordance with that simplified process.
particular, at the time when the applicant committed the offences, Article 442 § 2 provided that,
the event of conviction, the penalty fixed by the court was to be reduced by one-third. Law no. 479 of 1999, which came
to force before the preliminary hearing
the applicant's case, then specified that life imprisonment was to be replaced by thirty years' imprisonment (see paragraph 29 above). 112. There is no doubt that the penalties mentioned
§ 2 of the CCP were those to be imposed following conviction for a criminal offence (see Welch, cited above, § 28), that they were qualified as "criminal"
domestic law and that their purpose was both deterrent and punitive.
addition, they constituted the "penalty" imposed for the acts with which the defendant was charged, and not measures concerning the "execution" or "enforcement" of a penalty (see Kafkaris, cited above, § 142). 113.
the light of the foregoing, the Court considers that Article 442 § 2 of the CCP is a provision of substantive criminal law concerning the length of the sentence to be imposed
the event of conviction following trial under the summary procedure. It therefore falls within the scope of the last sentence of Article 7 § 1 of the Convention." 4.12. Uit § 110 lijkt alvast de conclusie te kunnen worden getrokken dat het lex mitior-principe zoals dat impliciet
art. 7 EVRM besloten ligt,
elk geval vooralsnog niet verder reikt dan tot "provisions defining offences and the penalties for them". Een verandering
de verjaringstermijnen, door het Hof
7 EVRM tot het procesrecht gerekend te moeten worden. Toch is ook hier enige voorzichtigheid geboden. Zie daarover hierna, onder 10.
nocent until proved guilty according to law
a public trial at which he has had all the guarantees necessary for his defence.
ternational law, at the time when it was committed. Nor shall a heavier penalty be imposed than the one that was applicable at the time the penal offence was committed." "Article 15 [ICCPR] 1. No one shall be held guilty of any criminal offence on account of any act or omission which did not constitute a criminal offence, under national or
ternational law, at the time when it was committed. Nor shall a heavier penalty be imposed than the one that was applicable at the time when the criminal offence was committed. If, subsequent to the commission of the offence, provision is made by law for the imposition of the lighter penalty, the offender shall benefit thereby. 2. Nothing
this article shall prejudice the trial and punishment of any person for any act or omission which, at the time when it was committed, was criminal according to the general principles of law recognized by the community of nations." Een verschil tussen beide artikelen is dat nullum crimen sine lege en nulla poena sine lege
art. 11 Universele Verklaring zijn ondergebracht
een artikel dat ook elementen van het recht op een eerlijke berechting bevat, terwijl de materie
het IVBPR
een apart artikel is geregeld. Andere verschillen die kunnen worden genoemd, zijn het ontbreken
de Universele Verklaring van wat ik maar even de Neurenberg en Tokio-clausule noem (art. 15 lid 2 IVBPR) en een terminologisch verschil: "penal offence" versus "criminal offence". Het belangrijkste verschil voor ons is uiteraard dat het lex mitior-principe
de Universele Verklaring niet voorkomt. 5.2. De wordingsgeschiedenis van art. 15 IVBPR bestaat uit verschillende fasen.
de eerste fase is die geschiedenis nauw verbonden met die van art. 11 Universele Verklaring. Een Drafting Committee (van de Commission on Human Rights) presenteerde
1947 ontwerpteksten aan de (volledige) Commission on Human Rights, die deze teksten amendeerde en doorzond naar de Economic and Social Council (ECOSOC).
1948 nogmaals de Drafting Committee, de Mensenrechtencommissie en de ECOSOC. De laatste legde de gewijzigde teksten voor aan de Algemene Vergadering, die ze eerst behandelde
de Third Committee. Die amendeerde de voor de Algemene Verklaring bestemde bepaling, die vervolgens
1948 door de Algemene Vergadering werd aangenomen. Het ontwerpverdrag werd door de Third Committee teruggezonden naar ECOSOC omdat dat ontwerp nog niet rijp was voor beraadslaging.
mei en juni 1949 pakte de Commission on Human Rights de draad weer op. Dat resulteerde na veel discussie
een tekstvoorstel dat wat nullum crimen/nulla poena betreft gelijk was aan de tekst van art. 11 Universele Verklaring. Na een consultatieronde boog de Mensenrechten-commissie zich
1950 opnieuw over de tekst. Dat leidde tot een tekst waarin - anders dan
het later dat jaar, op 4 november 1950, totstandgekomen art. 7 EVRM - het lex mitior-principe was vervat. Ook
1952 beraadslaagde deze Commissie over de tekst, hetgeen nog tot enige verandering leidde. Het duurde vervolgens tot 1960 voor de Third Committee van de Algemene Vergadering over het voorstel beraadslaagde. Dat leidde niet meer tot veranderingen
de tekst, die
1966 door de Algemene Vergadering werd aanvaard. 5.3. Wat bij kennisneming van de totstandkomingsgeschiedenis opvalt, is dat nullum crimen, nulla poena en lex mitior gezien lijken te worden als weliswaar verwante, maar toch te onderscheiden principes. Over de juiste verwoording van het beginsel nullum crimen sine lege is weliswaar veel te doen geweest, maar dat het beginsel
enigerlei vorm
het Verdrag behoorde te worden opgenomen, daarover was ieder het eigenlijk wel eens. Dat was anders met betrekking tot het nulla poena-beginsel. Tijdens de beraadslagingen van de Drafting committee
1947 stelde de vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk voor om nulla poena te schrappen. Dit omdat "the question of penalty was not a fundamental human right and should be considered on a different basis". De achterliggende gedachte was dat misdadigers niet het recht moesten hebben om de met de misdaad te behalen voordelen al calculerend af te wegen tegen de bedreigde straffen.
middels onafhankelijke
dia, herhaalde het voorstel tijdens de beraadslagingen van de Commission on Human Rights
1948. Dat leidde
derdaad tot schrapping van nulla poena. Daartegen werd later dat jaar, tijdens de vergadering van de Third Committee van de Algemene Vergadering, geprotesteerd door de vertegenwoordiger van Panama. Zijn voorstel om de nulla poena-clausule weer op te nemen werd aanvaard met negentien stemmen voor, zes tegen en negentien onthoudingen.
1949, toen de Commission on Human Rights het werk aan het ontwerpverdrag hervatte, deed het Verenigd Koninkrijk een nieuwe, vergeefse, poging.
1960, tijdens de behandeling van het voorstel door de Third Committee, gaf het Verenigd Koninkrijk, vanwege "a growing consensus", zijn verzet op. De vertegenwoordiger van Nederland bestempelde de opname van de nulla poena-clausule als "real progress", aangezien het principe weliswaar
veel landen werd erkend, maar
andere werd gezien als "merely a moral principle".
1949 had de Commission on Human Rights het voorstel van Chili om lex mitior
het Verdrag op te nemen, nog afgewezen, maar een jaar later werd eenzelfde voorstel, nu
gediend door Egypte, wel door de Commissie aanvaard, met zeven stemmen voor, drie tegen en vijf onthoudingen.
1952 stelde het Verenigd Koninkrijk voor om de derde volzin, waarin lex mitior was neergelegd, te schrappen. De Commissie verwierp dit voorstel met tien stemmen tegen vijf, met drie onthoudingen.
1960, tijdens de behandeling door de Third Committee, was het Noorwegen dat voorstelde om de laatste volzin te laten vervallen. Later trok de Noorse vertegenwoordiger het voorstel
, kennelijk omdat het onhaalbaar was.
1949, 1950 en 1952 op de "tendency
modern criminal law" om de betrokkene het voordeel te gunnen van latere lichtere straffen. Zij wezen erop dat wetten die nieuwe en lichtere straffen bedreigden "were often the concrete expression of some change
the attitude of the community towards the offence
question". De bezwaren die tegen de toevoeging van de derde volzin werden geuit, waren verschillend van aard. Een principieel karakter had het bezwaar dat de derde volzin
strijd zou zijn met de achterliggende gedachte van de tweede volzin (namelijk dat de straf moest worden toegepast die gold ten tijde van het plegen van het feit). Een ander bezwaar was dat het doel weliswaar prijzenswaardig was, maar dat de bepaling veel te ruim was omdat zij leek
te houden dat ook een "offender" die reeds onherroepelijk was veroordeeld, het recht had van de mildere wet te profiteren.
de hand te werken dat het lex mitior-beginsel gezien wordt als het complement van het nulla poena-beginsel. Het gaat dan bij beide beginselen uitsluitend om wat de Britten "the question of penalty" noemden, een vraag die pas aan de orde komt als voldaan is aan het fundamentele, door de eerste volzin bestreken vereiste van een voorafgaande strafbaarstelling. Wat rechtens is als de strafbaarstelling achteraf verandert, is een vraag die zo gemakkelijk buiten beeld blijft. Dat verklaart wellicht dat die vraag tijdens de wordingsgeschiedenis van art. 15 IVBPR betrekkelijk weinig aandacht heeft gekregen. Tijdens de bijeenkomsten van de Commission on Human Rights
1952 stelde België voor om aan het einde van de eerste volzin het volgende toe te voegen: "or which no longer constitutes such an offence at the time when the penal judgement is rendered". Dit voorstel werd niet aanvaard omdat de stemmen staakten: zes tegen zes, met zes onthoudingen.
1960, tijdens de beraadslagingen van de Third Committee,
gediend door Japan, maar werd later weer
getrokken.
1952 ook een voorstel werd gedaan dat brak met de gehanteerde driedeling. Door Joegoslavië en Uruguay werd voorgesteld om de beide laatste volzinnen te vervangen door de volgende zin: "No law subsequent to such acts or omissions may be applied unless it is more favourable for the offenders, who must
such case receive the benefit [of] its provisions." Dit voorstel werd verworpen met zes stemmen tegen vier, met acht onthoudingen.
de tweedeling (
latere wetten die gunstiger en latere wetten die ongunstiger zijn) die dit voorstel zou hebben bewerkstelligd, krijgt het lex mitior-beginsel als vanzelf een ruime strekking. Tot de provisions van de latere wet waarvan de wetsovertreder moet profiteren, kan ook een verandering
de strafbaarstelling behoren. Uit de verwerping van het voorstel zou afgeleid kunnen worden dat men dit niet heeft gewild. 5.8. Zoals wij al zagen, was één van de bezwaren van de tegenstanders van opneming van het lex mitior-principe dat de tekst van de derde volzin ook betrekking leek te hebben op reeds veroordeelden. Niet dat de tegenstanders meenden dat het ten principale onjuist was om veroordeelden van een wijziging
de wetgeving te laten profiteren, zij stelden dat "the executive authority of States parties to the covenant should retain an absolute discretion
applying the benefits of subsequently enacted legislation to such persons".
1960, bij de behandeling van het voorstel door de Third Committee, keerde het punt op de agenda terug. De afgevaardigde van het Verenigd Koninkrijk stelde voor om
de derde volzin, na de woorden "commission of the offence"
te voegen de zinsnede "and before the sentence is passed". Dat voorstel werd verworpen met 34 stemmen tegen, 28 voor en 18 onthoudingen. De tegenstemmers voerden aan dat "the underlying principle" van de derde volzin niet beperkt moest worden tot het moment van veroordeling. "A milder penal law should apply retroactively to all offenders whether or not they had been sentenced."
lengte van jaren. Daarom moet welhaast sprake zijn van de een of andere impliciete beperking ("some implied limitations"). "If not, the results would hardly be practicable or foreseeable; the provision would seem to require a reconsideration, administrative of judicial, of sentences already passed and perhaps already served, not permitting any time limit or cut-off date to be fixed by national law. This can hardly be the purpose of the provision, and would hamper rather than promote criminal law reform." De impliciete beperking die beide auteurs als mogelijke oplossing verdedigen, sluit aan bij de aard van de straf.
to account". Niet helemaal duidelijk is wat zij daarmee bedoelen. Het meest waarschijnlijk is dat zij dit aandragen als niet meer dan een argument voor de bepleite impliciete beperking. Voor een verdragsverplichting is ten aanzien van deze sancties geen plaats. De materie moet aan de Verdragsluitende Partijen worden overgelaten. Maar men kan er ook een modus vivendi
lezen die een ruim bereik van art. 15 lid 1 IVBPR acceptabel maakt. De verdragsverplichting moet daarbij opgevat worden als een opdracht aan de Verdragsluitende Partijen om the underlying principle naar eigen
zicht vorm te geven op basis van een afweging van belangen. Daarmee wordt ruimte gecreëerd. Nationaal overgangsrecht dat the underlying principle
perkt, hoeft aldus niet, of niet per se,
strijd te zijn met het Verdrag. 5.10. Wat hiervan verder ook moge zijn, duidelijk is mijns
ziens dat art. 15 lid 1, derde volzin, IVBPR meer is dan enkel een legitimatie om aan een mildere wet terugwerkende kracht te geven. De verdragsbepaling geeft de "offender" een recht op retroactieve wetstoepassing. Tegenover dat recht staat een plicht van de Verdragsluitende Partijen.
strijd kan zijn met art. 15 IVBPR. Dat lijkt ook het standpunt van het VN-Comité voor de rechten van de mens (Human Rights Committee) te zijn.
de zaken Van Duzen tegen Canada en MacIsaac tegen Canada werd geklaagd over een overgangsbepaling die volgens de klagers belette dat zij volledig van de gewijzigde wet konden profiteren. Het oordeel van het Comité was niet dat het de Canadese wetgever vrijstond van het Verdrag af te wijken, maar dat de klagers niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij beter af zouden zijn geweest als de nieuwe wetgeving onbeperkt toepassing had gevonden. Van een verdragsschending was daarom geen sprake.
bepaalde gevallen ruimte wordt gelaten aan het
zicht van de nationale wetgever (waarbij de redelijkheid van de getroffen nationale overgangsregeling aan het Verdrag wordt getoetst), maar dat is vooralsnog louter speculatie. Het verplichtend karakter van de derde volzin van art. 15 lid 1 IVBPR lijkt daarom voorlopig vooral een argument te vormen voor een restrictieve
terpretatie. 5.12. Nog twee punten verdienen aandacht. De eerste is de uitleg van de begrippen "criminal offence" en "penalty".
versie die
1948 aan de Third Committee van de Algemene Vergadering werd voorgelegd werd
het eerste lid - dat betrekking had op de onschuldpresumptie en het recht op verdediging - gesproken van "penal offence".
het tweede lid - dat betrekking had op het verbod van terugwerkende kracht - werd enkel gesproken van "offence". Van de zijde van de Verenigde Staten werd voorgesteld om ook
het tweede lid van "penal offence" te spreken. Dit niet alleen vanuit een oogpunt van tekstuele uniformiteit, maar ook om zeker te stellen dat het verbod van terugwerkende kracht alleen van toepassing was
strafzaken. Dat voorstel werd niet zonder tegenkanting aanvaard: zestien stemmen voor, acht tegen en veertien onthoudingen.
1949 paste de Commission on Human Rights de tekst van het Ontwerp-Verdrag daaraan aan.
1950 werd "penal offence" echter op voorstel van de Filipijnen vervangen door "criminal offence". Dit om redenen van teksuele consistentie:
het ontwerp-artikel 14 werd gesproken van "criminal charge" en van "charged with a criminal offence". Het eveneens door de Filipijnen gedane voorstel om "penalty" te vervangen door "repression" werd echter verworpen.
terpreted
conformity with the term "criminal charge"
article 14, paragraph 3".
vulling van de begrippen "criminal offence" en "penalty" nauw met elkaar verweven zijn. Voor beide begrippen geldt wat het Comité
de al genoemde zaak Duzen tegen Canada vooropstelde: "The Committee further notes that its
terpretation and application of the
ternational Covenant on Civil and Political Rights has to be based on the principle that the terms and concepts of the Covenant are
dependent of any particular national system or law and of all dictionary definitions. Although the terms of the Covenant are derived from long traditions within many nations, the Committee must now regard them as having an autonomous meaning." Daarmee verwierp het Comité de stelling van de Canadese regering dat art. 15 lid 1 IVBPR alleen betrekking heeft op strafrechtelijke, niet op civiele of administratieve sancties. Volgens Manfred Nowak brengt conformity met art. 14 mee dat "every sanction that has not only a preventive but also a retributive and/or a deterrent character is (...) to be termed a penalty, regardless of its severity or the formal qualification by law and the organ imposing it".
de al genoemde zaken Van Duzen en MacIsaac tegen Canada ging het om een verandering van de VI-regeling. Onder de oude wet bracht recidive tijdens de proeftijd automatisch mee dat de
vrijheid doorgebrachte straftijd verviel (forfeiture of parole): die tijd moest alsnog worden uitgezeten. De nieuwe wet was gunstiger omdat het aan de discretie van de rechter werd overgelaten of parole werd herroepen. Daarbij bleef de
vrijheid doorgebrachte tijd gelden als tijd doorgebracht "under sentence"; van forfeiture of parole was geen sprake meer. Volgens de klagers was dit een aanmerkelijk gunstiger "penalty" de voor overtreding van de voorwaarden waaronder parole was verleend, zodat zij daarvan op grond van art. 15 IVBPR dienden te profiteren. Het bijzondere daarbij was dat de wetswijziging van kracht was op een moment dat niet alleen lag na het moment waarop de gevangenisstraf was opgelegd, maar ook na het moment waarop, na voorwaardelijke
vrijheidstelling, forfeiture of parole had plaatsgevonden wegens het plegen van nieuwe strafbare feiten. De klagers stelden dat die forfeiture of parole met terugwerkende kracht moest worden teruggedraaid. 5.15.
beide zaken speelden verschillende
terpretatievragen door elkaar.
de zin van art. 15 lid 1 IVBPR kan worden aangemerkt. Het antwoord op beide vragen liet het Comité uitdrukkelijk
het midden.
de pragmatiek is
tussen veelzeggend. De gekozen benadering betekent dat serieus rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat een verandering
de regeling van de tenuitvoerlegging onder art. 15 IVBPR valt. Dat wordt nog onderstreept door de eerder door het Comité gegeven beslissing
de zaak R.V.S. tegen Canada.
vrijheidstelling werden onderworpen aan een systeem van "mandatory supervision". Die wijziging trad
werking vóór de veroordeling, maar na het tijdstip waarop de klager de feiten pleegde waarvoor hij was veroordeeld. Dat betekende zijns
ziens dat hij een zwaardere straf kreeg opgelegd dat van toepassing was ten tijde van het plegen van de feiten. Het Comité oordeelde evenwel dat "mandatory supervision cannot be considered as equivalent to a penalty, but is rather a measure of social assistance
tended to provide for the rehabilitation of the convicted person,
his own
terest". Deze argumentatie lijkt te suggereren dat andersoortige wijzigingen
de regeling van de tenuitvoerlegging wel een zwaardere bestraffing kunnen opleveren. 5.
grijpend gewijzigd. De grens tussen tuchtrechtelijke vergrijpen en strafbare feiten werd daarbij veel scherper dan voorheen getrokken. Het enkele negeren van een dienstbevel leverde voortaan slechts een tuchtrechtelijk af te doen vergrijp op. Alleen 'totaalweigering' leverde nog een strafbaar feit op, waartegen art. 139 WvMSr een gevangenisstraf van maximaal twee jaar bedreigde. Westerman werd op basis van deze nieuwe strafbepaling vervolgd en veroordeeld, en wel tot een gevangenisstraf van negen maanden.
Frankrijk, dat rechtsmacht had op basis van het universaliteitsbeginsel, vervolgd en veroordeeld wegens martelingen die hij als legerluitenant
1990 en 1991
Mauretanië beging. Marteling was
Frankrijk pas met
gang van 1 maart 1994, toen de nieuwe Code Pénal
werking trad, als zelfstandig delict strafbaar gesteld (art. 221-1). Die aparte strafbaarstelling ging gepaard met een verhoging van de strafbedreiging. Ould Dah werd op grond van dit nieuwe delict veroordeeld. Strijd met art. 7 EVRM leverde dat volgens het Straatsburgse Hof niet op omdat het martelen van mensen ook onder de gelding van de oude Code Pénal strafbaar was en omdat de opgelegde straf de maximumstraf die de oude Code daarop stelde, niet overschreed.
de praktijk minder groot zijn dan men wellicht op het eerste gezicht zou denken. 5.21. Het wordt tijd om de belangrijkste conclusies op een rij te zetten. De eerste conclusie is dat art. 15 lid 1, derde volzin, IVBPR meer is dan een legitimatie om gunstiger wetgeving met terugwerkende kracht toe te passen. De daarin vervatte bepaling verplicht de Verdragsluitende Partij ertoe om dergelijke wetgeving ten goede te laten aan een overtreder van de strafwet. Die verplichting wordt mogelijk begrensd door impliciete beperkingen, maar zeker is dat niet, laat staan dat duidelijk is wat die beperkingen zijn. De tweede conclusie is dat er vooralsnog weinig reden is om aan te nemen dat de bedoelde derde volzin de wetsovertreder het recht geeft om te profiteren van een verandering
de strafbaarstelling. De opbouw van art. 15 lid 1 IVBPR, de tekst van de derde volzin en de traveaux préparatoires wijzen eerder op het tegendeel, terwijl ook aan het verplichtend karakter van de verdragsbepaling een argument kan worden ontleend voor een restrictieve
terpretatie. Men lijkt uitsluitend gedacht te hebben aan een verandering
de bedreigde straffen. Ook de door mij geraadpleegde commentaren op het IVBPR concentreren zich op de strafbedreiging. Of een verandering
de strafbaarstelling zelf onder de derde volzin van art. 15 valt, is een vraag die zelfs niet wordt opgeworpen.
gelaten. De derde conclusie is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de derde volzin van art. 15 lid 1 IVBPR ook onherroepelijk veroordeelden het recht geeft om van latere veranderingen
strafwetgeving te profiteren. De vierde conclusie is dat er weinig grond is voor de
de MvT op art. 5:46 lid 4 Awb geuite veronderstelling dat het begrip "criminal offence" beperkter moet worden uitgelegd dan het begrip "criminal charge" (zodat lichte overtredingen er buiten vallen). Het Mensenrechten Comité zoekt juist bij de
terpretatie van art. 15 lid 1 IVBPR uitdrukkelijk aansluiting bij het begrip "criminal charge"
art. 14 IVBPR. Dat is
overeenstemming met de traveaux préparatoires. De vijfde conclusie is dat de term "penalty" mogelijk ruim moet worden uitgelegd
die zin dat ook wijzigingen
de regeling van de tenuitvoerlegging een "lighter penalty" kunnen opleveren. De zesde conclusie is dat de bepalingen van art. 15 lid 1 IVBPR resultaatgericht zijn. Voorgeschreven wordt dat de schuldige moet profiteren van mildere wetgeving. Hoe dat resultaat wordt bereikt - via retroactieve toepassing van de nieuwe wet of anderszins - is van minder belang. 5.22. Een eerste vergelijking met de uitspraak van het EHRM
de zaak Scoppola brengt twee opvallende verschillen aan het licht. Het eerste verschil is dat het EHRM het lex mitior-principe uitsluitend betrekt op de strafoplegging door de rechter ("the courts"). Het Hof spreekt dan ook van "subsequent criminal laws enacted before a final judgment is rendered". Op wetswijzigingen die na de veroordeling van kracht worden, heeft art. 7 EVRM zo gezien geen betrekking. Het tweede verschil is dat het EHRM
de Scoppola-uitspraak uitdrukkelijk lijkt vast te houden aan zijn eerdere jurisprudentie dat wijzigingen
de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging buiten het bereik van art. 7 EVRM vallen. Het Hof nam immers
aanmerking dat de straffen die
art. 442 van het Italiaanse Wetboek van Strafvordering werden genoemd, straffen waren die door de rechter moesten worden opgelegd en "not measures concerning the "execution" or "enforcement" of a penalty". Veranderingen
de regeling van de tenuitvoerlegging lijkt dus geen "lighter penalty" te kunnen opleveren waarvan op grond van art. 7 EVRM kan worden geprofiteerd. 5.23. Er mag dan
ternationaal wel een gegroeide consensus zijn dat lex mitior een fundamenteel beginsel van strafrecht vertegenwoordigt, over de precieze
vulling van dat beginsel lijkt
ternationaal nog geen consensus te bestaan. 6. Europees recht 6.1.
de MvT op art. 5:46 lid 4 Awb werd gewezen op het EG-recht. Het EHRM wijst
zijn Scoppola-uitspraak op het Handvest van de Grondrechten van de Europse Unie en op de jurisprudentie van het Hof van Justitie
Luxemburg. Daarover het volgende. 6.2. Art. 2 lid 2 van Verordening (EG) nr. 2988/95 van 18 december 1995 (Pb 1995 L312), waarvan de tweede volzin
de MvT "relevant" werd genoemd, luidt als volgt. "Geen administratieve sanctie kan worden opgelegd dan uit kracht van een aan de onregelmatigheid voorafgegaan Gemeenschapsbesluit.
geval van latere wijziging van de bepalingen van een Gemeenschapsbesluit waarin administratieve sancties zijn vastgesteld, worden de minder strenge bepalingen met terugwerkende kracht toegepast." 6.3. De betekenis van deze bepaling is beperkt. De Verordening waarvan zij deel uitmaakt, beoogt een kader te scheppen voor de bestrijding van EG-fraude. Art. 2 lid 1 Verordening bepaalt dat "controles en administratieve maatregelen en sancties worden
gesteld voor zover deze voor een juiste toepassing van het Gemeenschapsrecht nodig zijn". Op deze sancties heeft het geciteerde tweede lid betrekking. Het gaat om op Europees niveau
gestelde, op Gemeenschapsbesluiten gebaseerde, sancties. De desbetreffende sanctieregeling vindt rechtstreekse toepassing. Dat verklaart waarom het lex mitior-principe hier niet
een resultaatgerichte formulering is gegoten.
ziens dat het voorschrift zich richt tot de toepasser van het Besluit: het bestuursorgaan dat, of de rechter die, de sanctie oplegt. Van minder strenge bepalingen die van kracht worden nadat de sanctie definitief is opgelegd, kan de veroordeelde dus niet profiteren. 6.4. Omdat bedoeld art. 2 lid 2 alleen de toepassing van bepaalde Gemeenschapsbesluiten regelt, en niet die van nationale wetgeving, kan niet gezegd worden dat dit artikellid ertoe noopte om art. 1 lid 2 Sr van overeenkomstige toepassing te verklaren op de bestuurlijke beboeting. De "relevantie" van het artikellid kan alleen gelegen zijn
de analogie en de uniformiteit. Het toont dat toepassing van de lex mitior bij bestuurlijke beboeting geen onbekend verschijnsel is. Bovendien valt er wat voor te zeggen om één lijn te trekken en geen onderscheid te maken tussen boetebepalingen
Gemeenschapsbesluiten en nationale boetebepalingen. 6.5. De
art. 2 lid 2 Verordening bedoelde Gemeenschapsbesluiten hebben betrekking op de sancties die nodig zijn voor een juiste toepassing van het Gemeenschapsrecht. Dat lijkt te betekenen dat het verwoorde lex mitior-principe alleen betrekking heeft op veranderingen
de sanctionering. Op veranderingen
de te handhaven regelingen van Gemeenschapsrecht -
de geboden en verboden - ziet het bepaalde
art. 2 lid 2 Verordening zo gezien niet. 6.
ternational law at the time when it was committed. Nor shall a heavier penalty be imposed than that which was applicable at the time the criminal offence was committed. If, subsequent to the commission of a criminal offence, the law provides for a lighter penalty, that penalty shall be applicable.
werkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 rechtskracht. Art. 6 lid 1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie houdt sindsdien
dat "de Unie de rechten, beginselen en vrijheden die zijn vastgesteld
het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (...)" erkent en dat dit Handvest "dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft". De bepalingen van het Handvest zijn "uitsluitend" tot de lidstaten van de Unie gericht "wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen" (art. 6 lid 1, derde volzin, Unieverdrag jo. art. 51 lid 1 Handvest). De reikwijdte van art. 49 lid 1 Handvest is daarmee aanzienlijk groter dan die van art. 2 lid 2 Verordening (EG) nr. 2988/95. Het artikellid is bijvoorbeeld ook van toepassing als het gaat om nationale wetgeving waarmee uitvoering wordt gegeven aan Europese richtlijnen. Bovendien ziet het niet alleen op administratieve boetes, maar ook op strafrechtelijke sancties. 6.8. Art. 49 lid 1 Handvest bepaalt dat "[the lighter] penalty shall be applicable".
de Nederlandse vertaling wordt gsteld dat de (lichtere) straf moet worden toegepast.
de Duitse vertaling wordt gesproken van de (lichtere) straf die "zu verhängen" is. Aannemelijk lijkt mij daarom dat hier met de toepassing van de straf wordt bedoeld de oplegging ervan (en dat "the applicable penalty" dus de straf is die opgelegd dient te worden).
deze lezing van de bepaling dus niet om de toepassing van de (gunstigste) wet. Dat betekent dat de bepaling, hoewel de formulering ervan afwijkt van die van het lex mitior-principe
art. 15 lid 1 IVBPR, ruimte lijkt te laten voor een resultaatgerichte benadering. Mogelijk is niet vereist dat recht wordt gedaan worden met toepassing van de nieuwe wet en dat voldoende is dat dat de (met toepassing van de oude wet) opgelegde straf blijft binnen de door de nieuwe wet toegestane bandbreedte. Maar wat daarvan ook zij, hier van belang is vooral dat de bepaling zich lijkt te richten op de toepassing of oplegging van sancties. Op lichtere straffen die na sanctieoplegging van kracht worden, heeft de bepaling zo gezien geen betrekking. Bovendien vormt de tekst een argument voor de stelling dat art. 49 lid 1 Handvest alleen betrekking heeft op veranderingen
de strafbedreiging en dus niet op een verandering
de strafbaarstelling.
geval van een wetswijziging die de strafbaarheid opheft, is immers geen sprake van een lichtere straf die opgelegd kan worden. 6.9. Al vóór het van kracht worden van het Handvest heeft het Hof van Justitie (EG) uitgesproken dat toepassing van de lex mitior tot de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht behoort. Dat gebeurde
een uitspraak van 3 mei 2005
de gevoegde zaken C-387/02, C-391/02 en C-403/02 (Berlusconi en anderen), LJN AU8955. De desbetreffende overwegingen worden door het EHRM
de Scoppola-uitspraak
tegraal geciteerd.
to force only after the commission of the acts underlying the prosecutions brought
the cases
the main proceedings. 67. It must be pointed out
this regard that, according to settled case-law, fundamental rights form an
tegral part of the general principles of law, the observance of which the Court ensures. For that purpose, the Court draws
spiration from the constitutional traditions common to the Member States and from the guidelines supplied by
ternational treaties for the protection of human rights on which the Member States have collaborated or to which they are signatories (see,
ter alia, Case C 112/00 Schmidberger [2003] ECR I 5659, paragraph 71 and the case-law there cited, and Joined Cases C 20/00 and C 64/00 Booker Aquaculture and Hydro Seafood [2003] ECR I 7411, paragraph 65 and the case-law there cited).
the present cases, the directives on company law." 6.
art. 49 lid 1 Handvest) zich verhoudt tot het nationale recht van de lidstaten. De uitkomst van de zaak Berlusconi is
dat verband niet zonder betekenis. Berlusconi werd
Italië vervolgd wegens het jaren achtereen publiceren van valse jaarrekeningen. Dat leverde volgens het Italiaanse recht zoals dat gold ten tijde van het plegen van de feiten, misdrijven op waarop gevangenisstraffen van maximaal vijf jaar waren gesteld. Hangende de vervolging - en tijdens het premierschap van Berlusconu - werd de wet gewijzigd. De strafbaarheid werd
geperkt, de straffen werden verlaagd en het delict veranderde van een misdrijf
een overtreding. Het
art. 2 van het Italiaanse Wetboek van Strafrecht neergelegde lex mitior-principe (zie hiervoor, onder 4.4) bracht mee dat deze aanmerkelijk gunstiger bepalingen moesten worden toegepast. Die toepassing zou verstrekkende consequenties hebben. De wetswijziging werkte door
de verjaringstermijn met als gevolg dat de feiten
middels waren verjaard. Bovendien zou Berlusconi ook niet meer vervolgd kunnen worden wegens aanverwante delicten als witwassen en deelneming aan een criminele organisatie, omdat deze delicten betrekking hebben op gronddelicten die als misdrijf zijn strafbaar gesteld. Aan die consequenties trachtte de Italiaanse rechter te ontkomen door het stellen van prejudiciële vragen. Was de nieuwe wetgeving
strijd met het Gemeenschapsrecht - dat effectieve handhaving van het jaarrekeningenrecht eiste - en zo ja, betekende dit dat die nieuwe wetgeving buiten toepassing moest worden gelaten? 6.12. Het Hof van Justitie (EG) gaf geen direct antwoord op de vraag of de veranderde wettelijke regeling strookte met de desbetreffende Richtlijn. Dat was een vraag die de Italiaanse rechter uiteindelijk zelf diende te beoordelen.
houd van Richtlijnen niet aan een
dividuele burger - en dus ook niet aan de 'burger' Berlusconi - konden worden tegengeworpen. Een Richtlijn kan dan ook niet bepalend zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een burger noch die aansprakelijkheid verzwaren. En daarmee was de kous af. 6.13. Ik merk op dat de casus het belang illustreert van de vraag of het bij het lex mitior-principe gaat om de toepassing van wetsbepalingen of om het bereiken van een bepaald resultaat. Het (onverkort) toepassen van nieuw recht kan vergaande consequenties hebben: feiten kunnen verjaard blijken te zijn en gepleegde misdrijven zoals witwassen kunnen met terugwerkende kracht straffeloos zijn geworden. Dat is anders als het lex mitior-principe zich beperkt tot de strafoplegging. 6.14.
tussen zegt de uitspraak van het Hof
de Berlusconi-zaak niets over de vraag hoe het algemene, van het Gemeenschapsrecht deeluitmakende 'Europese' lex mitior-beginsel
dit opzicht moet worden
gevuld. De terugwerkende kracht van de nieuwe wetgeving werd
deze zaak niet afgedwongen met een beroep op het 'Europese' beginsel, maar berustte direct op art. 2 lid 3 van het Italiaanse Wetboek van Strafrecht. De verstrekkende consequenties waren dus eenvoudig een uitvloeisel van de
vulling die het lex mitior-principe
het Italiaanse nationale recht had gekregen. Die nationele
vulling stond
Luxemburg niet ter discussie. Zij werd als gegeven aanvaard. 6.15. Dat brengt mij op het volgende. Het zou kunnen zijn dat het 'Europese' beginsel moet worden opgevat als een ongearticuleerd principe, dat concreet handen en voeten moet krijgen
het nationale recht van de lidstaten. Dat levert een model op waarin de implementatie van het lex mitior-principe wordt overgelaten aan de lidstaten, met dien verstande dat die implementatie onder supervisie staat van het Hof van Justitie (EG). Dat zou betekenen dat er - binnen een door het Hof te bewaken bandbreedte - ruimte is voor nationale verschillen. Dat zou denk ik ook betekenen dat een - vanuit Europees perspectief gezien - te ruime toepassing van de lex mitior eveneens onderworpen is aan Europese supervisie. 6.16. Opgemerkt kan worden dat de hiervoor geciteerde overwegingen waarin het Hof van Justitie (EG) het lex mitior-principe als algemeen beginsel van Gemeenschapsrecht erkent, niet tot de dragende overwegingen van het arrest lijkt te horen. Als de bedoelde erkenning was uitgebleven, was de uitkomst immers niet anders geweest. Dan had nog steeds gegolden dat de door de Italiaanse wet voorgeschreven terugwerkende kracht niet met een beroep op een Europese Richtlijn ongedaan kan worden gemaakt. Of moet die algemene erkenning
het arrest toch worden gezien als een verkapte toetsing van art. 2 Italiaans Wetboek van Strafrecht aan het Gemeenschapsrecht? 6.17. De vraag is of het Hof van Justitie (EG) hier niet een kans heeft laten liggen.
dit verband veroorloof ik mij een klein uitstapje naar de - eveneens door het EHRM
de Scoppola-zaak aangehaalde - uitspraak van de Appeals Chamber van het Joegoslavië-Tribunaal
de zaak Dragan Nikolic (nr. IT-94-2-A). Art. 24 lid 1 van het Statuut van het Tribunaal schrijft voor dat "the Trial Chambers shall have recourse to the general practice regarding prison sentences
the courts of the former Yugoslavia". De vraag die voorlag, was of het lex mitior-beginsel meebrengt dat het Joegoslavië-Tribunaal rekening dient te houden met latere wijzigingen
het recht van de landen waarin het voormalige Joegoslavië was uiteengevallen. De Appeals Chamber beantwoordde die vraag ontkennend.
herent aan het lex mitior-beginsel is, zo redeneerde de Chamber, dat "the relevant law must be binding upon the court". Welnu, het Tribunaal is alleen gebonden aan zijn eigen Statuut, zodat alleen veranderingen
dat Statuut onder het bereik van het lex mitior-beginsel vallen.
teressant is dat aan dit formeel logische argument nog een ander argument werd toegevoegd. De Chamber overwoog het volgende: "(...) Allowing the principle of lex mitior to be applied to sentences of the
ternational Tribunal on the basis of changes
the laws of the former Yugoslavia would mean that the States of the former Yugoslavia have the power to undermine the sentencing discretion of the
ternational Tribunal's judges.
passing a national law setting low maximum penalties for the crimes mentioned
Articles 2 to 5 of the
ternational Tribunal's statute, States could then prevent their citizens from being properly sentenced by this Tribunal. This is not compatible with the
ternational Tribunal's primacy enshrined
Het argument houdt
dat het lex mitior-beginsel geen betrekking kan hebben op corrupte wetgeving, dat wil zeggen op wetgeving die is uitgevaardigd met het doel om een voor juist gehouden handhaving van de strafwet te ondermijnen. De vraag is of die gedachte geen bredere toepassing verdient. Denkbaar is dat het Hof van Justitie (EG), toen het overging tot de erkenning van het lex mitior-principe als algemeen beginsel van Gemeenschapsrecht, daarbij eenzelfde begrenzing had aangebracht. De uitkomst van de zaak Berlusconi was dan een andere geweest.
art. 49 lid 1 Handvest verankerde lex mitior-beginsel nog veel onzeker is. Zo is onduidelijk of het principe verder reikt dan de strafoplegging alleen. De tekst en de opbouw van de bepaling wijzen
de richting van een restrictieve
terpretatie. Hoewel de formulering verschilt van die van art. 15 lid 1 IVBPR, is een uitleg waarbij het te bereiken resultaat (en niet het toe te passen recht) centraal staat niet uitgesloten. Duidelijk is dat het beginsel een verplichtend karakter heeft, maar denkbaar is dat de lidstaten enige ruimte wordt gelaten om het beginsel naar eigen
zicht te implementeren. De Europese supervisie waarmee dat gepaard zou moeten gaan, kan ook tot restricties leiden. Maar dat is niet veel meer dan speculatie. 7. Buitenlands recht 7.1.
leiding Zoals wij zagen, beroept het EHRM zich
het Scoppola-arrest op een "emerging consensus" met betrekking tot het lex mitior-beginsel. De vraag is hoever die consensus reikt. Meer
het bijzonder is de vraag hoe binnen Europa wordt geoordeeld over veranderingen
de strafbaarstelling.
hoeverre wordt het lex mitior-beginsel daarop van toepassing geacht? Het antwoord op die vraag is van belang omdat aannemelijk is dat het EHRM bij zijn dynamische
terpretatie van art. 7 EVRM niet al te ver voor de troepen zal willen uitlopen en zich derhalve bij de nadere
vulling van het lex mitior-beginsel mede zal laten leiden door de mate van consensus die daarover binnen Europa bestaat. Daarom lijkt een
ventarisatie van het recht van de verschillende Verdragsluitende Partijen dienstig. Ik heb mij daarin evenwel moeten beperken. De
ventarisatie richt zich alleen op de bovengenoemde vraag naar veranderingen
de strafbaarstelling. Zij is daarbij verre van volledig. Slechts van enkele landen wordt het recht beschreven en dan ook nog alleen oppervlakkig. Dat neemt niet weg dat daarmee een eerste
druk wordt verkregen over de mate van eenstemmigheid die binnen Europa met betrekking tot bedoelde vraag bestaat.
het kader van de onderhavige vordering kan daarmee worden volstaan. 7.
Duitsland grondwettelijk verankerd (art. 103
GB).
GB neergelegde "Meistbegunstigungsprinzip" en de uitzondering die daarop is gemaakt
4. De derde Absatz is ruim geformuleerd en beperkt zich dan ook niet tot veranderingen
de bedreigde straffen. Ook veranderingen
de strafbaarstelling tellen mee. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met zogenaamde "Zwischengesetze". Dat zijn gunstiger regelingen die na het plegen van het feit van kracht zijn geworden, maar die ten tijde van de berechting al weer buiten werking zijn getreden. Daarvan kan de dader ondanks die buitenwerkingtreding blijven profiteren.
de strafbaarstelling niet alleen om de algehele
trekking van een strafbepaling, maar ook om de
perking daarvan door het toevoegen van extra bestanddelen of het
voeren van een nieuwe exceptie.
geval van "Blankettgesetzen" tellen dus ook veranderingen
de nadere uitvoeringsregelingen ("blankettausfüllenden Normen") mee.
GB wordt een uitzondering gemaakt voor "Zeitgesetze". Daaronder vallen
ieder geval wetten met een vooraf bepaalde werkingsduur en wetten waarin de buitenwerkingtreding afhankelijk is gemaakt van een bepaalde toekomstige gebeurtenis ("Zeitgesetze im engeren Sinne"). Daarnaast echter ook wetten die blijkens hun
houd betrekking hebben op "Sonderverhältnisse" van tijdelijke aard ("Zeitgesetze im weiteren Sinne"). Dergelijke wetten worden "gegenstandslos" als de bijzondere toestand waarop zij betrekking hebben, ophoudt te bestaan.
Schönke-Schröder (Rn. 35) wordt gesteld dat § 2 Abs. 4 StGB hoofdzakelijk toepassing vindt bij de "Blankettgesetze" uit het bijzondere strafwet, "deren Zweck meist gerade darin besteht, durch elastische Auswechselbarkeit der blankettausfüllenden Norm akuten Bedürfnissen (...) oder sich wandelnden Zeitverhältnissen (...) Rechnung zu tragen, ohne dass sich dabei die Erreichung des gesteckten Zieles von vornherein zeitlich schon genau vorhersehen und fixieren ließe". 7.2.6. Aandacht verdient dat de toepasselijkheid van het Meistbegunstigungsprinzip op veranderingen
uitvoeringsregelingen
Schönke-Schröder ook nog op een andere wijze lijkt te worden
geperkt.
Absatz 3 besloten liggende beperking, niet om toepassing van Absatz 4. 7.2.7.
Schönke-Schröder wordt ook nog een tweede impliciete beperking verdedigd. Van een
aanmerking te nemen verandering zou geen sprake zijn als de nieuwe wet alleen betrekking heeft op toekomstige gevallen.
perkingen tot eenzelfde resultaat leidt als
Nederland wordt bereikt met de toepassing van het criterium van gewijzigd
zicht, is denk ik teveel gezegd. Zo levert de omzetting van een strafbaar feit
een Ordnungswidrigkeit een verandering
de strafbaarstelling op waarvan de verdachte profiteert.
tussen wel dat de argumentatie waarmee deze
perkingen worden gerechtvaardigd, doet denken aan het Nederlandse criterium. Zo stelt Roxin dat de achterliggende gedachte van § 2
wezen om hetzelfde argument gaat (dat een overtreding van een Zeitgesetz straffeloos blijft, is alleen erg als de "kriminalpolitische Bewertung" van die overtreding niet veranderd is), maakt deze toevoeging wel duidelijk dat een onbeperkte doorvoering van het lex mitior-principe haaks kan staan op een geloofwaardige handhaving van de strafwet. 7.2.9. Het Meistbegunstigungsprinzip heeft geen grondwettelijke status en de wetgever kan daarvan dus door middel van een bijzondere overgangsbepaling afwijken. Daarbij geldt echter wel dat van willekeur geen sprake mag zijn. Een afwijkende overgangsregeling zou onder omstandigheden
strijd kunnen komen met "das rechtsstaatlichen Vertrauensschutzprinzip".
de Scoppola-zaak oordeelde. 7.
België neergelegd
art. 14 Grondwet (zij het dat het verbod van terugwerkende kracht daarin niet met zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht
art. 2 lid 1 van het Strafwetboek (Sw). Het lex mitior-principe heeft uitwerking gevonden
art. 2 lid 2 Sw. De genoemde wetsartikelen luiden als volgt. Art. 14 G.W. "Geen straf kan worden
gevoerd of toegepast dan krachtens de wet." Art. 2 Sw "1. Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. 2.
dien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast." 7.3.2. De formulering van het lex mitior-principe
art. 2 lid 2 Sw is restrictief.
de eerste plaats gaat het daarin enkel om een verschil
bedreigde straffen. Veranderingen
de strafbaarstelling lijken aldus buiten de boot te vallen.
de tweede plaats gaat het alleen om een vergelijking van de ten tijde van het misdrijf bepaalde straf met de ten tijde van het vonnis bepaalde straf. Toepassing van een al weer afgeschafte mildere tussenwet wordt dus niet voorgeschreven. 7.3.3. Hoewel dus de tekst van art. 2 lid 2 Sw
andere richting wijst, wordt algemeen aangenomen dat ook veranderingen
de strafbaarstelling onder het bereik van het artikellid vallen.
de praktijk belangrijke uitzondering wordt gemaakt voor uitvoeringsreglementen, zoals bijvoorbeeld de op grond van de Wegverkeerswet uitgevaardige verkeersreglementen. Van veranderingen
dergelijke reglementen kan de wetsovertreder niet profiteren. Het argument is dat het door de "blanco-strafwet" strafbaargestelde misdrijf het zich niet onderwerpen aan de reglementen is en dat die strafwet zelf niet is veranderd. 7.3.4. Van den Wyngaert onderscheidt als afzonderlijke uitzonderingscategorie wetten die een oude wet over hetzelfde onderwerp vervangen met behoud van strafbaarstelling. Als "gekend voorbeeld" noemt zij een uitspraak van het Hof van Cassatie van 9 januari 1985 (N-19850109-8), waarin het ging om de vervanging van de oude drankwet uit 1919 door de Wet vergunningsrecht sterke drank. De oude wet verbood caféhouders om sterke drank te verkopen, de nieuwe wet voerde een vergunningstelsel
. De caféhouder die de oude wet overtrad, werd een beroep doen op art. 2 lid 2 Sw ontzegd met het argument dat ook de nieuwe wet het verkopen van sterke drank strafbaar stelde. 7.3.5. Dupont en Verstraeten (a.w., p. 134) verklaren de onder 7.3.3 genoemde uitzonderingen door te stellen dat uit de aard van de desbetreffende wetgeving onmiskenbaar de bedoeling van de wetgever blijkt om van de regel van art. 2 lid 2 Sw af te wijken. Van den Wyngaert (a.w., p. 116) brengt de begrenzing van het toepassingsbereik van art. 2 lid 2 Sw
verband met de ratio legis. De terugwerking van de mildere strafwet vormt de uitdrukking van het gewijzigd
zicht van de wetgever met betrekking tot de strafwaardigheid van de feiten. Die ratio brengt mee dat terugwerking achterwege blijft als het
zicht van de wetgever niet is gewijzigd. Bij deze argumentatie past dat het toepassingsbereik van art. 2 lid 2 Sw
de jurisprudentie verder is
geperkt. Als voorbeeld noemt Van den Wyngaert (a.w., p. 119) een arrest van het Hof van Cassatie van 3 oktober 2000 (N-20001003-7), dat betrekking had op de
voering van de strafbaarheid van de rechtspersoon. Die
voering had ook consequenties voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verantwoordelijke natuurlijke personen. Die aansprakelijkheid verviel
sommige gevallen omdat
die gevallen alléén de rechtspersoon kon worden aangesproken. Toepassing van art. 2 lid 2 Sw zou
deze gevallen betekenen dat de onder de oude wet gepleegde feiten
het geheel niet meer konden worden bestraft. Daarvoor stak het Hof van Cassatie een stokje met het argument dat de wetgever de "onbetwistbare bedoeling" had de onder de oude wet gepleegde feiten verder te bestraffen. 7.3.6. Gelet op de niet-grondwettelijke status van art. 2 lid 2 Sw en op het gewicht dat
de jurisprudentie wordt toegekend aan de bedoeling van de wetgever neem ik aan dat de wetgever bevoegd is om afwijkende overgangsbepalingen te scheppen. 7.4. Frankrijk 7.4.1. Het beginsel nullum crimen sine lege heeft
de Franse Grondwet zelf geen plaats gekregen. Wel is het neergelegd
art. 8 van de Déclaration des droits de l'homme et du citoyen van 1789, waarnaar
de préambule van de Grondwet wordt verwezen. Het beginsel heeft tevens uitdrukking gevonden
art. 112-1 van de Code Pénal (C.P.), waarin ook het lex mitior-principe een plaats heeft gekregen. De genoemde artikelen luiden als volgt. [Déclaration des droits de l'homme et du citoyen] "Article 8 La loi ne doit établir que des peines strictement et évidemment nécessaires, et nul ne peut être puni qu'en vertu d'une loi établie et promulguée antérieurement au délit, et légalement appliquée." [Code Pénal] "Article 112-1 Sont seuls punissables les faits constitutifs d'une
fraction à la date à laquelle ils ont été commis. Peuvent seules être prononcées les peines légalement applicables à la même date. Toutefois, les dispositions nouvelles s'appliquent aux
fractions commises avant leur entrée en vigueur et n'ayant pas donné lieu à une condamnation passée en force de chose jugée lorsqu'elles sont moins sévères que les dispositions anciennes." 7.4.2.
de oude Code Pénal, die gold tot aan de
werkingtreding van de nieuwe Code Pénal op 1 maart 1994, was geen plaats
geruimd voor het lex mitior-principe. Desondanks had het wel een plaats
het Franse recht. Uit art. 8 Déclaration des droits de l'homme et du citoyen, dat
hield dat de wet alleen straffen mocht bevatten die strikt noodzakelijk waren, leidde men af dat voor de oplegging van straffen die de wetgever niet langer noodzakelijk achtte, geen plaats was.
art. 112-1 lid 3 C.P. gecodificeerde beginsel is ruim. Daaronder vallen alle wijzigingen
het materiële strafrecht, dus ook de wijzigingen
de strafbaarstelling.
geruimd.
wetten ("lois") gaat. Lange tijd maakte de Cour de Cassation een uitzondering voor "lois de circonstances", wetten die gezien de materie die zij regelen van voorbijgaande aard zijn.
het bijzonder gedacht worden aan ordeningswetgeving op het terrein van de economie (zoals prijsregulering) en de belastingen. Deze uitzondering werd verdedigd met het argument dat het niet om "dispositions but" ging (zodat van een verandering van de criminele politiek geen sprake was), maar slechts om "dispositions moyen", zodat alleen verandering werd gebracht
de techniek waarmee het doel werd gerealiseerd. Die argumentatie vermocht niet te overtuigen. De uitzondering stuitte op felle kritiek. "Heureusement", schrijft Pradel, ging de Cour de Cassation
1987 om. Daarbij werd nog wel een voorbehoud gemaakt. De nieuwe, gunstiger wet was met terugwerkende kracht van toepassing "en l'absence de dispositions contraires expresses". Volgens een door Pradel met kennelijke
stemming aangehaalde schrijver zou een dergelijke afwijkende overgangsbepaling echter
strijd zijn met art. 15 lid 1 IVBPR. 7.4.4. Nu lijkt de soep iets minder heet gegeten te hoeven worden dan zij door Pradel wordt opgediend. De omslag
de jurisprudentie had betrekking op "lois nouvelles". Ook na 1987 hield de Cour de Cassation als ik het goed zie vast aan zijn jurisprudentie dat veranderingen
"textes réglementaires" - dat wil zeggen
uitvoeringsregelingen neergelegd
algemene maatregelen van bestuur en ministeriële besluiten - buiten het bereik van art. 112-1 lid 3 C.P. vallen. Daarbij lijkt wel vereist te zijn dat de vervolging is aangevangen vóór de wijziging van de uitvoeringsregeling.
de jurisprudentie nooit een uitzondering is gemaakt voor "lois temporaires", dat wil zeggen voor wetten met een vooraf gefixeerde geldigheidsduur. Ook ten aanzien van deze wetten wordt dus strak vastgehouden aan het lex mitior-principe. Pradel lijkt daarbij een vraagteken te plaatsen.
een gewijzigde, anders geformuleerde wet. Deze gevallen worden echter niet behandeld bij de vraag of een uitzondering moet worden gemaakt op het lex mitior-principe, maar bij de vraag of sprake is van een gunstiger wet. Als het feit zowel volgens de oude als de nieuwe wet strafbaar is, mag veroordeeld worden op basis van de nie
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.