← Nederland

ECLI:NL:PHR:2011:BP6878

Obsah (11)§ 32§ 103§ 104§ 108§ 109Article 7Article 442§ 110Article 9§ 1§ 2

Nr. 10/05151 CW Mr. Knigge Datum: 8 maart 2011 Vordering tot cassatie

het belang der wet

zake: [Verdachte] Deze vordering tot cassatie

het belang der wet heeft betrekking op een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 september 1994, waarbij het Hof de verdachte ter zake van

  1. "opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer" en
  2. "opzettelijk enige handeling door een ambtenaar bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, beletten", veroordeeld heeft tot een geldboete van fl. 2.000, --, subsidiair 35 dagen hechtenis.

houdsopgave 1.

leiding

  1. Het oordeel van Hof en Hoge Raad
  2. Art. 1 lid 2 Sr

het bestuursrecht

  1. Scoppola tegen Italië
  2. Art. 15 lid 1 IVBPR
  3. Europees recht
  4. Buitenlands recht 7.1.

leiding 7.

  1. Duitsland 7.
  2. België 7.
  3. Frankrijk 7.
  4. Engeland en Wales 7.
  5. Conclusie
  6. Rationale
  7. Algemene conclusies
  8. Consequenties voor het Nederlandse recht 10.
  9. Veranderingen

de strafbaarstelling 10.2. Veranderingen

de sanctionering 10.

  1. Afwijkende overgangsbepalingen 10.
  2. Verjaring
  3. De vordering 1.

leiding 1.1 Het hiervoor genoemde arrest van het Gerechtshof te Arnhem is onherroepelijk.

gevolge art. 78 RO kan cassatie

het belang der wet worden

gesteld. Daaraan staat niet

de weg dat het arrest geruime tijd geleden is gewezen. De wet kent

dit opzicht geen beperking. Daaraan staat evenmin

de weg dat de Hoge Raad destijds het tegen het arrest

gestelde cassatieberoep heeft verworpen (HR 13 februari 1996, LJN ZC9526, NJ 1996, 502). Ook

dit opzicht kent de wet geen beperking.

(1)1.2 De aanleiding om

deze zaak cassatie

het belang der wet

te stellen, wordt gevormd door de uitspraak die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens deed

de zaak Scoppola tegen Italië. (EHRM 17 september 2009, 10249/03, LJN BK6009).

(2)Het EHRM oordeelde dat

art. 7 EVRM het lex mitior-principe, "the principle of retrospectiveness of the more lenient criminal law", impliciet besloten ligt.

ons nationale recht heeft dit beginsel zoals bekend uitdrukking gevonden

art. 1 lid 2 Sr, dat voorschrijft dat bij verandering van wetgeving de voor de verdachte gunstigste bepalingen moeten worden toegepast. Deze wetsbepaling heeft de status van een wet

formele zin en staat dus

rangorde niet boven andere wetten

formele zin. Dat betekent, naar ook altijd is aanvaard, dat de wetgever

voorkomende gevallen een bijzondere overgangsregeling kan treffen die van art. 1 lid 2 Sr afwijkt. Bij dit gegeven past ook de impliciete beperking die

art. 1 lid 2 Sr wordt

gelezen. Van een verandering van wetgeving

de zin van dat artikellid is volgens de jurisprudentie alleen sprake als die verandering getuigt van een gewijzigd

zicht van de wetgever. De uitspraak van het EHRM

de zaak Scoppola heeft tot gevolg dat het lex mitior-principe een andere status heeft gekregen. Het is verheven tot een mensenrecht dat door de Nederlandse Staat moet worden gegarandeerd en gerespecteerd. Dat roept de vraag op of voor afwijkende overgangsbepalingen nog langer plaats is. Dat roept ook de vraag op of de retroactieve toepassing van "the more lenient law" nog langer afhankelijk mag worden gemaakt van het (gewijzigd)

zicht van de nationale wetgever. 1.3 Tot de brandende problemen van deze tijd, schreef ik eens, behoort niet het overgangsrecht.

(3)Toch kan aan de beantwoording van de zojuist opgeworpen vragen een zekere urgentie niet worden ontzegd. Dat komt doordat art. 5:46 lid 4 Awb art. 1 lid 2 Sr van overeenkomstige toepassing verklaart op de oplegging van bestuurlijke boetes. Dat betekent dat ook de bestuursrechtspraak met bedoelde vragen te maken heeft. Het belang van de rechtseenheid - bij uitstek een belang van de wet - vraagt op dit punt om onderlinge afstemming van de bestuursrechtspraak en de strafrechtspraak. De hoogste bestuursrechters zijn

beginsel bereid zich, wat de uitleg van art. 1 lid 2 Sr betreft, te richten naar het oordeel van de Hoge Raad. Maar dan moet er wel een oordeel zijn. Om daarin te voorzien, grijp ik naar het buitengewone rechtsmiddel van cassatie

het belang der wet. Dat is een beetje een kunstgreep, maar

het belang van de wet zijn kunstgrepen geoorloofd. 1.4 Ik heb gezocht naar een arrest van de Hoge Raad waarin de overgangsrechtelijke problematiek vergelijkbaar is met die

zaken die, naar ik heb begrepen, momenteel bij de bestuursrechter aanhangig zijn. Het hiervoor genoemde arrest (HR 13 februari 1996, LJN ZC9526, NJ 1996, 502) voldoet aan dit zoekcriterium. Het is tevens een van de arresten waarin het criterium van het gewijzigd

zicht zijn huidige

vulling kreeg. Kort gezegd komt die

vulling erop neer dat onvoldoende is dat de wetswijziging is veroorzaakt door een veranderd

zicht (

plaats van door veranderde omstandigheden). Van een gewijzigd

zicht is pas sprake als de wetgever anders is gaan denken over de strafwaardigheid van de onder de oude, afgeschafte, wet gepleegde feiten. Deze aanscherping van het criterium heeft ertoe geleid dat een verandering van wetgeving

de zin van art. 1 lid 2 Sr een betrekkelijke zeldzaamheid is geworden. 1.5 Tegen arresten van de Hoge Raad kan geen cassatie

gesteld worden, ook niet

het belang van de wet. Daarom richt deze vordering zich formeel tegen het onderliggende arrest van het Hof Arnhem.

feite echter gaat het om de vraag of de jurisprudentie van de Hoge Raad bijstelling behoeft. Centraal staat daarbij het type wetswijziging waarover het Hof Arnhem zich uitsprak en waarover de Hoge Raad oordeelde, namelijk een verandering

de strafbaarstelling. Op dat type wetswijziging heeft deze vordering betrekking. De vraag of bij een verandering

de strafbaarstelling nog ruimte is voor de toepassing van het criterium van het gewijzigd

zicht, is echter niet de enige vraag die het Scoppola-arrest oproept. Nauw verwant met die vraag is, zoals ik hiervoor reeds aanstipte, of de wetgever nog de vrijheid heeft om afwijkende overgangsbepalingen te scheppen. Een andere, eveneens nauw verwante vraag is of bij veranderingen

(alleen) de sanctionering van het strafbare feit plaats is voor toepassing van het criterium van het gewijzigd

zicht. Ten behoeve van een brede voorlichting aan de Hoge Raad zal ik mij

de toelichting op deze vordering ook over deze verwante kwesties uitlaten. Tevens zal ik mij enkele opmerkingen veroorloven over de mogelijke betekenis van het Scoppola-arrest voor veranderingen

de verjaringstermijnen. Wellicht vindt de Hoge Raad

het belang van de rechtseenheid aanleiding om een en ander te betrekken bij de motivering van zijn oordeel. 1.6

de toelichting op deze vordering zal ik betogen dat het oordeel van het EHRM

de zaak Scoppola er niet toe dwingt het criterium van het gewijzigd

zicht bij veranderingen

de strafbaarstelling los te laten. Om formele redenen echter zal ik mij op het standpunt stellen dat het oordeel van het Hof Arnhem getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De aard van het gekozen

strument dwingt tot die formele stellingname. De grond voor de gevorderde vernietiging van een uitspraak kan immers slechts gelegen zijn

de (beweerdelijke) onjuistheid van die uitspraak. 1.7 Het voorgaande betekent niet dat ik van oordeel ben dat de Scoppola-uitspraak geen enkele consequentie heeft voor het Nederlandse recht. Het criterium van het gewijzigd

zicht zal mijns

ziens iets anders

gevuld moeten worden. Ten aanzien van de genoemde verwante vragen zal ik verdedigen dat er reden is om de jurisprudentie bij te stellen.

  1. Het oordeel van Hof en Hoge Raad 2.
  2. Het arrest van het Hof Arnhem heeft betrekking op een verandering

de niet eenvoudig te doorgronden milieuwetgeving. Het is mijns

ziens niet nodig om de toepasselijke regelgeving nog eens

extenso weer te geven. Daarvoor verwijs ik naar het gepubliceerde arrest van de Hoge Raad. Met een samenvatting op hoofdlijnen kan hier worden volstaan. 2.2. De verdachte

deze zaak was een akkerbouwer uit [plaats]. Op zijn bedrijf was, zo bleek bij een op 17 juni 1993 uitgevoerde controle, een tank voor de opslag van dieselolie aanwezig die een grotere

houd had dan 1000 liter. Ook waren op zijn bedrijf schapen aanwezig. Dat betekende dat

meer dan één opzicht sprake was van een "

richting"

de zin van de Wet milieubeheer (Wm).

(4)Het

werking hebben van een dergelijke

richting was verboden als daarvoor geen vergunning was verleend.

(5)Aan de vergunning konden voorwaarden worden verbonden. De verdachte was niet

het bezit van een vergunning. Dat leverde een bij de Wet Economische Delicten strafbaar gesteld feit op. 2.3. De door de verdachte gedreven

richting viel met

gang van 1 maart 1993 onder de Wet milieubeheer.

(6)Vóór die datum gold de Hinderwet, die was opgegaan

de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, die bij die gelegenheid werd omgedoopt tot de Wet milieubeheer.

(7)Van belang is dat de Wet milieubeheer zoals die op 1 maart 1992 gestalte had gekregen de mogelijkheid kende om de vergunningplicht voor bepaalde, bij AMvB aangewezen, categorieën

richtingen te vervangen door een meldingsplicht. Meldingsplichtige

richtingen moesten daarbij voldoen aan de regels die

de desbetreffende AMvB met betrekkingen tot die

richtingen waren gesteld.

(8)Op die wijze kon een aanzienlijke vereenvoudiging worden gerealiseerd. De op het

dividuele bedrijf toegesneden vergunningsvoorwaarden konden plaatsmaken voor een uniforme, voor de gehele categorie geldende, set milieuregels. 2.4. Als van deze mogelijkheid gebruik werd gemaakt, diende de desbetreffende AMvB een overgangsregeling te bevatten voor al bestaande

richtingen.

(9)Van belang is voorts dat overtreding van de bij AMvB getroffen uniforme regeling (met

begrip van de daarin opgenomen meldingsplicht) eveneens een economisch delict opleverde. De strafbedreiging verschilde daarbij niet. Handelen

strijd met de uniforme regeling was met dezelfde straffen bedreigd als het zonder vergunning - of

strijd met de gestelde vergunningsvoorwaarden -

werking hebben van een

richting. 2.5. Van de geboden mogelijkheid werd gebruikgemaakt. Op 1 april 1994 trad het op art. 8.40 Wm gebaseerde Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer

werking (Besluit van 4 februari 1994, Stb. 107). Dit Besluit voerde het alternatieve regime

voor akker- en tuinbouwbedrijven die aan bepaalde voorwaarden voldeden.

cassatie moet er vanuit worden gegaan dat verdachtes bedrijf aan die voorwaarden voldeed, zodat het Besluit op dat bedrijf van toepassing was.

(10)2.6. Ter terechtzitting van het Hof deed de raadsvrouw van verdachte een beroep op art. 1 lid 2 Sr. Zij betoogde dat het tenlastegelegde feit niet langer strafbaar was omdat de vergunningsplicht voor de

richting die verdachte

werking had met

gang van 1 april 1994 was komen te vervallen. Het Hof verklaarde bewezen dat verdachte (kort gezegd)

1993 zonder vergunning een

richting

werking had gehad. Met betrekking tot het door de raadsvrouw gevoerde verweer overwoog het Hof, voor zover hier van belang:

(11)" Strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde Door de raadsvrouw is aangevoerd, naar het hof dit betoog begrijpt, dat het onder 1 bewezenverklaarde feit niet strafbaar is op de

de pleitnota aangegeven gronden. (...) Blijkens de Nota van Toelichting (p.35) vloeit het Besluit voort "uit de conclusie

het actieprogramma deregulering ruimtelijke ordening en milieubeheer (..), dat

het kader van de

middels

getrokken Hinderwet de totstandkoming van voor alle tot een aangewezen categorie behorende

richtingen geldende algemene regels met gelijktijdige opheffing van de vergunningplicht voor die

richtingen afzonderlijk, dient te worden bevorderd. Dit brengt een zekere centralisatie mee, daar de voorschriften die tot dusverre door het bevoegd gezag aan de vergunning waren verbonden, thans door de centrale overheid worden gegeven. Een neveneffect van de Algemene Maatregel van Bestuur zal zijn dat de beleidslasten welke thans zijn gemoeid met de vergunningverlening,

de toekomst zullen verschuiven naar het terrein van de handhaving. Voorts vermeldt de Nota van Toelichting: Het beslag op het justitiële apparaat zal voorzover het de handhaving betreft niet verminderen. Daarop kan zelfs een zwaarder accent komen te liggen

het actieprogramma deregulering ruimtelijke ordening en milieubeheer is aangegeven dat de voordelen van de amvb's als de onderwerpelijke evident zijn: meer zekerheid omtrent de

houd van de regelgeving, geen procedures, dus geen vertraging, ruimte voor de lagere overheden om de achterstand bij de

voering van de Hinderwet snel

te halen en daarbij aandacht te schenken aan die bedrijven die werkelijk problemen veroorzaken." Uit het bovenstaande volgt dat de regelgever met betrekking tot de strafwaardigheid van het bewezenverklaarde: het

werking hebben van een

richting zonder vergunning, niet blijk heeft gegeven van een gewijzigd

zicht. De regelgever heeft slechts een procedurele wijziging

gevoerd met het oog op een voortvarende uitvoering van de milieuwetgeving, waarbij voor de omslachtige vergunningsprocedure een eenvoudige meldingsregeling

de plaats is gekomen, gekoppeld aan de verplichting om te voldoen aan de voorschriften

bijlage 1 van het Besluit. Het betoog van de raadsvrouw wordt verworpen." 2.7. De verdachte ging tegen het arrest van het Hof

cassatie.

het eerste en het tweede cassatiemiddel werd het hiervoor weergegeven oordeel van het Hof aangevochten. De Hoge Raad citeerde, na een gewetensvolle weergave van de relevante regelgeving, uitvoerig uit de parlementaire geschiedenis. Ik verwijs daarvoor naar het gepubliceerde arrest en volsta hier met een beknopte weergave van de bedoelde citaten. Uit de MvT bleek allereerst dat de omvorming van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne tot de Wet milieubeheer onderdeel vormde van een proces van stroomlijning en

tegratie van de versnipperde en onoverzichtelijke milieuwetgeving. Voorts blijkt uit de MvT dat de

art. 8.40 Wm voorziene mogelijkheid om het regime van een aan voorwaarden gebonden vergunning te vervangen door een alternatief regime met meldingsplicht en algemene regels een figuur was die

de plaats kwam van een vergelijkbare bevoegdheid

de (

de Wet milieubeheer te

tegreren) Hinderwet. Als voordeel van een regime van vergunningsvoorwaarden noemde de MvT dat maatwerk kon worden geleverd omdat de vergunningsvoorwaarden konden worden toegesneden op het desbetreffende bedrijf en zijn omgeving. Als nadeel werd genoemd dat de prijs van dergelijk maatwerk (de daarmee gemoeide handhavingskosten) soms hoog was. Verwezen werd daarbij naar het actieprogramma DROM (actieprogramma deregulering ruimtelijke ordening en milieubeheer) uit 1983.

(12)Daarin werden als voordelen van algemene regels die de vergunningsplicht opheffen, aangemerkt: meer rechtsgelijkheid, meer zekerheid, minder vertraging (geen vergunningsprocedures) en minder lasten voor het gezag. Aldus zou ruimte geschapen worden om de bestaande achterstanden

te lopen (circa 50% van de hinderwetplichtige bedrijven beschikte niet over een toereikende vergunning) en om de bemoeienis met de wel vergunningplichtige bedrijven te

tensiveren. De Nota van Toelichting op het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer sloot daarbij aan. Ook daarin werd een beroep gedaan op het actieprogramma DROM uit 1983. Zowel

deze Nota als

de MvT werd erop gewezen dat de wet voorzag

strafrechtelijke handhaving van het alternatieve regime. 2.

  1. Na aldus uit de parlementaire stukken te hebben geciteerd, overwoog de Hoge Raad: "5.
  2. Uit het vorenweergegevene valt het volgende af te leiden. De Wet milieubeheer en het op art. 8.40 van die Wet geënte Besluit zijn

gegeven door het streven naar verdere stroomlijning en

tegratie van het wetgevingsinstrumentarium op het gebied van het milieu, ten einde het beleid ten aanzien van het milieu en de handhaving van milieuvoorschriften doelmatiger te doen plaatsvinden. Met het Besluit is voor wat betreft de daarin genoemde categorieën bedrijven beoogd het stellen van de voorschriften die vóór de

werkingtreding daarvan door het bevoegd gezag werden verbonden aan een vergunning als bedoeld

art. 8.1 Wm

handen te leggen van de centrale overheid. Daarbij heeft de wetgever de strafrechtelijke handhaving van die voorschriften niet willen prijsgeven. Slechts de wijze waarop de naleving van die voorschriften langs strafrechtelijke weg kan worden afgedwongen heeft verandering ondergaan. Zo is onder vigeur van het Besluit de strafbedreiging niet langer verbonden aan het verbod te handelen zonder vergunning en het handelen

strijd met de aan de vergunning verbonden (milieu)voorschriften, doch aan het niet

acht nemen van de bij het Besluit voorziene meldingsplicht en de overtreding van de bij of krachtens het Besluit gegeven (milieu)voorschriften. Uit een en ander volgt dat het vervallen van de vergunningsplicht en van het daarmee samenhangende verbod van art. 8.1 Wm niet voortvloeit uit verandering van

zicht bij de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór het vervallen van die vergunningsplicht begane overtredingen van genoemd verbod. Dit betekent dat zich te dezen bij de wetgever geen gewijzigd

zicht

zake de strafwaardigheid van de onderwerpelijke gedraging heeft voorgedaan." Daaruit trok de Hoge Raad de conclusie dat het Hof het gevoerde verweer terecht had verworpen. 2.9. De wetswijziging waarover de Hoge Raad

deze zaak had te oordelen, onttrekt zich aan het eenvoudige denkschema dat ten grondslag ligt aan de vraag of de wetswijziging is veroorzaakt door veranderde omstandigheden of door een verandering van

zicht. De omstandigheden waren een jaar na de

werkingtreding op 1 maart 1993 van de nieuw opgetuigde Wet milieubeheer niet noemenswaard veranderd. Daarop werd dan ook

de Nota van Toelichting op het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer geen beroep gedaan. Er werd een beroep gedaan op

zichten die al sinds tenminste 1983, toen het actieprogramma DROM het licht zag, bestonden. Die

zichten lagen ook ten grondslag aan de Wet milieubeheer zoals die op 1 maart 1993 van kracht werd.

de mogelijkheid om op een ander handhavingsregime over te stappen, was

die wet uitdrukkelijk voorzien. Van een gewijzigd

zicht was dus evenmin sprake. Wel kan gezegd worden dat de realisering van het al bestaande

zicht

dit geval tijd kostte. De wetgever had zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat er situaties waren waarin het alternatieve handhavingsregime de voorkeur verdiende, maar was tevens van oordeel dat het vergunningstelsel had te gelden zolang het alternatief niet was gerealiseerd. Dat oordeel was

1994 niet veranderd. De wetgever was nog steeds van oordeel dat de betrokken burgers zich aan vergunningstelsels die mogelijk bij gebrek aan beter golden, hadden te houden en dat de niet-naleving van die plicht strafrechtelijk diende te worden gesanctioneerd. Over de strafwaardigheid van een dergelijk vergrijp was de wetgever dus niet anders gaan denken. 2.10. Het door de Hoge Raad

dit arrest gehanteerde criterium past

deze gedachtegang. Beslissend is of er sprake is "van een verandering van

zicht bij de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór het vervallen van die vergunningsplicht begane overtredingen". Het gewijzigd

zicht moet dus betrekking hebben op het verleden. De wetsovertreder kan van de wetswijziging alleen profiteren als de wetgever diens overtreding van de oude wet (de "onderwerpelijke gedraging") niet strafwaardig acht. 2.11. Het oordeel van de Hoge Raad

de onderhavige zaak staat niet op zichzelf. Zo had de Hoge Raad

1985 geoordeeld dat de vervanging van de Veiligheidswet 1934 door de Arbowet geen verandering van wetgeving opleverde (HR 9 april 1985, LJN AC0824, NJ 1985, 857). Deze vervanging voorzag

een andere regeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid

geval van niet-naleving van de op deze wetten gebaseerde veiligheidsbesluiten. Niet meer het hoofd of de bestuurder van de onderneming was aansprakelijk, maar de werkgever. De Hoge Raad wees erop dat het desbetreffende Veiligheidsbesluit ongewijzigd van kracht was gebleven en dat de "naleving van de voorschriften van dit besluit door strafbaarstelling verzekerd blijft". Daarom kon niet worden aangenomen dat sprake was van een gewijzigd

zicht "omtrent de strafwaardigheid van het door het hoofd op de bestuurder begane feit". Ook hier betrok de Hoge Raad het gewijzigd

zicht derhalve op het onder de oude wet begane feit, en daarmee op het verleden. 2.12. De lijn die zich al vóór 1996 begon af te tekenen, werd daarna krachtig doorgetrokken. Zo werd geen veranderd

zicht ten aanzien van de overtreding van de oude wet aangenomen

HR 29 april 1997, LJN ZD0150, NJ 1997, 722, dat betrekking had op de vervanging van de Winkelsluitingswet door de Winkeltijdenwet. De Hoge Raad overwoog dat de verandering van regelgeving voortvloeide uit het streven om de controle op de naleving van de winkelsluitingstijden te vereenvoudigen.

HR 17 september 2002, LJN AE1336, NJ 2002, 627, dat betrekking had op een door een wijziging van de EG-Verordening noodzakelijk geworden aanpassing van de visserijwetgeving, werd gewijzigd

zicht met betrekking tot het verleden ontkend omdat het zou gaan om een betere handhaving van de betrokken voorschriften.

HR 21 januari 2003, LJN AE8928, NJ 2003, 216 had de Vogelwet 1936 plaatsgemaakt voor de Flora- en faunawet. Die wet versoepelde het verbod om beschermde vogels onder zich te hebben. De strafbaarheid verviel als de vogel

gevangenschap was geboren en volgens de regels van de wet geringd en geregistreerd was. De Hoge Raad oordeelde dat geen sprake was van een veranderd

zicht met betrekking tot het vóór de wetswijziging gepleegde feit omdat de gedachte achter het nieuwe regime was dat het nagestreefde doel, te weten de bescherming van de vogels, door de

gevoerde ring- en registratieverplichting voor

gevangenschap geboren vogels voldoende was gewaarborgd. 2.13.

dezelfde lijn ligt dat het vervangen van de strafrechtelijke handhaving door niet-strafrechtelijke handhavingssystemen geen verandering van wetgeving

de zin van art. 1 lid 2 Sr oplevert. Zie met betrekking tot de fiscalisering van parkeerovertredingen HR 2 februari 1993, LJN ZC9222, NJ 1993, 536, waarin de Hoge Raad het beroep peeksgewijs afdeed. Zie met betrekking tot de

voering van bestuurlijke beboeting HR 23 maart 1993, LJN ZC9250, NJ 1993, 695 (waarin het beroep op art. 1 lid 2 Sr reeds faalde omdat een bijzondere overgangsbepaling dat artikellid van toepassing uitsloot), HR 10 juni 1997, LJN ZD0747, NJ 1998, 25 en HR 26 oktober 1999, LJN AD4659, NJ 2000, 262. 2.14. Het is overigens niet zo dat een beroep op art. 1 lid 2 Sr bij een verandering

de strafbaarstelling nimmer meer wordt gehonoreerd. Ik noem HR 22 februari 1996, LJN AD2491, NJ 1996, 503 (over het nitraatgehalte

krulsla); HR 30 juni 1998, LJN ZD1214, NJ 1999, 88 (over het voorhanden hebben van bajonetten) en HR 22 september 2009, LJN BI1427, NJ 2009, 463 (over het houden van pitbullterriërs). 3. Art. 1 lid 2 Sr

het bestuursrecht 3.1. Zoals gezegd verklaart het vierde lid van art. 5:46 Awb art. 1 lid 2 Sr van overeenkomstige toepassing op de oplegging van bestuurlijke boetes. Genoemd art. 5:46 is geplaatst

Hoofdstuk 5

("Handhaving") van de Algemene wet bestuursrecht, en wel

Afdeling 5

.4.1 ("Algemene bepalingen") van Titel 5.4 ("Bestuurlijke boete").

Het artikel luidt, voor zover hier van belang: "5: 46

  1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd. (...)
  2. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing." 3.
  3. Titel 5.4 is

gevoegd

de Algemene wet bestuursrecht bij de op 1 juli 2009

werking getreden Wet van 15 juni 2009, Stb. 264.

de MvT op het desbetreffende wetsvoorstel wordt gesteld dat het uitgangspunt is dat nodeloze verschillen tussen de verschillende rechtsgebieden moeten worden voorkomen. "Wanneer de privaatrechtelijke of strafrechtelijke regels ook voor de bestuursrechtelijke verhoudingen goed voldoen, moet daarbij worden aangesloten". Daarbij wordt opgemerkt dat veel van wat op het eerste gezicht typisch bestuurs-, straf- of privaatrechtelijk lijkt, bij nadere beschouwing "een uitwerking is van aan de verschillende rechtsgebieden gemeenschappelijke beginselen". De taak van de wetgever bij dit alles is duidelijk te maken of en

hoeverre bij andere rechtsgebieden moet worden aangesloten. Dat kan door uitdrukkelijk bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek of het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing te verklaren.

(13)3.3. Tot de onderwerpen waarbij bij nader

zien nauwer (dan

het voorontwerp van wet het geval was) aansluiting diende te worden gezocht bij het strafrecht, behoorde de verandering van de boeteregeling.

(14)Over het vierde lid van art. 5.4.1.7 (het latere 5:46 Awb) houdt de MvT voorts het volgende
(15)"Artikel 15, eerste lid, derde volzin, IVBPR bepaalt: "

dien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien

de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren." De authentieke Engelse tekst van het verdrag gebruikt voor "strafbaar feit" de woorden "criminal offence". Hoewel deze woorden wellicht iets beperkter moeten worden uitgelegd dan de woorden "criminal charge",

die zin dat lichte overtredingen er wellicht buiten vallen, moet worden aangenomen dat ook aan het begrip" criminal offence" een autonome, materiële uitleg moet worden gegeven. Dat wil zeggen dat niet beslissend is of het feit naar nationaal recht als strafbaar feit wordt gekwalificeerd. Ware dit anders, dan zou de betekenis van artikel 15 per verdragsstaat uiteen kunnen gaan lopen, hetgeen

strijd zou zijn met de bedoeling van het verdrag. Dit betekent dat

ieder geval bij zwaardere bestuurlijke boeten sprake is van een "criminal offence" en dat daarmee de regel van artikel 15, eerste lid, derde volzin, IVBPR geldt. Ook artikel 2, tweede lid, tweede volzin, van Vo. (EG) 2988/95, Pb 1995 L 312, is relevant

dit verband.

dien de wetgever besluit de boete of maximale boete voor een bepaalde overtreding te verlagen, geldt deze verlaging ook voor overtredingen die voor de

werkingtreding van de verlaging hebben plaatsgevonden. Nu kan zich het geval voordoen dat een verlaging van een bestuurlijke boete

werking treedt nadat een boete is opgelegd, maar voordat op een beroep daartegen is beslist. De vraag rijst dan of de bestuursrechter de beschikking tot oplegging van een boete moet vernietigen omdat zij te hoog is. Naar ons oordeel is dat het geval. Het past bij de bijzondere rol van de bestuursrechter

geval hij boetebesluiten toetst dat hij rekening houdt met een dergelijke wijziging ten gunste van de overtreder. Dit sluit aan bij het bepaalde

artikel 15, eerste lid, IVBPR en artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Opgrond van deze regel kan de overtreder niet alleen

de bezwaarfase maar ook

de fase van beroepvoor de rechter profiteren van een verlaging van de bestuurlijke boete. Deze regel wordt

de jurisprudentie reeds aanvaard (zie bijv. CRvB 1 maart 2000, JB 2000, 107, RSV 2000, 87, CRvB 7 december 2000, JB 2001, 18, RSV 2001, 84 en CRvB 14 februari 2001, AB 2001, 151, JB 2001, 80 en RSV 2001, 108 en 109; CRvB 17 december 2002, G.St. 2002, 7182, nr. 52).

het vierde lid van artikel 5.4.1.7 wordt artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing verklaard. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat bij "verandering van wetgeving" de voor de verdachte meest gunstige bepalingen worden toegepast. Daarbij gaat het dus niet alleen om wijzigingen

de aard of hoogte van de sanctie, maar ook om wijzigingen

het overtreden voorschrift, zij het dat de rechtspraak heeft uitgemaakt dat artikel 1, tweede lid, WvSr

dat geval slechts toepassing vindt

dien de wijziging berust op gewijzigd

zicht van de wetgever over de strafwaardigheid van het feit (zie bijv. HR 11 oktober 1989, NJ 1989, 455 tegenover HR 24 november 1987, NJ 1988, 931). Hiervan is bijvoorbeeld geen sprake

dien een systeem van strafrechtelijke handhaving wordt vervangen door een bestuurlijke boete, omdat de wetgever laatstgenoemd systeem van wetshandhaving effectiever acht (zie HR 26 oktober 1999, NJ 2000, 240: het betrof hier de vervanging van strafsancties door bestuurlijke boeten

de Wet opde particuliere beveiligingsorganisaties). De rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld, dat het

artikel 15, eerste lid, IVBPR neergelegde beginsel ook toepassing moet vinden

dien beleidsregels

zake de hoogte van de boete ten gunste van de overtreder zijn gewijzigd (Rb. Rotterdam 26 november 2002, AB 2003, 385). De wetgever - dit kan ook de lagere wetgever zijn - kan overigens bij de wijziging van de boeteregeling

kwestie zelf een overgangsregeling treffen. Een voorbeeld biedt HR 14 mei 2002, NJ 2002, 369: na het plegen van het strafbare feit

kwestie was een aantal bepalingen

het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering aangepast, waardoor - kort gezegd - iets ruimere mogelijkheden bestonden voor de oplegging van een taakstraf. De verdachte beroept zich op artikel 15 IVBPR, nu het gerechtshof ten onrechte niet deze nieuwe regeling heeft toegepast en het aanbod tot het verrichten van een taakstraf heeft afgewezen. De Hoge Raad overweegt echter dat zich hier niet de

artikel 15 IVBPR bedoelde situatie voordoet, nu de nieuwe regeling bepaalt dat de wet geen gevolgen heeft voor strafzaken die voor de

werkingtreding daarvan bij wege van verkorte dagvaarding, oproeping of dagvaarding aanhangig zijn gemaakt. De Hoge Raad hoeft zich derhalve niet over de vraag uit te spreken of door de

voering van de nieuwe regeling sprake is van een lichtere straf, doordat nu een taakstraf

plaats van gevangenisstraf kan worden opgelegd. De wetgever dient zich op dat moment uit te spreken over de vraag of op het terrein

kwestie overtreders van de desbetreffende boeteregeling van de wijziging al dan niet moeten profiteren.

dien deze wetgever hier niets over regelt, geldt de regel zoals neergelegd

het vierde lid." 3.4. Aandacht verdient dat

de MvT uitdrukkelijk aansluiting wordt gezocht bij art. 15 lid 1, derde volzin, IVBPR. Daaraan zal niet vreemd zijn dat het lex mitior-beginsel reeds voor de

werkingtreding van art. 5:46 Awb

de bestuursrechtelijke jurisprudentie was aanvaard als geldend recht. Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep die

de MvT worden genoemd, blijkt dat de toepassing van de nieuwe gunstiger regeling rechtstreeks werd gebaseerd op de genoemde verdragsbepaling. Ook de regering lijkt de opvatting te zijn toegedaan dat het IVBPR verplicht tot de toepassing van nieuwe strafbepalingen die voor de betrokkene gunstiger zijn en dus dat met art. 5.4.1.7 lid 4 (en daarmee met art. 1 lid 2 Sr) wordt voldaan aan een verdragsverplichting. Tegelijk is de regering, met een beroep op de jurisprudentie van de Hoge Raad, van oordeel dat de wetgever afwijkende overgangsbepalingen kan treffen. Hoe een en ander zich tot elkaar verhoudt, is de vraag. Ik teken daarbij aan dat de regering niet, althans niet expliciet, stelt dat art. 1 lid 2 Sr

zijn geheel uit het IVBPR voortvloeit. De MvT laat met andere woorden ruimte open voor de opvatting dat art. 1 lid 2 Sr verder gaat dan het IVBPR vereist. 3.5.

de MvT wordt aangesloten bij de strafrechtelijke doctrine die

houdt dat de verdachte alleen van een verandering

de wetgeving kan profiteren als die verandering berust op een gewijzigd

zicht van de wetgever over de strafwaardigheid van het feit. Die impliciete beperking van het lex mitior-beginsel is al vóór de

werkingtreding van art. 5:46 Awb

de bestuursrechtelijke jurisprudentie aanvaard. Zie ABRvS 2 april 2008, LJN BC8497 en ABRvS 23 augustus 2008, LJN BD9986. Het ging daarbij om de tewerkstelling van Poolse werknemers zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning. Dat vereiste vormde een onderdeel van het overgangsregime dat met het oog op de toetreding van Polen tot de Europese Unie was geschapen. Op 1 mei 2007 kwam aan dit regime een einde. De Afdeling was van oordeel dat het overgangsregime van meet af aan een tijdelijk karakter had gehad en dat daarom niet kon worden gezegd dat het

zicht "over de strafwaardigheid van de geconstateerde overtreding" was gewijzigd. De Afdeling lette daarbij zowel op art. 15 lid 1, derde volzin IVBPR als op art. 1 lid 2 Sr. Kennelijk was de Afdeling van oordeel dat de genoemde verdragsbepaling niet aan de toepassing van het criterium van het gewijzigd

zicht

de weg stond. 3.6. Het uitdrukkelijke beroep dat

de MvT wordt gedaan op de derde volzin van art. 15 lid 1 IVBPR, gevoegd bij de grote rol die deze verdragsbepaling

de bestuursrechtspraak speelt, is één van de redenen om aan die verdragsbepaling apart aandacht te besteden. Zie daarvoor hierna, paragraaf 5. Het beroep dat

de MvT wordt gedaan op art. 2 lid 2 van Vo. (EG) 2988/95 vormt voorts mede aanleiding om kort aandacht te besteden aan het lex mitior-beginsel

het Europese recht. Zie hierna, paragraaf

  1. Scoppola tegen Italië 4.1.

de zaak Scoppola tegen Italië (EHRM 17 september 2009, nr. 10249/03) oordeelde de Grote Kamer van het Europese Hof dat het lex mitior-principe impliciet besloten ligt

art. 7 EVRM. Daarmee brak het EHRM met zijn eerdere jurisprudentie, die

het spoor was gebleven dat de Commissie

de zaak X tegen Duitsland (ECRM 6 maart 1978, nr. 7900/77) had uitgezet. De Commissie oordeelde dat de klacht kennelijk ongegrond was omdat art. 7 EVRM, anders dan art. 15 lid 1 IVBPR, niet garandeerde dat de verdachte kon profiteren van latere, minder strenge wetgeving.

de zaken Le Petit tegen het Verenigd Koninkrijk (EHRM 5 december 2000, nr 35574) en Zaprianov tegen Bulgarije (EHRM 6 maart 2003, nr. 41171) oordeelde het EHRM

gelijke zin. De casus die, zes jaar na de laatstgenoemde beslissing, aanleiding gaf om van standpunt te veranderen, was gecompliceerd. Voor een goed begrip volgt hier een korte samenvatting. 4.2. Scoppola werd vervolgd wegens onder meer moord en poging tot moord, gepleegd op 2 september 1999. Op deze

meerdaadse samenloop gepleegde feiten stond een verzwaarde vorm van levenslang, namelijk levenslang met "daytime isolation". Op 2 januari 2000 trad een wijziging van art. 442 van het Wetboek van Strafvordering

werking. Die wijziging maakte het ook voor verdachten die werden vervolgd wegens feiten waarop levenslang stond, mogelijk om te kiezen voor een vereenvoudigde procedure. Die keuze werd daarbij beloond met strafverlaging. Het gewijzigde art. 442 WvSv bepaalde dat de levenslange gevangenisstraf werd vervangen door een tijdelijke van dertig jaar. 4.3. Het leek er aanvankelijk op dat Scoppola van deze wijziging zou profiteren. Hij verzocht om toepassing van de vereenvoudigde procedure waarmee de voorprocedure-rechter (giudice dell'udienza preliminaire, afgekort: GUP)

stemde. Die veroordeelde hem vervolgens op 24 november 2000 tot dertig jaar gevangenisstraf. Op dezelfde dag echter werd een Wettelijk Decreet van kracht dat art. 442 WvSv bij wege van "authentieke

terpretatie" wijzigde.

(16)Alleen een gewone levenslange gevangenisstraf (dus zonder daytime isolation) werd volgens art. 7 van dit Dekreet

geval van een vereenvoudigde procedure omgezet

dertig jaar gevangenisstraf. Levenslang mét daytime isolation werd omgezet

gewoon levenslang. Het Openbaar Ministerie tekende beroep aan tegen de beslissing van de GUP omdat deze ten onrechte geen toepassing zou hebben gegeven aan het Wettelijk Decreet. Dat leidde er uiteindelijk toe dat Scoppola alsnog tot levenslang (zonder daytime isolation) werd veroordeeld. Tegen die veroordeling kwam hij bij de Italiaanse Hoge Raad tevergeefs op. 4.4. Aandacht verdient dat de door het Decreet gewijzigde Italiaanse wetgeving nauwelijks ruimte liet voor een andere beslissing dan levenslang.

(17)Dit ondanks het feit dat het lex mitior-beginsel

het Italiaanse Wetboek van Strafrecht was neergelegd. Art. 2 WvSr luidde,

de Engelse vertaling gebezigd

§ 32

van het Scoppola-arrest, als volgt: "Article 2 of the 1930 Criminal Code, entitled "Succession of criminal laws", reads as follows: "1. No one may be punished for an act which, under the law

force at the time when it was committed, was not an offence.

  1. No one may be punished for an act which, under a subsequent law, does not constitute an offence; if the defendant has been sentenced, execution of his sentence and its criminal effects shall cease.
  2. If the law

force at the time when the offence was committed and later [laws] differ, the law to be applied is the one whose provisions are most favourable to the defendant, except where a final sentence has already been imposed.

  1. The provisions of the [two] preceding paragraphs shall not apply when the later laws are exceptional and temporary.
  2. The provisions of the present article shall also apply where a legislative decree's conversion

to statute-law is time barred [decadenza] or does not take place, and where a legislative decree has been converted

to statute-law with amendments." " Het Wettelijk Decreet van 24 november 2000 veranderde echter niet het Wetboek van Strafrecht, maar het Wetboek van Strafvordering. Op die verandering had art. 2 WvSr geen betrekking. Dat althans voerde de Italiaanse regering

Straatsburg aan. Volgens haar was

casu geen sprake van een verandering

het materiële strafrecht, maar enkel van een verandering

het procesrecht. Dergelijke veranderingen hadden, overeenkomstig het principe tempus regit actum, onmiddellijke werking. Van die zienswijze getuigden ook de bijzondere overgangsbepalingen die

art. 8 van het Wettelijk Dekreet waren opgenomen. Dit artikel luidde als volgt: "Article 8 1.

criminal proceedings pending on the date of the entry

to force of the present legislative decree, where the defendant is liable to or has been sentenced to life imprisonment with daytime isolation, and has opted for the summary procedure ..., he or she may withdraw his or her request within thirty days of the date on which the legislation implementing the present legislative decree enters

to force.

that case, the proceedings shall be resumed under the ordinary procedure at the stage they had reached when the request was made. Any

vestigative findings which may have been reached may be used within the limits laid down by Article 511 of the Code of Criminal Procedure. 2. Where, on account of an appeal by the prosecution, it is possible to apply the provisions of Article 7, the accused may withdraw the request referred to

paragraph 1 within thirty days of the time when he or she learns of the appeal by the prosecution or, if such an appeal was lodged before the entry

to force of the legislation to implement the present legislative decree, within thirty days' of the latter date. The provisions of the second and third sentences of paragraph 1 shall apply... " Scoppola had geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om zijn verzoek om volgens de vereenvoudigde procedure berecht te worden,

te trekken. Dat betekende volgens art. 8 van het Decreet dat een levenslange gevangenisstraf zonder isolatie diende te worden opgelegd. 4.5. Het EHRM was unaniem van oordeel dat de toepassing van het Wettelijk Decreet

Scoppola's zaak een schending van art. 6 EVRM opleverde. Het ging - heel kort gezegd - niet aan om op een gemaakte afspraak terug te komen. Daarmee wilde de meerderheid van het Hof echter niet volstaan. Met elf stemmen tegen zes werd art. 7 EVRM eveneens geschonden geacht. Die schending kon daarbij niet gebaseerd worden op de nulla poena-regel. De straf die op basis van het "onmiddellijk" werkende Dekreet werd opgelegd, was immers niet zwaarder dan de straf die op de feiten stond ten tijde van het plegen ervan. Een schending van art. 7 EVRM kon daarom alleen geconstrueerd worden via het lex mitior principe. Die schending bestond hierin, dat de Scoppola niet (langer) kon profiteren van de gunstiger bepalingen die na het plegen van de feiten tot stand waren gekomen. Zonder een aanspraak op de toepassing van die gunstiger regeling kon de "onmiddellijke" toepassing van het Decreet - die deze aanspraak tenietdeed - geen schending van art. 7 EVRM opleveren.

(18)4.6. Hoe motiveert het Hof zijn ommezwaai ten aanzien van het lex mitior-principe? Het Hof geeft eerst een uitvoerige samenvatting van zijn eerdere jurisprudentie met betrekking tot art. 7 EVRM (§§ 92-103). Daarbij houdt het Hof een driedeling aan: (i) The nullum crimen, nulla poena sine lege principle; (ii) The notion of "penalty" en (iii) Foreseeability of the criminal law.

§ 103

belandt het Hof dan bij het eerder - door de Commissie

X tegen Duitsland en door het Hof

daarop aansluitende jurisprudentie -

genomen standpunt met betrekking tot het lex mitior-principe. Vervolgens (§§ 104-109) motiveert het Hof waarom het thans anders oordeelt. Dat alles nog steeds onder het kopje: (iii) Foreseeability of the criminal law. 4.7.

§ 104

zet het Hof voorop dat het EVRM een levend

strument is dat om een "dynamic and evolutive approach" vraagt en dat dit meebrengt dat het Hof "must (...) respond, for example, to any emerging consensus as to the standards to be achieved".

de §§ 105-109 wordt dan gemotiveerd waarom die dynamische benadering

casu tot verandering leidt. Ik merk daarbij op dat § 105 teruggrijpt op wat eerder, onder het hoofd: "

ternational texts and documents" ( §§ 35-41) is weergegeven. De bedoelde paragrafen houden het volgende

: "105. The Court considers that a long time has elapsed since the Commission gave the above-mentioned X v. Germany decision and that during that time there have been important developments

ternationally.

particular, apart from the entry

to force of the American Convention on Human Rights, Article 9 of which guarantees the retrospective effect of a law providing for a more lenient penalty enacted after the commission of the relevant offence (see paragraph 36 above), mention should be made of the proclamation of the European Union's Charter of Fundamental Rights. The wording of Article 49 § 1 of the Charter differs - and this can only be deliberate (see, mutatis mutandis, Christine Goodwin, cited above, § 100

fine) - from that of Article 7 of the Convention

that it states: "If, subsequent to the commission of a criminal offence, the law provides for a lighter penalty, that penalty shall be applicable" (see paragraph 37 above).

the case of Berlusconi and Others, the Court of Justice of the European Communities, whose ruling was endorsed by the French Court of Cassation (see paragraph 39 above), held that this principle formed part of the constitutional traditions common to the member States (see paragraph 38 above). Lastly, the applicability of the more lenient criminal law was set forth

the statute of the

ternational Criminal Court and affirmed

the case-law of the ICTY (see paragraphs 40 and 41 above). 106. The Court therefore concludes that since the X v. Germany decision a consensus has gradually emerged

Europe and

ternationally around the view that application of a criminal law providing for a more lenient penalty, even one enacted after the commission of the offence, has become a fundamental principle of criminal law. It is also significant that the legislation of the respondent State had recognised that principle since 1930 (see Article 2 § 3 of the Criminal Code, cited

paragraph 32 above). 107. Admittedly, Article 7 of the Convention does not expressly mention an obligation for Contracting States to grant an accused the benefit of a change

the law subsequent to the commission of the offence. It was precisely on the basis of that argument relating to the wording of the Convention that the Commission rejected the applicant's complaint

the case of X v. Germany. However, taking

to account the developments mentioned above, the Court cannot regard that argument as decisive. Moreover, it observes that

prohibiting the imposition of "a heavier penalty ... than the one that was applicable at the time the criminal offence was committed", paragraph 1

fine of Article 7 does not exclude granting the accused the benefit of a more lenient sentence, prescribed by legislation subsequent to the offence. 108.

the Court's opinion, it is consistent with the principle of the rule of law, of which Article 7 forms an essential part, to expect a trial court to apply to each punishable act the penalty which the legislator considers proportionate.

flicting a heavier penalty for the sole reason that it was prescribed at the time of the commission of the offence would mean applying to the defendant's detriment the rules governing the succession of criminal laws

time.

addition, it would amount to disregarding any legislative change favourable to the accused which might have come

before the conviction and continuing to impose penalties which the State - and the community it represents - now consider excessive. The Court notes that the obligation to apply, from among several criminal laws, the one whose provisions are the most favourable to the accused is a clarification of the rules on the succession of criminal laws, which is

accord with another essential element of Article 7, namely the foreseeability of penalties. 109.

the light of the foregoing considerations, the Court takes the view that it is necessary to depart from the case-law established by the Commission

the case of X v. Germany and affirm that Article 7 § 1 of the Convention guarantees not only the principle of non-retrospectiveness of more stringent criminal laws but also, and implicitly, the principle of retrospectiveness of the more lenient criminal law. That principle is embodied

the rule that where there are differences between the criminal law

force at the time of the commission of the offence and subsequent criminal laws enacted before a final judgment is rendered, the courts must apply the law whose provisions are most favourable to the defendant." 4.8. De argumentatie van het Hof blinkt niet uit door helderheid. Dat het lex mitior-principe een uitwerking van de foreseeability-eis zou zijn, overtuigt niet direct. De voorspelbaarheid is toch het grootst als strak vastgehouden wordt aan de wet die gold ten tijde van het plegen van het feit, zodat geen enkele latere wet verandering kan brengen

de straffen die op dat moment worden bedreigd. Het beroep dat het Hof

§ 108

lijkt te doen op wat de wetgever een passende straf vindt, laat zich moeilijk rijmen met het feit dat de wil van de Italiaanse wetgever (zoals neergelegd

art. 8 van het Wettelijk Decreet van 24 november 2000) door het Hof wordt overruled. Opmerkelijk is ook dat de argumentatie

§ 108

toegespitst lijkt te zijn op een verandering

de bedreigde straf, terwijl the rule waarin the principle (of retrospectiveness of the more lenient criminal law)

§ 109wordt omgezet, een veel bredere strekking lijkt te hebben.

Die regel lijkt betrekking te hebben op alle verschillen

opeenvolgende "criminal laws", dus niet alleen op verschillen

de strafbedreiging. Daarbij komt dat de consensus waarop het Hof zich beroept, betrekking heeft op the principle dat de gunstiger wet toepassing moet vinden. Of consensus bestaat over de breed geformuleerde rule is zogezien nog maar de vraag. 4.9. De vraag bij dit alles is of bij de

terpretatie van het arrest betekenis toekomt aan het feit dat de toepassing van het lex mitior-principe betrekking had op een a-typisch geval. De vraag was niet of Scoppola, toen de gunstiger regeling op 2 januari 2000

werking trad, op de toepassing ervan aanspraak kon maken. Die vraag moest, vanwege de onmiddellijke werking die aan de wetswijziging werd toegekend, naar Italiaans recht bevestigend worden beantwoord. De vraag waarom het ging, was of de aanspraak die Scoppola naar Italiaans recht had, door latere wetgeving weer ongedaan gemaakt kon worden. Dat is "

principe" een vraag van andere orde. Zoals ik hierna (paragraaf 8) zal betogen, berust het principe dat een gunstiger wet moet worden toegepast die op het moment van de toepassing (nog) geldt, op een andere rechtsgrond dan het principe dat een gunstiger regeling die

middels is afgeschaft, toepassing moet vinden. Dat verschil

rechtsgrond werkt mogelijk door

de

vulling en begrenzing van beide principes. 4.10.

het navolgende zal ik een nadere analyse pogen te geven van het arrest van het Hof. Daartoe zal ik eerst nader

gaan op de vraag hoever de consensus waarop het Hof zich baseert, reikt. Daarbij zal

het bijzonder aandacht uitgaan naar art. 15 lid 1 IVBPR. Tevens zal een bescheiden verkenning plaatsvinden naar de toepassing van het lex mitior-principe

het nationale recht van enkele Verdragsluitende Partijen. Vervolgens zal ik terugkomen op de

houdelijke argumentatie van het Hof. Dit met het oog op de vraag of en

hoeverre aan de achterliggende rechtsgrond argumenten kunnen worden ontleend voor deze of gene uitleg van het arrest. Ten slotte zullen enkele voorzichtige conclusies worden getrokken. 4.11.

tussen mag niet onvermeld blijven dat de toepassing die het EHRM

het onderhavige arrest aan het lex mitior-principe geeft, al iets leert over de wijze waarop het EHRM dat principe

vult. Het verweer van de Italiaanse regering was zoals wij zagen dat het

casu ging om veranderingen

het procesrecht. Het Hof onderschrijft

zijn overwegingen dat het lex mitior-beginsel alleen betrekking heeft op veranderingen

het materiële strafrecht. Of daarvan sprake is, wordt evenwel beheerst door de autonome uitleg die het Hof aan het Verdrag geeft. Nationale begrippen en onderscheidingen kunnen daarom niet beslissend zijn. De desbetreffende paragrafen houden het volgende

: "110. The Court reiterates that the rules on retrospectiveness set out

Article 7

of the Convention apply only to provisions defining offences and the penalties for them; on the other hand,

other cases, the Court has held that it is reasonable for domestic courts to apply the tempus regit actum principle with regard to procedural laws (see, with reference to new regulations on time-limits for appeals, Mione v. Italy (dec.), no. 7856/02, 12 February 2004, and Rasnik v. Italy (dec.), no. 45989/06, 10 July 2007; see also Martelli v. Italy (dec.), no. 20402/03, 12 April 2007, concerning implementation of a law containing new rules on the assessment of evidence, and Coëme and Others, cited above, §§ 147-149, on the immediate application to pending proceedings of laws amending the rules on limitation). The Court must therefore determine whether the text which,

the present case, underwent the legislative changes complained of, namely Article 442 § 2 of the CCP, contained provisions of substantive criminal law, and

particular provisions

fluencing the length of the sentence to be imposed. 111. The Court notes that Article 442 is part of the Code of Criminal Procedure, whose provisions normally govern the procedure for the prosecution and trial of offenders. However, the classification

domestic law of the legislation concerned cannot be decisive. Although it is true that Articles 438 and 441 to 443 of the CCP describe the scope and procedural stages of the summary procedure, paragraph 2 of Article 442 is entirely concerned with the length of the sentence to be imposed when the trial is conducted

accordance with that simplified process.

particular, at the time when the applicant committed the offences, Article 442 § 2 provided that,

the event of conviction, the penalty fixed by the court was to be reduced by one-third. Law no. 479 of 1999, which came

to force before the preliminary hearing

the applicant's case, then specified that life imprisonment was to be replaced by thirty years' imprisonment (see paragraph 29 above). 112. There is no doubt that the penalties mentioned

Article 442

§ 2 of the CCP were those to be imposed following conviction for a criminal offence (see Welch, cited above, § 28), that they were qualified as "criminal"

domestic law and that their purpose was both deterrent and punitive.

addition, they constituted the "penalty" imposed for the acts with which the defendant was charged, and not measures concerning the "execution" or "enforcement" of a penalty (see Kafkaris, cited above, § 142). 113.

the light of the foregoing, the Court considers that Article 442 § 2 of the CCP is a provision of substantive criminal law concerning the length of the sentence to be imposed

the event of conviction following trial under the summary procedure. It therefore falls within the scope of the last sentence of Article 7 § 1 of the Convention." 4.12. Uit § 110 lijkt alvast de conclusie te kunnen worden getrokken dat het lex mitior-principe zoals dat impliciet

art. 7 EVRM besloten ligt,

elk geval vooralsnog niet verder reikt dan tot "provisions defining offences and the penalties for them". Een verandering

de verjaringstermijnen, door het Hof

§ 110expliciet genoemd, lijkt dus voor de toepassing van art.

7 EVRM tot het procesrecht gerekend te moeten worden. Toch is ook hier enige voorzichtigheid geboden. Zie daarover hierna, onder 10.

  1. Art. 15 lid 1 IVBPR 5.
  2. Tussen art. 11 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en art. 15 IVBPR bestaat, als loten van dezelfde stam, een nauw verband. Deze artikelen luiden als volgt. "Article 11 [UDHR]

(1)Everyone charged with a penal offence has the right to be presumed

nocent until proved guilty according to law

a public trial at which he has had all the guarantees necessary for his defence.

(2)No one shall be held guilty of any penal offence on account of any act or omission which did not constitute a penal offence, under national or

ternational law, at the time when it was committed. Nor shall a heavier penalty be imposed than the one that was applicable at the time the penal offence was committed." "Article 15 [ICCPR] 1. No one shall be held guilty of any criminal offence on account of any act or omission which did not constitute a criminal offence, under national or

ternational law, at the time when it was committed. Nor shall a heavier penalty be imposed than the one that was applicable at the time when the criminal offence was committed. If, subsequent to the commission of the offence, provision is made by law for the imposition of the lighter penalty, the offender shall benefit thereby. 2. Nothing

this article shall prejudice the trial and punishment of any person for any act or omission which, at the time when it was committed, was criminal according to the general principles of law recognized by the community of nations." Een verschil tussen beide artikelen is dat nullum crimen sine lege en nulla poena sine lege

art. 11 Universele Verklaring zijn ondergebracht

een artikel dat ook elementen van het recht op een eerlijke berechting bevat, terwijl de materie

het IVBPR

een apart artikel is geregeld. Andere verschillen die kunnen worden genoemd, zijn het ontbreken

de Universele Verklaring van wat ik maar even de Neurenberg en Tokio-clausule noem (art. 15 lid 2 IVBPR) en een terminologisch verschil: "penal offence" versus "criminal offence". Het belangrijkste verschil voor ons is uiteraard dat het lex mitior-principe

de Universele Verklaring niet voorkomt. 5.2. De wordingsgeschiedenis van art. 15 IVBPR bestaat uit verschillende fasen.

(19)

de eerste fase is die geschiedenis nauw verbonden met die van art. 11 Universele Verklaring. Een Drafting Committee (van de Commission on Human Rights) presenteerde

1947 ontwerpteksten aan de (volledige) Commission on Human Rights, die deze teksten amendeerde en doorzond naar de Economic and Social Council (ECOSOC).

(20)Na een consultatieronde passeerden de teksten

1948 nogmaals de Drafting Committee, de Mensenrechtencommissie en de ECOSOC. De laatste legde de gewijzigde teksten voor aan de Algemene Vergadering, die ze eerst behandelde

de Third Committee. Die amendeerde de voor de Algemene Verklaring bestemde bepaling, die vervolgens

1948 door de Algemene Vergadering werd aangenomen. Het ontwerpverdrag werd door de Third Committee teruggezonden naar ECOSOC omdat dat ontwerp nog niet rijp was voor beraadslaging.

mei en juni 1949 pakte de Commission on Human Rights de draad weer op. Dat resulteerde na veel discussie

een tekstvoorstel dat wat nullum crimen/nulla poena betreft gelijk was aan de tekst van art. 11 Universele Verklaring. Na een consultatieronde boog de Mensenrechten-commissie zich

1950 opnieuw over de tekst. Dat leidde tot een tekst waarin - anders dan

het later dat jaar, op 4 november 1950, totstandgekomen art. 7 EVRM - het lex mitior-principe was vervat. Ook

1952 beraadslaagde deze Commissie over de tekst, hetgeen nog tot enige verandering leidde. Het duurde vervolgens tot 1960 voor de Third Committee van de Algemene Vergadering over het voorstel beraadslaagde. Dat leidde niet meer tot veranderingen

de tekst, die

1966 door de Algemene Vergadering werd aanvaard. 5.3. Wat bij kennisneming van de totstandkomingsgeschiedenis opvalt, is dat nullum crimen, nulla poena en lex mitior gezien lijken te worden als weliswaar verwante, maar toch te onderscheiden principes. Over de juiste verwoording van het beginsel nullum crimen sine lege is weliswaar veel te doen geweest, maar dat het beginsel

enigerlei vorm

het Verdrag behoorde te worden opgenomen, daarover was ieder het eigenlijk wel eens. Dat was anders met betrekking tot het nulla poena-beginsel. Tijdens de beraadslagingen van de Drafting committee

1947 stelde de vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk voor om nulla poena te schrappen. Dit omdat "the question of penalty was not a fundamental human right and should be considered on a different basis". De achterliggende gedachte was dat misdadigers niet het recht moesten hebben om de met de misdaad te behalen voordelen al calculerend af te wegen tegen de bedreigde straffen.

(21)Het Verenigd Koninkrijk, gesteund door het

middels onafhankelijke

dia, herhaalde het voorstel tijdens de beraadslagingen van de Commission on Human Rights

1948. Dat leidde

derdaad tot schrapping van nulla poena. Daartegen werd later dat jaar, tijdens de vergadering van de Third Committee van de Algemene Vergadering, geprotesteerd door de vertegenwoordiger van Panama. Zijn voorstel om de nulla poena-clausule weer op te nemen werd aanvaard met negentien stemmen voor, zes tegen en negentien onthoudingen.

(22)

1949, toen de Commission on Human Rights het werk aan het ontwerpverdrag hervatte, deed het Verenigd Koninkrijk een nieuwe, vergeefse, poging.

(23)

1960, tijdens de behandeling van het voorstel door de Third Committee, gaf het Verenigd Koninkrijk, vanwege "a growing consensus", zijn verzet op. De vertegenwoordiger van Nederland bestempelde de opname van de nulla poena-clausule als "real progress", aangezien het principe weliswaar

veel landen werd erkend, maar

andere werd gezien als "merely a moral principle".

(24)5.4. Over het lex mitior-principe bestond eveneens verdeeldheid.

1949 had de Commission on Human Rights het voorstel van Chili om lex mitior

het Verdrag op te nemen, nog afgewezen, maar een jaar later werd eenzelfde voorstel, nu

gediend door Egypte, wel door de Commissie aanvaard, met zeven stemmen voor, drie tegen en vijf onthoudingen.

(25)De toegevoegde derde volzin kreeg daarbij gelijk zijn definitieve vorm.

1952 stelde het Verenigd Koninkrijk voor om de derde volzin, waarin lex mitior was neergelegd, te schrappen. De Commissie verwierp dit voorstel met tien stemmen tegen vijf, met drie onthoudingen.

(26)

1960, tijdens de behandeling door de Third Committee, was het Noorwegen dat voorstelde om de laatste volzin te laten vervallen. Later trok de Noorse vertegenwoordiger het voorstel

, kennelijk omdat het onhaalbaar was.

(27)5.5. De voorstanders van de toegevoegde derde volzin beriepen zich tijdens de sessies van de Commission on Human Rights

1949, 1950 en 1952 op de "tendency

modern criminal law" om de betrokkene het voordeel te gunnen van latere lichtere straffen. Zij wezen erop dat wetten die nieuwe en lichtere straffen bedreigden "were often the concrete expression of some change

the attitude of the community towards the offence

question". De bezwaren die tegen de toevoeging van de derde volzin werden geuit, waren verschillend van aard. Een principieel karakter had het bezwaar dat de derde volzin

strijd zou zijn met de achterliggende gedachte van de tweede volzin (namelijk dat de straf moest worden toegepast die gold ten tijde van het plegen van het feit). Een ander bezwaar was dat het doel weliswaar prijzenswaardig was, maar dat de bepaling veel te ruim was omdat zij leek

te houden dat ook een "offender" die reeds onherroepelijk was veroordeeld, het recht had van de mildere wet te profiteren.

(28)Op dat bezwaar kom ik nog terug. Eerst het volgende. 5.6. De gekozen benadering, waarin nullum crimen, nulla poena en lex mitior als te onderscheiden principes worden behandeld, lijkt

de hand te werken dat het lex mitior-beginsel gezien wordt als het complement van het nulla poena-beginsel. Het gaat dan bij beide beginselen uitsluitend om wat de Britten "the question of penalty" noemden, een vraag die pas aan de orde komt als voldaan is aan het fundamentele, door de eerste volzin bestreken vereiste van een voorafgaande strafbaarstelling. Wat rechtens is als de strafbaarstelling achteraf verandert, is een vraag die zo gemakkelijk buiten beeld blijft. Dat verklaart wellicht dat die vraag tijdens de wordingsgeschiedenis van art. 15 IVBPR betrekkelijk weinig aandacht heeft gekregen. Tijdens de bijeenkomsten van de Commission on Human Rights

1952 stelde België voor om aan het einde van de eerste volzin het volgende toe te voegen: "or which no longer constitutes such an offence at the time when the penal judgement is rendered". Dit voorstel werd niet aanvaard omdat de stemmen staakten: zes tegen zes, met zes onthoudingen.

(29)Een bijna gelijkluidend voorstel werd

1960, tijdens de beraadslagingen van de Third Committee,

gediend door Japan, maar werd later weer

getrokken.

(30)Opvallend is dat deze amendementen werden gekoppeld aan het nullum crimen-beginsel van de eerste volzin, niet aan het lex mitior-principe van de derde volzin. Dat lijkt te bevestigen dat het bij die derde volzin alleen om de (op te leggen of opgelegde) straf ging. 5.7. Niet onvermeld mag blijven dat

1952 ook een voorstel werd gedaan dat brak met de gehanteerde driedeling. Door Joegoslavië en Uruguay werd voorgesteld om de beide laatste volzinnen te vervangen door de volgende zin: "No law subsequent to such acts or omissions may be applied unless it is more favourable for the offenders, who must

such case receive the benefit [of] its provisions." Dit voorstel werd verworpen met zes stemmen tegen vier, met acht onthoudingen.

(31)

de tweedeling (

latere wetten die gunstiger en latere wetten die ongunstiger zijn) die dit voorstel zou hebben bewerkstelligd, krijgt het lex mitior-beginsel als vanzelf een ruime strekking. Tot de provisions van de latere wet waarvan de wetsovertreder moet profiteren, kan ook een verandering

de strafbaarstelling behoren. Uit de verwerping van het voorstel zou afgeleid kunnen worden dat men dit niet heeft gewild. 5.8. Zoals wij al zagen, was één van de bezwaren van de tegenstanders van opneming van het lex mitior-principe dat de tekst van de derde volzin ook betrekking leek te hebben op reeds veroordeelden. Niet dat de tegenstanders meenden dat het ten principale onjuist was om veroordeelden van een wijziging

de wetgeving te laten profiteren, zij stelden dat "the executive authority of States parties to the covenant should retain an absolute discretion

applying the benefits of subsequently enacted legislation to such persons".

(32)Die absolute discretie stond op de tocht als Staten verplicht zouden worden om mildere wetgeving ten goede te laten komen aan reeds veroordeelden.

1960, bij de behandeling van het voorstel door de Third Committee, keerde het punt op de agenda terug. De afgevaardigde van het Verenigd Koninkrijk stelde voor om

de derde volzin, na de woorden "commission of the offence"

te voegen de zinsnede "and before the sentence is passed". Dat voorstel werd verworpen met 34 stemmen tegen, 28 voor en 18 onthoudingen. De tegenstemmers voerden aan dat "the underlying principle" van de derde volzin niet beperkt moest worden tot het moment van veroordeling. "A milder penal law should apply retroactively to all offenders whether or not they had been sentenced."

(33)5.9. De vraag is of de tegenstemmers zich hebben gerealiseerd tot welke problemen een ongelimiteerde toepassing van the underlying principle leidt. Opsahl en De Zayas hebben erop gewezen dat dit zelfs zou kunnen betekenen dat geldboetes moeten worden terugbetaald en dat compensatie moet worden geboden voor gevangenisstraffen die reeds zijn uitgezeten.
(34)En dat tot

lengte van jaren. Daarom moet welhaast sprake zijn van de een of andere impliciete beperking ("some implied limitations"). "If not, the results would hardly be practicable or foreseeable; the provision would seem to require a reconsideration, administrative of judicial, of sentences already passed and perhaps already served, not permitting any time limit or cut-off date to be fixed by national law. This can hardly be the purpose of the provision, and would hamper rather than promote criminal law reform." De impliciete beperking die beide auteurs als mogelijke oplossing verdedigen, sluit aan bij de aard van de straf.

(35)Alleen straffen die "irreversible" zijn - de auteurs noemen de doodstraf en de lijfstraf - zouden, als de wet na de oplegging ervan verandert, niet meer mogen worden tenuitvoergelegd. Manfred Nowak - die ook een levenslange gevangenisstraf als "irreversible" aanmerkt - sluit zich bij deze opvatting aan.
(36)Voor andere sancties zou volgens Opsahl en De Zayas gelden dat de "national law should be allowed to take administrative and judicial economy

to account". Niet helemaal duidelijk is wat zij daarmee bedoelen. Het meest waarschijnlijk is dat zij dit aandragen als niet meer dan een argument voor de bepleite impliciete beperking. Voor een verdragsverplichting is ten aanzien van deze sancties geen plaats. De materie moet aan de Verdragsluitende Partijen worden overgelaten. Maar men kan er ook een modus vivendi

lezen die een ruim bereik van art. 15 lid 1 IVBPR acceptabel maakt. De verdragsverplichting moet daarbij opgevat worden als een opdracht aan de Verdragsluitende Partijen om the underlying principle naar eigen

zicht vorm te geven op basis van een afweging van belangen. Daarmee wordt ruimte gecreëerd. Nationaal overgangsrecht dat the underlying principle

perkt, hoeft aldus niet, of niet per se,

strijd te zijn met het Verdrag. 5.10. Wat hiervan verder ook moge zijn, duidelijk is mijns

ziens dat art. 15 lid 1, derde volzin, IVBPR meer is dan enkel een legitimatie om aan een mildere wet terugwerkende kracht te geven. De verdragsbepaling geeft de "offender" een recht op retroactieve wetstoepassing. Tegenover dat recht staat een plicht van de Verdragsluitende Partijen.

(37)Dat impliceert dat afwijkend overgangsrecht

strijd kan zijn met art. 15 IVBPR. Dat lijkt ook het standpunt van het VN-Comité voor de rechten van de mens (Human Rights Committee) te zijn.

de zaken Van Duzen tegen Canada en MacIsaac tegen Canada werd geklaagd over een overgangsbepaling die volgens de klagers belette dat zij volledig van de gewijzigde wet konden profiteren. Het oordeel van het Comité was niet dat het de Canadese wetgever vrijstond van het Verdrag af te wijken, maar dat de klagers niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij beter af zouden zijn geweest als de nieuwe wetgeving onbeperkt toepassing had gevonden. Van een verdragsschending was daarom geen sprake.

(38)5.11. Dat van een verplichting sprake is, sluit "implied limitations" niet uit. Tot die impliciete beperkingen zou kunnen behoren dat

bepaalde gevallen ruimte wordt gelaten aan het

zicht van de nationale wetgever (waarbij de redelijkheid van de getroffen nationale overgangsregeling aan het Verdrag wordt getoetst), maar dat is vooralsnog louter speculatie. Het verplichtend karakter van de derde volzin van art. 15 lid 1 IVBPR lijkt daarom voorlopig vooral een argument te vormen voor een restrictieve

terpretatie. 5.12. Nog twee punten verdienen aandacht. De eerste is de uitleg van de begrippen "criminal offence" en "penalty".

versie die

1948 aan de Third Committee van de Algemene Vergadering werd voorgelegd werd

het eerste lid - dat betrekking had op de onschuldpresumptie en het recht op verdediging - gesproken van "penal offence".

het tweede lid - dat betrekking had op het verbod van terugwerkende kracht - werd enkel gesproken van "offence". Van de zijde van de Verenigde Staten werd voorgesteld om ook

het tweede lid van "penal offence" te spreken. Dit niet alleen vanuit een oogpunt van tekstuele uniformiteit, maar ook om zeker te stellen dat het verbod van terugwerkende kracht alleen van toepassing was

strafzaken. Dat voorstel werd niet zonder tegenkanting aanvaard: zestien stemmen voor, acht tegen en veertien onthoudingen.

(39)Dat werd ook de uiteindelijke tekst van art. 11 van de Universele Verklaring.

1949 paste de Commission on Human Rights de tekst van het Ontwerp-Verdrag daaraan aan.

1950 werd "penal offence" echter op voorstel van de Filipijnen vervangen door "criminal offence". Dit om redenen van teksuele consistentie:

het ontwerp-artikel 14 werd gesproken van "criminal charge" en van "charged with a criminal offence". Het eveneens door de Filipijnen gedane voorstel om "penalty" te vervangen door "repression" werd echter verworpen.

(40)5.13. Het behoeft gelet op het voorgaande niet te verbazen dat het VN-Mensenrechten Comité oordeelde dat "the term "criminal offence" has to be

terpreted

conformity with the term "criminal charge"

article 14, paragraph 3".

(41)Dat betekent dat de

vulling van de begrippen "criminal offence" en "penalty" nauw met elkaar verweven zijn. Voor beide begrippen geldt wat het Comité

de al genoemde zaak Duzen tegen Canada vooropstelde: "The Committee further notes that its

terpretation and application of the

ternational Covenant on Civil and Political Rights has to be based on the principle that the terms and concepts of the Covenant are

dependent of any particular national system or law and of all dictionary definitions. Although the terms of the Covenant are derived from long traditions within many nations, the Committee must now regard them as having an autonomous meaning." Daarmee verwierp het Comité de stelling van de Canadese regering dat art. 15 lid 1 IVBPR alleen betrekking heeft op strafrechtelijke, niet op civiele of administratieve sancties. Volgens Manfred Nowak brengt conformity met art. 14 mee dat "every sanction that has not only a preventive but also a retributive and/or a deterrent character is (...) to be termed a penalty, regardless of its severity or the formal qualification by law and the organ imposing it".

(42)Misschien is dat iets teveel gezegd, maar aangenomen mag worden dat bestuurlijke beboeting onder art. 15 IVBPR valt. De disciplinaire maatregelen die een Eindhovense ambtenaar voor de kiezen kreeg (salariskorting en later ontslag) hadden volgens het Comité evenwel niet met een criminal offence van doen.
(43)5.14.

de al genoemde zaken Van Duzen en MacIsaac tegen Canada ging het om een verandering van de VI-regeling. Onder de oude wet bracht recidive tijdens de proeftijd automatisch mee dat de

vrijheid doorgebrachte straftijd verviel (forfeiture of parole): die tijd moest alsnog worden uitgezeten. De nieuwe wet was gunstiger omdat het aan de discretie van de rechter werd overgelaten of parole werd herroepen. Daarbij bleef de

vrijheid doorgebrachte tijd gelden als tijd doorgebracht "under sentence"; van forfeiture of parole was geen sprake meer. Volgens de klagers was dit een aanmerkelijk gunstiger "penalty" de voor overtreding van de voorwaarden waaronder parole was verleend, zodat zij daarvan op grond van art. 15 IVBPR dienden te profiteren. Het bijzondere daarbij was dat de wetswijziging van kracht was op een moment dat niet alleen lag na het moment waarop de gevangenisstraf was opgelegd, maar ook na het moment waarop, na voorwaardelijke

vrijheidstelling, forfeiture of parole had plaatsgevonden wegens het plegen van nieuwe strafbare feiten. De klagers stelden dat die forfeiture of parole met terugwerkende kracht moest worden teruggedraaid. 5.15.

beide zaken speelden verschillende

terpretatievragen door elkaar.

(44)Eén van die vragen was of het bij de derde volzin van art. 15 lid 1 IVBPR alleen gaat om de strafoplegging (sentencing) door de rechter. Bij een bevestigend antwoord op die vraag kunnen personen die onherroepelijk zijn veroordeeld, niet van de wetswijziging profiteren (vergelijk hiervoor, punt 5.8 e.v.). De tweede vraag was of forfeiture of parole als een "penalty"

de zin van art. 15 lid 1 IVBPR kan worden aangemerkt. Het antwoord op beide vragen liet het Comité uitdrukkelijk

het midden.

(45)Het koos voor een pragmatische benadering. Omdat de klagers niet aannemelijk hadden kunnen maken dat zij beter af zouden zijn geweest als de nieuwe wet van meet af aan van toepassing was geweest, was van een schending van art. 15 geen sprake. 5.16. De vlucht

de pragmatiek is

tussen veelzeggend. De gekozen benadering betekent dat serieus rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat een verandering

de regeling van de tenuitvoerlegging onder art. 15 IVBPR valt. Dat wordt nog onderstreept door de eerder door het Comité gegeven beslissing

de zaak R.V.S. tegen Canada.

(46)Het ging daarin om een andere (eerdere) wijziging van de Canadese VI-regeling. Die wijziging bracht mee dat veroordeelden bij hun voorwaardelijke

vrijheidstelling werden onderworpen aan een systeem van "mandatory supervision". Die wijziging trad

werking vóór de veroordeling, maar na het tijdstip waarop de klager de feiten pleegde waarvoor hij was veroordeeld. Dat betekende zijns

ziens dat hij een zwaardere straf kreeg opgelegd dat van toepassing was ten tijde van het plegen van de feiten. Het Comité oordeelde evenwel dat "mandatory supervision cannot be considered as equivalent to a penalty, but is rather a measure of social assistance

tended to provide for the rehabilitation of the convicted person,

his own

terest". Deze argumentatie lijkt te suggereren dat andersoortige wijzigingen

de regeling van de tenuitvoerlegging wel een zwaardere bestraffing kunnen opleveren. 5.

  1. Het tweede punt dat nog enige aandacht verdient, heeft te maken met de al gesignaleerde pragmatische aanpak van het Comité. Die aanpak sluit aan bij de resultaatgerichte formulering van art. 15 lid 1 IVBPR. Het artikellid schrijft niet voor welke strafwetten toegepast moeten worden, maar verbiedt - wat nullum crimen en nulla poena betreft - bepaalde uitkomsten. Een schuldigverklaring is uitgesloten als het desbetreffende feit ten tijde van het plegen ervan niet strafbaar was. Een zwaardere bestraffing (dan waarin het recht ten tijde van het plegen van het feit voorzag) is uit den boze. Wat lex mitior betreft, gebiedt art. 15 lid 1 IVBPR een resultaat: de wetsovertreder moet daarvan profiteren. Met de juridische techniek, de weg waarlangs het gewenste resultaat wordt bereikt, heeft het verdragsartikel daardoor niet van doen. 5.
  2. Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van de zaak Westerman tegen Nederland.

(47)Westerman, een totaalweigeraar, werd vervolgd omdat hij herhaaldelijk een dienstbevel naast zich neer had gelegd. Daarop stond tijdens het plegen van het feit een maximum gevangenisstraf van twee jaar en achttien maanden.
(48)Op 1 januari 1991 werd het Wetboek van Militair Strafrecht

grijpend gewijzigd. De grens tussen tuchtrechtelijke vergrijpen en strafbare feiten werd daarbij veel scherper dan voorheen getrokken. Het enkele negeren van een dienstbevel leverde voortaan slechts een tuchtrechtelijk af te doen vergrijp op. Alleen 'totaalweigering' leverde nog een strafbaar feit op, waartegen art. 139 WvMSr een gevangenisstraf van maximaal twee jaar bedreigde. Westerman werd op basis van deze nieuwe strafbepaling vervolgd en veroordeeld, en wel tot een gevangenisstraf van negen maanden.

(49)Hij klaagde bij het Comité als ik het goed begrijp over een schending van de eerste volzin van art. 15 lid 1 IVBPR (nullum crimen): hij zou zijn veroordeeld voor een strafbaar feit dat ten tijde van het plegen van het feit niet bestond. Het Comité stelde vast dat de "acts" waarvoor Westerman was veroordeeld een "offence" opleverden toen ze werden begaan en dat de opgelegde straf (negen maanden) niet zwaarder was dan de destijds bedreigde straf. Op grond daarvan oordeelde het Comité dat de "facts of the case" geen schending van art. 15 opleverden. Over de vraag of het bewezenverklaarde terecht als een overtreding van art. 139 WvMSr was gekwalificeerd, liet het Comité zich niet uit. Die vraag deed niet ter zake. 5.19. Opgemerkt zij dat de werkwijze van het VN Mensenrechten Comité grote gelijkenis vertoont met die van het EHRM met betrekking tot art. 7 EVRM. Ik wijs op EHRM 17 maart 2009, nr. 13113/03, NJ 2010, 135 m.nt. Reijntjes (Ould Dah tegen Frankrijk). Ould Dah werd

Frankrijk, dat rechtsmacht had op basis van het universaliteitsbeginsel, vervolgd en veroordeeld wegens martelingen die hij als legerluitenant

1990 en 1991

Mauretanië beging. Marteling was

Frankrijk pas met

gang van 1 maart 1994, toen de nieuwe Code Pénal

werking trad, als zelfstandig delict strafbaar gesteld (art. 221-1). Die aparte strafbaarstelling ging gepaard met een verhoging van de strafbedreiging. Ould Dah werd op grond van dit nieuwe delict veroordeeld. Strijd met art. 7 EVRM leverde dat volgens het Straatsburgse Hof niet op omdat het martelen van mensen ook onder de gelding van de oude Code Pénal strafbaar was en omdat de opgelegde straf de maximumstraf die de oude Code daarop stelde, niet overschreed.

(50)5.20. De zaken Van Duzen en MacIsaac tegen Canada leren dat de resultaatgerichte aanpak van het VN-Comité zich ook uitstrekt tot de derde volzin van art. 15 lid 1 IVBPR. De vraag was niet welke wetsbepalingen toepassing hadden moeten vinden, maar of de klagers beter af waren geweest als het nieuwe recht toepassing had gevonden. Van strijd met het verdragsartikel zal daarom als regel geen sprake zijn als de rechter, hoewel de nieuwe wet een lagere maximumstraf kent, de verdachte toch met toepassing van (alleen) de oude wet veroordeelt, mits de opgelegde straf beneden het nieuwe maximum blijft. Dit betekent dat de consequenties van het verplichtend karakter van de derde volzin van art. 15 lid 1 IVBPR

de praktijk minder groot zijn dan men wellicht op het eerste gezicht zou denken. 5.21. Het wordt tijd om de belangrijkste conclusies op een rij te zetten. De eerste conclusie is dat art. 15 lid 1, derde volzin, IVBPR meer is dan een legitimatie om gunstiger wetgeving met terugwerkende kracht toe te passen. De daarin vervatte bepaling verplicht de Verdragsluitende Partij ertoe om dergelijke wetgeving ten goede te laten aan een overtreder van de strafwet. Die verplichting wordt mogelijk begrensd door impliciete beperkingen, maar zeker is dat niet, laat staan dat duidelijk is wat die beperkingen zijn. De tweede conclusie is dat er vooralsnog weinig reden is om aan te nemen dat de bedoelde derde volzin de wetsovertreder het recht geeft om te profiteren van een verandering

de strafbaarstelling. De opbouw van art. 15 lid 1 IVBPR, de tekst van de derde volzin en de traveaux préparatoires wijzen eerder op het tegendeel, terwijl ook aan het verplichtend karakter van de verdragsbepaling een argument kan worden ontleend voor een restrictieve

terpretatie. Men lijkt uitsluitend gedacht te hebben aan een verandering

de bedreigde straffen. Ook de door mij geraadpleegde commentaren op het IVBPR concentreren zich op de strafbedreiging. Of een verandering

de strafbaarstelling zelf onder de derde volzin van art. 15 valt, is een vraag die zelfs niet wordt opgeworpen.

(51)Voor zover ik weet heeft ook het VN-Comité voor de rechten van de mens zich niet met de kwestie

gelaten. De derde conclusie is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de derde volzin van art. 15 lid 1 IVBPR ook onherroepelijk veroordeelden het recht geeft om van latere veranderingen

strafwetgeving te profiteren. De vierde conclusie is dat er weinig grond is voor de

de MvT op art. 5:46 lid 4 Awb geuite veronderstelling dat het begrip "criminal offence" beperkter moet worden uitgelegd dan het begrip "criminal charge" (zodat lichte overtredingen er buiten vallen). Het Mensenrechten Comité zoekt juist bij de

terpretatie van art. 15 lid 1 IVBPR uitdrukkelijk aansluiting bij het begrip "criminal charge"

art. 14 IVBPR. Dat is

overeenstemming met de traveaux préparatoires. De vijfde conclusie is dat de term "penalty" mogelijk ruim moet worden uitgelegd

die zin dat ook wijzigingen

de regeling van de tenuitvoerlegging een "lighter penalty" kunnen opleveren. De zesde conclusie is dat de bepalingen van art. 15 lid 1 IVBPR resultaatgericht zijn. Voorgeschreven wordt dat de schuldige moet profiteren van mildere wetgeving. Hoe dat resultaat wordt bereikt - via retroactieve toepassing van de nieuwe wet of anderszins - is van minder belang. 5.22. Een eerste vergelijking met de uitspraak van het EHRM

de zaak Scoppola brengt twee opvallende verschillen aan het licht. Het eerste verschil is dat het EHRM het lex mitior-principe uitsluitend betrekt op de strafoplegging door de rechter ("the courts"). Het Hof spreekt dan ook van "subsequent criminal laws enacted before a final judgment is rendered". Op wetswijzigingen die na de veroordeling van kracht worden, heeft art. 7 EVRM zo gezien geen betrekking. Het tweede verschil is dat het EHRM

de Scoppola-uitspraak uitdrukkelijk lijkt vast te houden aan zijn eerdere jurisprudentie dat wijzigingen

de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging buiten het bereik van art. 7 EVRM vallen. Het Hof nam immers

aanmerking dat de straffen die

art. 442 van het Italiaanse Wetboek van Strafvordering werden genoemd, straffen waren die door de rechter moesten worden opgelegd en "not measures concerning the "execution" or "enforcement" of a penalty". Veranderingen

de regeling van de tenuitvoerlegging lijkt dus geen "lighter penalty" te kunnen opleveren waarvan op grond van art. 7 EVRM kan worden geprofiteerd. 5.23. Er mag dan

ternationaal wel een gegroeide consensus zijn dat lex mitior een fundamenteel beginsel van strafrecht vertegenwoordigt, over de precieze

vulling van dat beginsel lijkt

ternationaal nog geen consensus te bestaan. 6. Europees recht 6.1.

de MvT op art. 5:46 lid 4 Awb werd gewezen op het EG-recht. Het EHRM wijst

zijn Scoppola-uitspraak op het Handvest van de Grondrechten van de Europse Unie en op de jurisprudentie van het Hof van Justitie

Luxemburg. Daarover het volgende. 6.2. Art. 2 lid 2 van Verordening (EG) nr. 2988/95 van 18 december 1995 (Pb 1995 L312), waarvan de tweede volzin

de MvT "relevant" werd genoemd, luidt als volgt. "Geen administratieve sanctie kan worden opgelegd dan uit kracht van een aan de onregelmatigheid voorafgegaan Gemeenschapsbesluit.

geval van latere wijziging van de bepalingen van een Gemeenschapsbesluit waarin administratieve sancties zijn vastgesteld, worden de minder strenge bepalingen met terugwerkende kracht toegepast." 6.3. De betekenis van deze bepaling is beperkt. De Verordening waarvan zij deel uitmaakt, beoogt een kader te scheppen voor de bestrijding van EG-fraude. Art. 2 lid 1 Verordening bepaalt dat "controles en administratieve maatregelen en sancties worden

gesteld voor zover deze voor een juiste toepassing van het Gemeenschapsrecht nodig zijn". Op deze sancties heeft het geciteerde tweede lid betrekking. Het gaat om op Europees niveau

gestelde, op Gemeenschapsbesluiten gebaseerde, sancties. De desbetreffende sanctieregeling vindt rechtstreekse toepassing. Dat verklaart waarom het lex mitior-principe hier niet

een resultaatgerichte formulering is gegoten.

(52)Het gaat om een voorschrift met betrekking tot de (rechtstreekse) toepassing van bepalingen van een Gemeenschapsbesluit. Dat impliceert mijns

ziens dat het voorschrift zich richt tot de toepasser van het Besluit: het bestuursorgaan dat, of de rechter die, de sanctie oplegt. Van minder strenge bepalingen die van kracht worden nadat de sanctie definitief is opgelegd, kan de veroordeelde dus niet profiteren. 6.4. Omdat bedoeld art. 2 lid 2 alleen de toepassing van bepaalde Gemeenschapsbesluiten regelt, en niet die van nationale wetgeving, kan niet gezegd worden dat dit artikellid ertoe noopte om art. 1 lid 2 Sr van overeenkomstige toepassing te verklaren op de bestuurlijke beboeting. De "relevantie" van het artikellid kan alleen gelegen zijn

de analogie en de uniformiteit. Het toont dat toepassing van de lex mitior bij bestuurlijke beboeting geen onbekend verschijnsel is. Bovendien valt er wat voor te zeggen om één lijn te trekken en geen onderscheid te maken tussen boetebepalingen

Gemeenschapsbesluiten en nationale boetebepalingen. 6.5. De

art. 2 lid 2 Verordening bedoelde Gemeenschapsbesluiten hebben betrekking op de sancties die nodig zijn voor een juiste toepassing van het Gemeenschapsrecht. Dat lijkt te betekenen dat het verwoorde lex mitior-principe alleen betrekking heeft op veranderingen

de sanctionering. Op veranderingen

de te handhaven regelingen van Gemeenschapsrecht -

de geboden en verboden - ziet het bepaalde

art. 2 lid 2 Verordening zo gezien niet. 6.

  1. Art. 49 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie luidt als volgt. "Article 49 Principles of legality and proportionality of criminal offences and penalties
  2. No one shall be held guilty of any criminal offence on account of any act or omission which did not constitute a criminal offence under national law or

ternational law at the time when it was committed. Nor shall a heavier penalty be imposed than that which was applicable at the time the criminal offence was committed. If, subsequent to the commission of a criminal offence, the law provides for a lighter penalty, that penalty shall be applicable.

  1. This Article shall not prejudice the trial and punishment of any person for any act or omission which, at the time when it was committed, was criminal according to the general principles recognised by the community of nations.
  2. The severity of penalties must not be disproportionate to the criminal offence." 6.
  3. Het Handvest heeft sinds de

werkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 rechtskracht. Art. 6 lid 1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie houdt sindsdien

dat "de Unie de rechten, beginselen en vrijheden die zijn vastgesteld

het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (...)" erkent en dat dit Handvest "dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft". De bepalingen van het Handvest zijn "uitsluitend" tot de lidstaten van de Unie gericht "wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen" (art. 6 lid 1, derde volzin, Unieverdrag jo. art. 51 lid 1 Handvest). De reikwijdte van art. 49 lid 1 Handvest is daarmee aanzienlijk groter dan die van art. 2 lid 2 Verordening (EG) nr. 2988/95. Het artikellid is bijvoorbeeld ook van toepassing als het gaat om nationale wetgeving waarmee uitvoering wordt gegeven aan Europese richtlijnen. Bovendien ziet het niet alleen op administratieve boetes, maar ook op strafrechtelijke sancties. 6.8. Art. 49 lid 1 Handvest bepaalt dat "[the lighter] penalty shall be applicable".

de Nederlandse vertaling wordt gsteld dat de (lichtere) straf moet worden toegepast.

de Duitse vertaling wordt gesproken van de (lichtere) straf die "zu verhängen" is. Aannemelijk lijkt mij daarom dat hier met de toepassing van de straf wordt bedoeld de oplegging ervan (en dat "the applicable penalty" dus de straf is die opgelegd dient te worden).

(53)Het gaat

deze lezing van de bepaling dus niet om de toepassing van de (gunstigste) wet. Dat betekent dat de bepaling, hoewel de formulering ervan afwijkt van die van het lex mitior-principe

art. 15 lid 1 IVBPR, ruimte lijkt te laten voor een resultaatgerichte benadering. Mogelijk is niet vereist dat recht wordt gedaan worden met toepassing van de nieuwe wet en dat voldoende is dat dat de (met toepassing van de oude wet) opgelegde straf blijft binnen de door de nieuwe wet toegestane bandbreedte. Maar wat daarvan ook zij, hier van belang is vooral dat de bepaling zich lijkt te richten op de toepassing of oplegging van sancties. Op lichtere straffen die na sanctieoplegging van kracht worden, heeft de bepaling zo gezien geen betrekking. Bovendien vormt de tekst een argument voor de stelling dat art. 49 lid 1 Handvest alleen betrekking heeft op veranderingen

de strafbedreiging en dus niet op een verandering

de strafbaarstelling.

geval van een wetswijziging die de strafbaarheid opheft, is immers geen sprake van een lichtere straf die opgelegd kan worden. 6.9. Al vóór het van kracht worden van het Handvest heeft het Hof van Justitie (EG) uitgesproken dat toepassing van de lex mitior tot de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht behoort. Dat gebeurde

een uitspraak van 3 mei 2005

de gevoegde zaken C-387/02, C-391/02 en C-403/02 (Berlusconi en anderen), LJN AU8955. De desbetreffende overwegingen worden door het EHRM

de Scoppola-uitspraak

tegraal geciteerd.

(54)Zij luiden als volgt. "66. Setting aside the applicability of Article 6 of the First Companies Directive to the failure to publish annual accounts, it should be noted that, under Article 2 of the Italian Criminal Code, which sets out the principle that the more lenient penalty should be applied retroactively, the new Articles 2621 and 2622 of the Italian Civil Code ought to be applied even if they entered

to force only after the commission of the acts underlying the prosecutions brought

the cases

the main proceedings. 67. It must be pointed out

this regard that, according to settled case-law, fundamental rights form an

tegral part of the general principles of law, the observance of which the Court ensures. For that purpose, the Court draws

spiration from the constitutional traditions common to the Member States and from the guidelines supplied by

ternational treaties for the protection of human rights on which the Member States have collaborated or to which they are signatories (see,

ter alia, Case C 112/00 Schmidberger [2003] ECR I 5659, paragraph 71 and the case-law there cited, and Joined Cases C 20/00 and C 64/00 Booker Aquaculture and Hydro Seafood [2003] ECR I 7411, paragraph 65 and the case-law there cited).

  1. The principle of the retroactive application of the more lenient penalty forms part of the constitutional traditions common to the Member States.
  2. It follows that this principle must be regarded as forming part of the general principles of Community law which national courts must respect when applying the national legislation adopted for the purpose of implementing Community law and, more particularly

the present cases, the directives on company law." 6.

  1. Het bereik van het hier geformuleerde beginsel is groter dan dat van art. 2 lid 2 van Verordening (EG) nr. 2988/95 (hiervoor, onder 6.2). Onbeperkt is dat toepassingsbereik echter niet. Het heeft alleen betrekking op nationale wetgeving waarmee Gemeenschapsrecht wordt geïmplementeerd. De terminologie komt overeen met die van art. 49 lid 1 van het Handvest ("retroactive application of the more lenient penalty"). 6.
  2. De vraag is hoe dit algemene beginsel van Gemeenschapsrecht (zoals dat thans verwoord is

art. 49 lid 1 Handvest) zich verhoudt tot het nationale recht van de lidstaten. De uitkomst van de zaak Berlusconi is

dat verband niet zonder betekenis. Berlusconi werd

Italië vervolgd wegens het jaren achtereen publiceren van valse jaarrekeningen. Dat leverde volgens het Italiaanse recht zoals dat gold ten tijde van het plegen van de feiten, misdrijven op waarop gevangenisstraffen van maximaal vijf jaar waren gesteld. Hangende de vervolging - en tijdens het premierschap van Berlusconu - werd de wet gewijzigd. De strafbaarheid werd

geperkt, de straffen werden verlaagd en het delict veranderde van een misdrijf

een overtreding. Het

art. 2 van het Italiaanse Wetboek van Strafrecht neergelegde lex mitior-principe (zie hiervoor, onder 4.4) bracht mee dat deze aanmerkelijk gunstiger bepalingen moesten worden toegepast. Die toepassing zou verstrekkende consequenties hebben. De wetswijziging werkte door

de verjaringstermijn met als gevolg dat de feiten

middels waren verjaard. Bovendien zou Berlusconi ook niet meer vervolgd kunnen worden wegens aanverwante delicten als witwassen en deelneming aan een criminele organisatie, omdat deze delicten betrekking hebben op gronddelicten die als misdrijf zijn strafbaar gesteld. Aan die consequenties trachtte de Italiaanse rechter te ontkomen door het stellen van prejudiciële vragen. Was de nieuwe wetgeving

strijd met het Gemeenschapsrecht - dat effectieve handhaving van het jaarrekeningenrecht eiste - en zo ja, betekende dit dat die nieuwe wetgeving buiten toepassing moest worden gelaten? 6.12. Het Hof van Justitie (EG) gaf geen direct antwoord op de vraag of de veranderde wettelijke regeling strookte met de desbetreffende Richtlijn. Dat was een vraag die de Italiaanse rechter uiteindelijk zelf diende te beoordelen.

(55)Een bevestigend antwoord bracht volgens het Hof echter niet mee dat de nieuwe wetgeving buiten toepassing diende te worden gelaten. Het Hof beriep zich op zijn vaste jurisprudentie dat de

houd van Richtlijnen niet aan een

dividuele burger - en dus ook niet aan de 'burger' Berlusconi - konden worden tegengeworpen. Een Richtlijn kan dan ook niet bepalend zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een burger noch die aansprakelijkheid verzwaren. En daarmee was de kous af. 6.13. Ik merk op dat de casus het belang illustreert van de vraag of het bij het lex mitior-principe gaat om de toepassing van wetsbepalingen of om het bereiken van een bepaald resultaat. Het (onverkort) toepassen van nieuw recht kan vergaande consequenties hebben: feiten kunnen verjaard blijken te zijn en gepleegde misdrijven zoals witwassen kunnen met terugwerkende kracht straffeloos zijn geworden. Dat is anders als het lex mitior-principe zich beperkt tot de strafoplegging. 6.14.

tussen zegt de uitspraak van het Hof

de Berlusconi-zaak niets over de vraag hoe het algemene, van het Gemeenschapsrecht deeluitmakende 'Europese' lex mitior-beginsel

dit opzicht moet worden

gevuld. De terugwerkende kracht van de nieuwe wetgeving werd

deze zaak niet afgedwongen met een beroep op het 'Europese' beginsel, maar berustte direct op art. 2 lid 3 van het Italiaanse Wetboek van Strafrecht. De verstrekkende consequenties waren dus eenvoudig een uitvloeisel van de

vulling die het lex mitior-principe

het Italiaanse nationale recht had gekregen. Die nationele

vulling stond

Luxemburg niet ter discussie. Zij werd als gegeven aanvaard. 6.15. Dat brengt mij op het volgende. Het zou kunnen zijn dat het 'Europese' beginsel moet worden opgevat als een ongearticuleerd principe, dat concreet handen en voeten moet krijgen

het nationale recht van de lidstaten. Dat levert een model op waarin de implementatie van het lex mitior-principe wordt overgelaten aan de lidstaten, met dien verstande dat die implementatie onder supervisie staat van het Hof van Justitie (EG). Dat zou betekenen dat er - binnen een door het Hof te bewaken bandbreedte - ruimte is voor nationale verschillen. Dat zou denk ik ook betekenen dat een - vanuit Europees perspectief gezien - te ruime toepassing van de lex mitior eveneens onderworpen is aan Europese supervisie. 6.16. Opgemerkt kan worden dat de hiervoor geciteerde overwegingen waarin het Hof van Justitie (EG) het lex mitior-principe als algemeen beginsel van Gemeenschapsrecht erkent, niet tot de dragende overwegingen van het arrest lijkt te horen. Als de bedoelde erkenning was uitgebleven, was de uitkomst immers niet anders geweest. Dan had nog steeds gegolden dat de door de Italiaanse wet voorgeschreven terugwerkende kracht niet met een beroep op een Europese Richtlijn ongedaan kan worden gemaakt. Of moet die algemene erkenning

het arrest toch worden gezien als een verkapte toetsing van art. 2 Italiaans Wetboek van Strafrecht aan het Gemeenschapsrecht? 6.17. De vraag is of het Hof van Justitie (EG) hier niet een kans heeft laten liggen.

dit verband veroorloof ik mij een klein uitstapje naar de - eveneens door het EHRM

de Scoppola-zaak aangehaalde - uitspraak van de Appeals Chamber van het Joegoslavië-Tribunaal

de zaak Dragan Nikolic (nr. IT-94-2-A). Art. 24 lid 1 van het Statuut van het Tribunaal schrijft voor dat "the Trial Chambers shall have recourse to the general practice regarding prison sentences

the courts of the former Yugoslavia". De vraag die voorlag, was of het lex mitior-beginsel meebrengt dat het Joegoslavië-Tribunaal rekening dient te houden met latere wijzigingen

het recht van de landen waarin het voormalige Joegoslavië was uiteengevallen. De Appeals Chamber beantwoordde die vraag ontkennend.

herent aan het lex mitior-beginsel is, zo redeneerde de Chamber, dat "the relevant law must be binding upon the court". Welnu, het Tribunaal is alleen gebonden aan zijn eigen Statuut, zodat alleen veranderingen

dat Statuut onder het bereik van het lex mitior-beginsel vallen.

teressant is dat aan dit formeel logische argument nog een ander argument werd toegevoegd. De Chamber overwoog het volgende: "(...) Allowing the principle of lex mitior to be applied to sentences of the

ternational Tribunal on the basis of changes

the laws of the former Yugoslavia would mean that the States of the former Yugoslavia have the power to undermine the sentencing discretion of the

ternational Tribunal's judges.

passing a national law setting low maximum penalties for the crimes mentioned

Articles 2 to 5 of the

ternational Tribunal's statute, States could then prevent their citizens from being properly sentenced by this Tribunal. This is not compatible with the

ternational Tribunal's primacy enshrined

Article 9(2) of the Statute and its overall mandate." 6.18.

Het argument houdt

dat het lex mitior-beginsel geen betrekking kan hebben op corrupte wetgeving, dat wil zeggen op wetgeving die is uitgevaardigd met het doel om een voor juist gehouden handhaving van de strafwet te ondermijnen. De vraag is of die gedachte geen bredere toepassing verdient. Denkbaar is dat het Hof van Justitie (EG), toen het overging tot de erkenning van het lex mitior-principe als algemeen beginsel van Gemeenschapsrecht, daarbij eenzelfde begrenzing had aangebracht. De uitkomst van de zaak Berlusconi was dan een andere geweest.

(56)6.19. De belangrijkste conclusie kan zijn dat met betrekking tot het 'Europese',

art. 49 lid 1 Handvest verankerde lex mitior-beginsel nog veel onzeker is. Zo is onduidelijk of het principe verder reikt dan de strafoplegging alleen. De tekst en de opbouw van de bepaling wijzen

de richting van een restrictieve

terpretatie. Hoewel de formulering verschilt van die van art. 15 lid 1 IVBPR, is een uitleg waarbij het te bereiken resultaat (en niet het toe te passen recht) centraal staat niet uitgesloten. Duidelijk is dat het beginsel een verplichtend karakter heeft, maar denkbaar is dat de lidstaten enige ruimte wordt gelaten om het beginsel naar eigen

zicht te implementeren. De Europese supervisie waarmee dat gepaard zou moeten gaan, kan ook tot restricties leiden. Maar dat is niet veel meer dan speculatie. 7. Buitenlands recht 7.1.

leiding Zoals wij zagen, beroept het EHRM zich

het Scoppola-arrest op een "emerging consensus" met betrekking tot het lex mitior-beginsel. De vraag is hoever die consensus reikt. Meer

het bijzonder is de vraag hoe binnen Europa wordt geoordeeld over veranderingen

de strafbaarstelling.

hoeverre wordt het lex mitior-beginsel daarop van toepassing geacht? Het antwoord op die vraag is van belang omdat aannemelijk is dat het EHRM bij zijn dynamische

terpretatie van art. 7 EVRM niet al te ver voor de troepen zal willen uitlopen en zich derhalve bij de nadere

vulling van het lex mitior-beginsel mede zal laten leiden door de mate van consensus die daarover binnen Europa bestaat. Daarom lijkt een

ventarisatie van het recht van de verschillende Verdragsluitende Partijen dienstig. Ik heb mij daarin evenwel moeten beperken. De

ventarisatie richt zich alleen op de bovengenoemde vraag naar veranderingen

de strafbaarstelling. Zij is daarbij verre van volledig. Slechts van enkele landen wordt het recht beschreven en dan ook nog alleen oppervlakkig. Dat neemt niet weg dat daarmee een eerste

druk wordt verkregen over de mate van eenstemmigheid die binnen Europa met betrekking tot bedoelde vraag bestaat.

het kader van de onderhavige vordering kan daarmee worden volstaan. 7.

  1. Duitsland 7.2.
  2. Het beginsel nullum crimen sine lege is

Duitsland grondwettelijk verankerd (art. 103

(2)Grundgesetz) en is daarnaast neergelegd

§ 1van het Strafgesetzbuch (St

GB).

§ 2StGB worden vervolgens regels gegeven met betrekking tot de "Zeitliche Geltung". De genoemde wetsartikelen luiden als volgt. [GG] "103

(1)Vor Gericht hat jedermann Anspruch auf rechtliches Gehör.
(2)Eine Tat kann nur bestraft werden, wenn die Strafbarkeit gesetzlich bestimmt war, bevor die Tat begangen wurde.
(3)Niemand darf wegen derselben Tat auf Grund der allgemeinen Strafgesetze mehrmals bestraft werden." [StGB] "§ 1 Keine Strafe ohne Gesetz Eine Tat kann nur bestraft werden, wenn die Strafbarkeit gesetzlich bestimmt war, bevor die Tat begangen wurde. § 2 Zeitliche Geltung
(1)Die Strafe und ihre Nebenfolgen bestimmen sich nach dem Gesetz, das zur Zeit der Tat gilt.
(2)Wird die Strafdrohung während der Begehung der Tat geändert, so ist das Gesetz anzuwenden, das bei Beendigung der Tat gilt.
(3)Wird das Gesetz, das bei Beendigung der Tat gilt, vor der Entscheidung geändert, so ist das mildeste Gesetz anzuwenden.
(4)Ein Gesetz, das nur für eine bestimmte Zeit gelten soll, ist auf Taten, die während seiner Geltung begangen sind, auch dann anzuwenden, wenn es außer Kraft getreten ist. Dies gilt nicht, soweit ein Gesetz etwas anderes bestimmt.
(5)Für Verfall, Einziehung und Unbrauchbarmachung gelten die Absätze 1 bis 4 entsprechend.
(6)Über Maßregeln der Besserung und Sicherung ist, wenn gesetzlich nichts anderes bestimmt ist, nach dem Gesetz zu entscheiden, das zur Zeit der Entscheidung gilt." 7.2.2. Hier van belang is vooral het

§ 2Abs. 3 St

GB neergelegde "Meistbegunstigungsprinzip" en de uitzondering die daarop is gemaakt

§ 2Abs.

4. De derde Absatz is ruim geformuleerd en beperkt zich dan ook niet tot veranderingen

de bedreigde straffen. Ook veranderingen

de strafbaarstelling tellen mee. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met zogenaamde "Zwischengesetze". Dat zijn gunstiger regelingen die na het plegen van het feit van kracht zijn geworden, maar die ten tijde van de berechting al weer buiten werking zijn getreden. Daarvan kan de dader ondanks die buitenwerkingtreding blijven profiteren.

(57)7.2.3. Het gaat bij veranderingen

de strafbaarstelling niet alleen om de algehele

trekking van een strafbepaling, maar ook om de

perking daarvan door het toevoegen van extra bestanddelen of het

voeren van een nieuwe exceptie.

(58)Bij de vraag of de wet ("das Gesetz") is veranderd, wordt een materieel wetsbegrip gehanteerd.

geval van "Blankettgesetzen" tellen dus ook veranderingen

de nadere uitvoeringsregelingen ("blankettausfüllenden Normen") mee.

(59)7.2.4. Problematisch zijn gevallen waarin de ene delictsomschrijving wordt vervangen door een anders geformuleerde delictsomschrijving, terwijl het door de verdachte gepleegde feit beantwoordt aan beide omschrijvingen. Beslissend is dan volgens de heersende leer of sprake is van normcontinuïteit ("ob trotz Änderung der neue mit dem alten Tatbestand auf Grund der Kontinuität des Unrechtstyps im wesentlichen noch identisch ist"). Als de "Unrechtskern" dezelfde is gebleven, blijft het feit strafbaar. Is daarentegen de "Unrechtskern" veranderd, dan gaat de dader op grond van § 2
(3)StGB vrijuit. De oude wet geldt als afgeschaft, terwijl toepassing van de nieuwe wet afstuit op op Art. 103
(2)GG en § 1 StGB.
(60)7.2.5.

§ 2Abs. 4 St

GB wordt een uitzondering gemaakt voor "Zeitgesetze". Daaronder vallen

ieder geval wetten met een vooraf bepaalde werkingsduur en wetten waarin de buitenwerkingtreding afhankelijk is gemaakt van een bepaalde toekomstige gebeurtenis ("Zeitgesetze im engeren Sinne"). Daarnaast echter ook wetten die blijkens hun

houd betrekking hebben op "Sonderverhältnisse" van tijdelijke aard ("Zeitgesetze im weiteren Sinne"). Dergelijke wetten worden "gegenstandslos" als de bijzondere toestand waarop zij betrekking hebben, ophoudt te bestaan.

(61)De vraag is hoe ruim die tweede categorie is.

Schönke-Schröder (Rn. 35) wordt gesteld dat § 2 Abs. 4 StGB hoofdzakelijk toepassing vindt bij de "Blankettgesetze" uit het bijzondere strafwet, "deren Zweck meist gerade darin besteht, durch elastische Auswechselbarkeit der blankettausfüllenden Norm akuten Bedürfnissen (...) oder sich wandelnden Zeitverhältnissen (...) Rechnung zu tragen, ohne dass sich dabei die Erreichung des gesteckten Zieles von vornherein zeitlich schon genau vorhersehen und fixieren ließe". 7.2.6. Aandacht verdient dat de toepasselijkheid van het Meistbegunstigungsprinzip op veranderingen

uitvoeringsregelingen

Schönke-Schröder ook nog op een andere wijze lijkt te worden

geperkt.

(62)Hoewel erkend wordt dat "blankettausfüllenden Normen" materieel gezien deeluitmaken van het Tatbestand, zodat een verandering van dergelijke normen een verandering van de strafwet kunnen opleveren, wordt betoogd dat dit niet steeds het geval is. Uitgezonderd zouden "solche Rechtsänderungen" zijn "die (...) den Schutzzweck und die Angriffsrichtung des (Blankett)-Tatbestandes und damit auch das verwirklichte Unrecht im wesentlichen unberührt lassen". Die benadering zou aansluiten bij het criterium dat gehanteerd wordt bij veranderde delictsomschrijvingen, namelijk dat bepalend is of de "Unrechtskern" is veranderd (hiervoor, onder 7.2.4). Als voorbeeld wordt onder meer genoemd een "Änderung einer Rechts-vor-links-Regelung". Een dergelijke verandering dient bij toepassing van § 2
(3)StGB buiten beschouwing gelaten te worden. Het gaat hier als ik het goed zie om een impliciet

Absatz 3 besloten liggende beperking, niet om toepassing van Absatz 4. 7.2.7.

Schönke-Schröder wordt ook nog een tweede impliciete beperking verdedigd. Van een

aanmerking te nemen verandering zou geen sprake zijn als de nieuwe wet alleen betrekking heeft op toekomstige gevallen.

(63)Als voorbeeld wordt genoemd een wettelijke regeling die bepaalt dat zij voor het eerst met betrekking tot een bepaald belastingjaar toepassing zal vinden. Het gaat bij deze beperking om uitleg van de nieuwe wet. Die nieuwe wet zet als ik het goed begrijp de overgangsregeling van § 2
(3)StGB als het ware opzij. Dat past bij de niet-grondwettelijke status van deze regeling. De wetgever kan daarvan afwijken. 7.2.8. Dat het geheel aan expiciete en impliciete

perkingen tot eenzelfde resultaat leidt als

Nederland wordt bereikt met de toepassing van het criterium van gewijzigd

zicht, is denk ik teveel gezegd. Zo levert de omzetting van een strafbaar feit

een Ordnungswidrigkeit een verandering

de strafbaarstelling op waarvan de verdachte profiteert.

(64)Vermeldenswaard is

tussen wel dat de argumentatie waarmee deze

perkingen worden gerechtvaardigd, doet denken aan het Nederlandse criterium. Zo stelt Roxin dat de achterliggende gedachte van § 2

(4)StGB is dat de dader van de opheffing van de strafbaarheid "nur dann profitieren soll, wenn dessen Außerkrafttreten auf einer veränderten kriminalpolitischen Bewertung, nich aber dann, wenn es nur auf einer Änderung der tatsächlichen (z.B. wirtschaftlichen) Verhältnisse beruht".
(65)Daarbij wordt opgemerkt dat, als geen uitzondering voor Zeitgesetze zou zijn gemaakt, de tijdelijke wet aan het einde van haar geldingsperiode straffeloos zou kunnen worden overtreden omdat de dader zeker weet dat het niet zal lukken om hem vóór dat tijdstip onherroepelijk te veroordelen. Hoewel het hier

wezen om hetzelfde argument gaat (dat een overtreding van een Zeitgesetz straffeloos blijft, is alleen erg als de "kriminalpolitische Bewertung" van die overtreding niet veranderd is), maakt deze toevoeging wel duidelijk dat een onbeperkte doorvoering van het lex mitior-principe haaks kan staan op een geloofwaardige handhaving van de strafwet. 7.2.9. Het Meistbegunstigungsprinzip heeft geen grondwettelijke status en de wetgever kan daarvan dus door middel van een bijzondere overgangsbepaling afwijken. Daarbij geldt echter wel dat van willekeur geen sprake mag zijn. Een afwijkende overgangsregeling zou onder omstandigheden

strijd kunnen komen met "das rechtsstaatlichen Vertrauensschutzprinzip".

(66)Daarbij kan gedacht worden aan de verwachting die de dader heeft ontleend aan een wetswijziging die later ongedaan wordt gemaakt. De aanspraak op toepassing van het Zwischengesetz mag met andere woorden mogelijk niet door een bijzondere overgangsbepaling teniet worden gedaan. De oplettende lezer zal bemerkt hebben dat dit de casus is waarover het EHRM

de Scoppola-zaak oordeelde. 7.

  1. België 7.3.
  2. Het beginsel nullum crimen sine lege is

België neergelegd

art. 14 Grondwet (zij het dat het verbod van terugwerkende kracht daarin niet met zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht

(67)) en

art. 2 lid 1 van het Strafwetboek (Sw). Het lex mitior-principe heeft uitwerking gevonden

art. 2 lid 2 Sw. De genoemde wetsartikelen luiden als volgt. Art. 14 G.W. "Geen straf kan worden

gevoerd of toegepast dan krachtens de wet." Art. 2 Sw "1. Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. 2.

dien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast." 7.3.2. De formulering van het lex mitior-principe

art. 2 lid 2 Sw is restrictief.

de eerste plaats gaat het daarin enkel om een verschil

bedreigde straffen. Veranderingen

de strafbaarstelling lijken aldus buiten de boot te vallen.

de tweede plaats gaat het alleen om een vergelijking van de ten tijde van het misdrijf bepaalde straf met de ten tijde van het vonnis bepaalde straf. Toepassing van een al weer afgeschafte mildere tussenwet wordt dus niet voorgeschreven. 7.3.3. Hoewel dus de tekst van art. 2 lid 2 Sw

andere richting wijst, wordt algemeen aangenomen dat ook veranderingen

de strafbaarstelling onder het bereik van het artikellid vallen.

(68)Op die verruimde toepassing worden echter de nodige uitzonderingen gemaakt. Zo geldt zij niet voor zogenaamde gelegenheidswetten. Dat zijn wetten die zijn gemaakt voor uitzonderlijke omstandigheden van voorbijgaande aard. Ook de zogenaamde tijdelijke wetten vallen buiten het toepassingsbereik van art. 2 lid 2 Sw. Dat zijn wetten met een vooraf bepaalde geldigheidsduur. Een

de praktijk belangrijke uitzondering wordt gemaakt voor uitvoeringsreglementen, zoals bijvoorbeeld de op grond van de Wegverkeerswet uitgevaardige verkeersreglementen. Van veranderingen

dergelijke reglementen kan de wetsovertreder niet profiteren. Het argument is dat het door de "blanco-strafwet" strafbaargestelde misdrijf het zich niet onderwerpen aan de reglementen is en dat die strafwet zelf niet is veranderd. 7.3.4. Van den Wyngaert onderscheidt als afzonderlijke uitzonderingscategorie wetten die een oude wet over hetzelfde onderwerp vervangen met behoud van strafbaarstelling. Als "gekend voorbeeld" noemt zij een uitspraak van het Hof van Cassatie van 9 januari 1985 (N-19850109-8), waarin het ging om de vervanging van de oude drankwet uit 1919 door de Wet vergunningsrecht sterke drank. De oude wet verbood caféhouders om sterke drank te verkopen, de nieuwe wet voerde een vergunningstelsel

. De caféhouder die de oude wet overtrad, werd een beroep doen op art. 2 lid 2 Sw ontzegd met het argument dat ook de nieuwe wet het verkopen van sterke drank strafbaar stelde. 7.3.5. Dupont en Verstraeten (a.w., p. 134) verklaren de onder 7.3.3 genoemde uitzonderingen door te stellen dat uit de aard van de desbetreffende wetgeving onmiskenbaar de bedoeling van de wetgever blijkt om van de regel van art. 2 lid 2 Sw af te wijken. Van den Wyngaert (a.w., p. 116) brengt de begrenzing van het toepassingsbereik van art. 2 lid 2 Sw

verband met de ratio legis. De terugwerking van de mildere strafwet vormt de uitdrukking van het gewijzigd

zicht van de wetgever met betrekking tot de strafwaardigheid van de feiten. Die ratio brengt mee dat terugwerking achterwege blijft als het

zicht van de wetgever niet is gewijzigd. Bij deze argumentatie past dat het toepassingsbereik van art. 2 lid 2 Sw

de jurisprudentie verder is

geperkt. Als voorbeeld noemt Van den Wyngaert (a.w., p. 119) een arrest van het Hof van Cassatie van 3 oktober 2000 (N-20001003-7), dat betrekking had op de

voering van de strafbaarheid van de rechtspersoon. Die

voering had ook consequenties voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verantwoordelijke natuurlijke personen. Die aansprakelijkheid verviel

sommige gevallen omdat

die gevallen alléén de rechtspersoon kon worden aangesproken. Toepassing van art. 2 lid 2 Sw zou

deze gevallen betekenen dat de onder de oude wet gepleegde feiten

het geheel niet meer konden worden bestraft. Daarvoor stak het Hof van Cassatie een stokje met het argument dat de wetgever de "onbetwistbare bedoeling" had de onder de oude wet gepleegde feiten verder te bestraffen. 7.3.6. Gelet op de niet-grondwettelijke status van art. 2 lid 2 Sw en op het gewicht dat

de jurisprudentie wordt toegekend aan de bedoeling van de wetgever neem ik aan dat de wetgever bevoegd is om afwijkende overgangsbepalingen te scheppen. 7.4. Frankrijk 7.4.1. Het beginsel nullum crimen sine lege heeft

de Franse Grondwet zelf geen plaats gekregen. Wel is het neergelegd

art. 8 van de Déclaration des droits de l'homme et du citoyen van 1789, waarnaar

de préambule van de Grondwet wordt verwezen. Het beginsel heeft tevens uitdrukking gevonden

art. 112-1 van de Code Pénal (C.P.), waarin ook het lex mitior-principe een plaats heeft gekregen. De genoemde artikelen luiden als volgt. [Déclaration des droits de l'homme et du citoyen] "Article 8 La loi ne doit établir que des peines strictement et évidemment nécessaires, et nul ne peut être puni qu'en vertu d'une loi établie et promulguée antérieurement au délit, et légalement appliquée." [Code Pénal] "Article 112-1 Sont seuls punissables les faits constitutifs d'une

fraction à la date à laquelle ils ont été commis. Peuvent seules être prononcées les peines légalement applicables à la même date. Toutefois, les dispositions nouvelles s'appliquent aux

fractions commises avant leur entrée en vigueur et n'ayant pas donné lieu à une condamnation passée en force de chose jugée lorsqu'elles sont moins sévères que les dispositions anciennes." 7.4.2.

de oude Code Pénal, die gold tot aan de

werkingtreding van de nieuwe Code Pénal op 1 maart 1994, was geen plaats

geruimd voor het lex mitior-principe. Desondanks had het wel een plaats

het Franse recht. Uit art. 8 Déclaration des droits de l'homme et du citoyen, dat

hield dat de wet alleen straffen mocht bevatten die strikt noodzakelijk waren, leidde men af dat voor de oplegging van straffen die de wetgever niet langer noodzakelijk achtte, geen plaats was.

(69)De formulering van het

art. 112-1 lid 3 C.P. gecodificeerde beginsel is ruim. Daaronder vallen alle wijzigingen

het materiële strafrecht, dus ook de wijzigingen

de strafbaarstelling.

(70)Voor de toepassing van een al weer afgeschafte tussenwet lijkt echter geen plaats te zijn

geruimd.

(71)7.4.3. Art. 112-1 lid 3 C.P. wordt strikt toegepast, tenminste als het om veranderingen

wetten ("lois") gaat. Lange tijd maakte de Cour de Cassation een uitzondering voor "lois de circonstances", wetten die gezien de materie die zij regelen van voorbijgaande aard zijn.

(72)Daarbij moet

het bijzonder gedacht worden aan ordeningswetgeving op het terrein van de economie (zoals prijsregulering) en de belastingen. Deze uitzondering werd verdedigd met het argument dat het niet om "dispositions but" ging (zodat van een verandering van de criminele politiek geen sprake was), maar slechts om "dispositions moyen", zodat alleen verandering werd gebracht

de techniek waarmee het doel werd gerealiseerd. Die argumentatie vermocht niet te overtuigen. De uitzondering stuitte op felle kritiek. "Heureusement", schrijft Pradel, ging de Cour de Cassation

1987 om. Daarbij werd nog wel een voorbehoud gemaakt. De nieuwe, gunstiger wet was met terugwerkende kracht van toepassing "en l'absence de dispositions contraires expresses". Volgens een door Pradel met kennelijke

stemming aangehaalde schrijver zou een dergelijke afwijkende overgangsbepaling echter

strijd zijn met art. 15 lid 1 IVBPR. 7.4.4. Nu lijkt de soep iets minder heet gegeten te hoeven worden dan zij door Pradel wordt opgediend. De omslag

de jurisprudentie had betrekking op "lois nouvelles". Ook na 1987 hield de Cour de Cassation als ik het goed zie vast aan zijn jurisprudentie dat veranderingen

"textes réglementaires" - dat wil zeggen

uitvoeringsregelingen neergelegd

algemene maatregelen van bestuur en ministeriële besluiten - buiten het bereik van art. 112-1 lid 3 C.P. vallen. Daarbij lijkt wel vereist te zijn dat de vervolging is aangevangen vóór de wijziging van de uitvoeringsregeling.

(73)7.4.5. Opmerkelijk is dat

de jurisprudentie nooit een uitzondering is gemaakt voor "lois temporaires", dat wil zeggen voor wetten met een vooraf gefixeerde geldigheidsduur. Ook ten aanzien van deze wetten wordt dus strak vastgehouden aan het lex mitior-principe. Pradel lijkt daarbij een vraagteken te plaatsen.

(74)7.4.6. Als problematisch worden aangemerkt gevallen waarin de strafbaarstelling gecontinueerd wordt

een gewijzigde, anders geformuleerde wet. Deze gevallen worden echter niet behandeld bij de vraag of een uitzondering moet worden gemaakt op het lex mitior-principe, maar bij de vraag of sprake is van een gunstiger wet. Als het feit zowel volgens de oude als de nieuwe wet strafbaar is, mag veroordeeld worden op basis van de nie

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.