Nr. 08/04418 Mr. Machielse Zitting: 15 maart 2011 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)1 Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte bij arrest van 2 oktober 2008 ter zake van 1A.
(2)"Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven"; 2 en
- "De eendaadse samenloop van Medeplegen van met het oogmerk om voor te bereiden en te bevorderen, dat moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk wordt begaan, door - gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen, - voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf, en Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, beide begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en gemakkelijk te maken"; 2 en
- "De eendaadse samenloop van Medeplegen van met het oogmerk om voor te bereiden en te bevorderen, dat moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk wordt begaan, door - gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen, - voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf, en Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, beide begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en gemakkelijk te maken" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Voorts heeft het Hof een slot, een sleutel en een tas verbeurd verklaard en twee wapens en munitie onttrokken aan het verkeer verklaard, zoals nader bepaald in het arrest. 2 Mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingediend, houdende twaalf middelen van cassatie. Op 22 februari 2011 heeft de steller van de schriftuur ter terechtzitting van de Hoge Raad de middelen nog mondeling toegelicht. De middelen zijn in de schriftuur gepresenteerd in vier clusters. Ik zal deze structuur in de conclusie volgen. MIDDELEN 1 EN 2 - ALGEMENE INLEIDING 3.1 De eerste twee middelen keren zich tegen het gebruik voor het bewijs van een door de AIVD opgenomen telefoongesprek dat verdachte en haar zus [betrokkene 1]
(3)op 20 juni 2005 hebben gevoerd. De AIVD heeft dit gesprek per Cd-rom bij ambtsbericht van 4 juli 2005 aan het OM verstrekt. In dit zogenoemde apothekersgesprek vraagt verdachte welke bekende mensen in de apotheek komen waar [betrokkene 1] werkt en vist zij naar hun adressen. Het gesprek heeft in totaal bijna 1 uur en 13 minuten geduurd, zo blijkt uit het proces-verbaal
(4)van het beluisteren en uitwerken van het gesprek dat zich bevindt bij de stukken van het geding die de Hoge Raad heeft ontvangen. Voor het bewijs is gebezigd de passage van minuut 10.33 tot minuut 15.00 in het gesprek. 3.2 Het hof heeft het gewraakte 'apothekersgesprek', voor zover uitgewerkt in bewijsmiddel 13, redengevend geacht voor het bewijs van zowel het medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van terroristische moord en/of doodslag (feit 2) als het deelnemen aan een terroristische organisatie (feit 1A). Immers, onder 2 is bewezenverklaard dat verdachte: "in de periode van april 2005 tot en met 14 oktober 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen - telkens met het oogmerk om - moord en/of doodslag, zulks telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, te plegen op één of meer politici uit Nederland, voor te bereiden en/of te bevorderen: - gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van één of meer van die misdrijven aan zich of anderen heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen voorhanden heeft (gehad) waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van één of meer van die misdrijven, Immers hebben/heeft verdachte en/of haar mededaders: (...) - een telefoongesprek gevoerd met een medewerkster van een apotheek waarin wordt gevraagd welke mensen die in de Tweede Kamer werken in die apotheek komen en wat hun adressen zijn (...)" En in de 'Nadere bewijsoverweging feiten 1A en B: de artikelen 140a en 140 Wetboek van Strafrecht' heeft het hof onder meer overwogen: "Cruciaal voor de beoordeling van de vraag of de verdachte moet worden gerekend tot de deelnemers aan een organisatie in de zin van art. 140a van het Wetboek van Strafrecht is of het zogenaamde "Apothekersgesprek" voor het bewijs kan worden gebezigd." 3.3 Bewijsmiddel 13 houdt het volgende in: "Het proces-verbaal van politie, Korps Landelijke Politiediensten, Nationale Recherche, nr. 26082005.0900, d.d. 26 augustus 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], brigadier van politie (p. 8331 ev). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als relaas van deze opsporingsambtenaar: In opdracht van de teamleiding van het onderzoek RL8026F heb ik een cd-rom met daarop een opgenomen telefoongesprek tussen twee vrouwen. Uit het gesprek blijkt dat [verdachte] haar zus [betrokkene 1] belt. Uitwerking van het gesprek: Minuut 10.33 [verdachte]: Trouwens, wie komen er allemaal bij jou in de apotheek? [betrokkene 1]: O, wil je niet weten. Hoe wist je dat? [verdachte]: Het meeste. [betrokkene 1]: Wat, wat? Wat setta? [verdachte]: Hoe bedoel je: je wil het niet weten? [betrokkene 1]: Wie in de apotheek komen? [verdachte]: Ja. [betrokkene 1]: Gewoon mensen, het is druk. [verdachte]: Wie allemaal? [betrokkene 1]: Heel veel mensen, heel veel mensen. Gewoon al-kuffar (ongelovigen) natuurlijk, alleen maar. [verdachte]: Bijvoorbeeld? Er komen toch van die bekende mensen bij jou. [betrokkene 1]: Ja. [verdachte]: Wie dan? [betrokkene 1]: Een hele bekende vrouw. [verdachte]: Wie dan? [betrokkene 1]: Zij is bruin en een kankerwijf. [verdachte]: [in Berber:] Zweer eens bij Allah. [betrokkene 1]: Ik heb haar gezien, schrok me de tering! Toen dacht ik van... [verdachte]: Genoeg, genoeg, blijf daar. [betrokkene 1]: Oké. [verdachte]: Zweer bij Allah. Waar heb je haar gezien? [betrokkene 1]: "Blijf daar"? Tegen wie zeg je dat. [verdachte]: He? [betrokkene 1]: Tegen wie zeg je "blijf daar"? [verdachte]: Nee, ik zei tegen jou "stop daar" bedoel ik. Waar heb je haar gezien, waar heb je haar gezien? [betrokkene 1]: Ze krijgt toch geen kind?! Ze heeft een zwangerschapstest gekocht. [verdachte]: Waar heb je haar gezien? [betrokkene 1]: Ik heb haar gezien. [verdachte]: Waar? [betrokkene 1]: Als bij ons bekende mensen komen, dan praten we d'r ook over. Zoals die vrouw van "Vrienden voor het leven" en meneer Van Aartsen, weet je dit soort mensen. [verdachte]: Ga verder, zeg me alle namen van die mensen die bij jullie komen. [betrokkene 1]: Bijvoorbeeld... gewoon bekende mensen van de televisie. [verdachte]: Wie? [betrokkene 1]: Een voetballer maar die ken ik niet... [verdachte]: Nee, ik bedoel die, die werken in dinges... die met die zwarte vrouw werken. [betrokkene 1]: Die zwarte vrouw... maar die komt in haar eentje binnen, he. De anderen blijven buiten. Zij komt alleen naar binnen. [verdachte]: O, ja, God zij geprezen! [betrokkene 1]: Ik begrijp niet wat je doet in [Turkmenistan?] doet als hier al-kufr is? Wat doe je daar? [verdachte]: Ja, nou! Zeg me dan. Vertel me alles. [betrokkene 1]: Ophouwen. [verdachte]: Wie komt er? Komt Remkes ook? [betrokkene 1]: Nee, die niet. [verdachte]: Wie nog meer? Van Aartsen niet? [betrokkene 1]: Remkes? O, die ouwe, nee, die niet. [verdachte]: Ga verder. [betrokkene 1]: Dat was het, alleen die mensen. [verdachte]: Van Aartsen? [betrokkene 1]: Ja. [verdachte]: Ga verder. [betrokkene 1]: Waarom vraag je zo? [verdachte]: Zeg eens, ik wil het weten. [betrokkene 1]: Klaar. Enne...Je maakt me bang. [verdachte]: Vertel me over iedereen die daar komt, zodat ik je iets ga vertellen. [betrokkene 1]: Ik heb toch eerder gezegd wie d'r allemaal kwam. [verdachte]: Je zei toch dat er veel mensen komen die daar werken in die kamer, [Nederlands:] Tweede [verder in Berber:] Kamer? [betrokkene 1]: Ja, maar ik ken ze niet van naam. [verdachte]: He? [betrokkene 1]: Je weet die jonge man van de LPF? [verdachte]: Komt hij daar? [betrokkene 1]: Die jonge man met haastanden. [verdachte]: God zij geprezen! Nemen ze medicijnen of wat? [betrokkene 1]: Ja. [verdachte]: Je hebt hun adressen? [betrokkene 1]: Uhhh.... maar ik ken hun namen niet dus ik je moet nog een keertje langskomen. [verdachte]: Ja, maar van Van Aartsen heb je wel het adres? [betrokkene 1]: Ja. [verdachte]: Ik zal je een keer bellen en dan geef je me zijn adres, alsjeblieft. [betrokkene 1]: Waarom? [verdachte]: Zomaar. [betrokkene 1]: Wat moet je ermee? [verdachte]: Geef je het me of niet? [betrokkene 1]: Bij Gods wil. [verdachte]: Bij Gods wil. [betrokkene 1]: Je kunt er niets mee, [verdachte]. Je kunt toch niks. [verdachte]: Nee, je moet het me alleen maar geven. Ikke... ikke... ik zweer het bij God... je weet wel... wij willen hem bij Gods wil oproepen tot de Islam, daawa doen. [betrokkene 1]: Bij Gods wil. [verdachte]: En die zwarte? Je weet niet waar ze heen is? [betrokkene 1]: Nee. Ze zal wel aan het voortplanten [zijn], nu, mongool. [verdachte]: He? [betrokkene 1]: Ze zal wel aan het voortplanten [zijn]. [Ze lachen erom.] [verdachte]: Kankerwijf! Komt ze daar altijd? [betrokkene 1]: Nee, nee. Dat niet. [verdachte]: Eens in zoveel tijd? [betrokkene 1]: Ja. [verdachte]: Je weet niet waar ze woont? [betrokkene 1]: Nee. [verdachte]: Waar... [betrokkene 1]: Misschien is ze nu op de heenweg, weet je wel. [verdachte]: Waar woont... waar werkt de vrouw van jouw baas? [betrokkene 1]: Ze werkt in... [verdachte]: Praat Berber tegen mij. [betrokkene 1]: Ze werkt in de [onduidelijk?] [verdachte]: Die, die mensen zoeken? [betrokkene 1]: Nee, natuurlijk niet! [verdachte]: Wat dan? [betrokkene 1]: Net als Bos, Wouter Bos. [verdachte]: Ja, ja [betrokkene 1]: Dus... [verdachte]: Ja. [betrokkene 1]: Dus... [verdachte]: God zij gedankt. Hoe dan ook, probeer ervoor te zorgen om daar weg te gaan [betrokkene 1], alsjeblieft [betrokkene 1]: Ja, ik ben ermee bezig. [...?] misschien wil ik helemaal stoppen. [verdachte]: Zweer eens bij God [betrokkene 1]: Ja [verdachte]: Moet je doen. [betrokkene 1]: dus..." 3.4 Het hof heeft de ten aanzien van het 'apothekersgesprek' gevoerde verweren als volgt samengevat en verworpen:
(5)"Door de verdediging is het verweer gevoerd dat het zogenaamde "apothekersgesprek", aangeleverd bij ambtsbericht door de AIVD, van het bewijs dient te worden uitgesloten, omdat de inhoud van dat materiaal onvoldoende op betrouwbaarheid kan worden getoetst. Er bestaan sterke aanwijzingen dat de AIVD over informatie beschikt die dat telefoongesprek in een belangrijk ander licht kunnen plaatsen. Tevens zou sprake zijn van een sturende en leidende rol van de AIVD met daardoor vervuiling van het daaruit ontstane bewijsmateriaal. Bij de bespreking van dit verweer heeft het hof reeds in algemene zin stil gestaan bij het gebruik van materiaal ingebracht bij ambtsbericht. Daarnaast heeft het hof overwogen op grond van hetgeen door het hof is vastgesteld dat niet aannemelijk is geworden dat de familie van de verdachte tot haar handelen is gedwongen door de AIVD en dat de politie noch de officier van justitie daarbij enige rol hebben gespeeld. Het hof zal met hetgeen eerder door de familieleden van de verdachte is verklaard op het punt van contacten met [betrokkene 2] of een andere medewerker van de AIVD, rekening houden bij het beoordelen van het mogelijk gebruik als bewijsmiddel van telefoongesprekken en/of afgelegde verklaringen van die familieleden. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van het zogenaamde "apothekersgesprek" acht het hof van belang dat reeds in eerste aanleg door mr. T.P.J. Bot, plaatsvervangend hoofd van de AIVD bij de rechter-commissaris is verklaard in antwoord op de vraag of in het originele telefoongesprek - het hof begrijpt het zogenaamde "apothekersgesprek" - is geknipt of dat het is bewerkt, dat bij zijn beste weten een integrale weergave van het gesprek op de CD-rom staat. Tevens heeft hij verklaard dat zijn dienst het zogenaamde Talloncriterium niet schendt. Bij brief van 28 augustus 2006 heeft hij nader antwoord gegeven op een aantal bij het getuigenverhoor niet beantwoorde vragen. Mr A.C. Maan, landelijk terreurofficier van justitie, heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris één en ander in algemene zin onderbouwd door te spreken over de mogelijkheden tot controle van de handelswijze van medewerkers van de AIVD met het oog op het Talloncriterium. Daarnaast zijn bij de politie de broer, vader en oudste zus van de verdachte gehoord. De processen-verbaal van die verhoren bevinden zich inmiddels in het strafdossier. Het hof noemt deze gesprekken met name omdat deze personen in het bijzonder kunnen verklaren over de context waarin het zogenaamde "apothekersgesprek" is gevoerd en hoe dit gesprek is verlopen en daarmee dat telefoongesprek op dat punt toetsbaar maken. In eerste aanleg is bij de rechter-commissaris gehoord de oudste zus van de verdachte. In dat verhoor is als naam van de AIVD-medewerkster met wie de getuige veel contact had gehad over de zoektocht naar de verdachte, genoemd de naam van [betrokkene 2]. Over het zogenaamde "apothekersgesprek" heeft de oudste zus bij de rechtercommissaris -verkort en zakelijk weergegeven- verklaard dat zij van de AIVD de opdracht hadden gekregen om de verdachte zo lang mogelijk aan de telefoon aan de praat te houden. Ze hadden inmiddels gehoord dat de verdachte was gesignaleerd met iemand van de Hofstadgroep. "We moesten op een dusdanige manier vragen stellen om er achter te komen waar en met wie zij was zonder dat zij argwaan zou krijgen. We moesten proberen [verdachte] te beïnvloeden. Ik was het daarmee eens. Toen [verdachte] met [betrokkene 1] sprak, heeft [betrokkene 1] 'in haar taal' gesproken. Ze heeft expres de woorden Al Quaida, aanslag etc. gebruikt. Ze wist dat de AIVD op dat moment mee luisterde". De door de oudste zus bij de politie afgelegde verklaringen op 30 juni en 18 augustus 2005 met als documentcode G6 en als aanduiding aan de voet van de pagina telkens Onderzoek "Theodon" zijn bij het rechter-commissarisverhoor gevoegd. Ook [betrokkene 1] is op verzoek van de verdediging na verwijzing door het hof, bij de rechter-commissaris gehoord. De verdediging heeft in voldoende mate de gelegenheid gehad desgewenst genoemde getuigen te ondervragen. Van de vader en broer zijn de verklaringen op 9 april 2008 door de advocaat-generaal ingebracht in het strafdossier gelijk met de verklaringen van [betrokkene 1] uit het Theoden-onderzoek met nummer Z74048. Niet is door de verdediging ter staving van haar stellingen verzocht om andere familieleden van de verdachte ter terechtzitting of bij de rechter-commissaris te horen zoals haar moeder, vader [betrokkene 3] of broer [betrokkene 4]. Het hof heeft op verzoek van de verdediging de rechter-commissaris verzocht genoemde [betrokkene 2], dan wel de medewerker van de AIVD die vermoedelijk achter dit pseudoniem schuilgaat, als getuige te horen en de advocaat-generaal verzocht de AIVD te verzoeken alle telefoongesprekken die door de AIVD zijn opgenomen van de verdachte en haar familieleden voorzover het betreft de periode van mei 2005 - juni 2005 te verstrekken en toe te voegen aan het dossier. Aan beide verzoeken is door de AIVD met een beroep op artikel 15 van de WIV 2002 en verwijzing naar een eerder uitgebracht ambtsbericht van 26 oktober 2006 met kenmerk 2698317/01niet voldaan. Aan de hand van de tekst van het zogenaamde "apothekersgesprek", als beluisterd door een opsporingsambtenaar en een tolk en weergegeven bij proces-verbaal stelt het hof vast dat aan het telefoongesprek mogelijk een of meerdere telefoongesprek(ken) vooraf zijn gegaan tussen de verdachte en haar zus [betrokkene 1] en mogelijk de moeder van de verdachte, nu daar blijkens de weergave in de eerste tien minuten van het telefoongesprek onder meer over wordt gesproken. Het hof stelt vervolgens vast dat 10.33 minuten na aanvang van het telefoongesprek de verdachte opeens zelfstandig vraagt wie er allemaal in de apotheek bij [betrokkene 1] komen, van die bekende mensen en vraagt wie bijvoorbeeld; dat vervolgens een aantal namen wordt genoemd door de verdachte, waaronder een "zwart kankerwijf" - het hof begrijpt dat in dit verband hiermee Hirshi Ali wordt bedoeld - Remkes, Van Aartsen met de vraag of [betrokkene 1] het adres van Van Aartsen en die Hirshi Ali heeft en als ze het heeft, het adres aan de verdachte wil geven. Uit de weergave van die passage leidt het hof niet af dat dat gedeelte, zoals door de verdediging is aangevoerd, is ingegeven door de wens van de familie van de verdachte haar aan de praat te houden, te achterhalen met wie ze omging of zou zijn geïnitieerd door [betrokkene 1] in opdracht van de AIVD. Het hof stelt vast dat in de verklaringen van [betrokkene 1] noch in die van de oudste zus is aangegeven dat zij juist het onderwerp van de adressen van politici in relatie tot de apotheek met de verdachte zouden moeten bespreken. De verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat zij deze adressen van politici niet vroeg met enig terroristisch oogmerk bijvoorbeeld om die politici van het leven te willen (doen) beroven maar omdat zij brieven wilde sturen aan die politici om dawa te doen. Het hof acht deze verklaring onaannemelijk nu de gekozen weg geen voor de hand liggende is, immers het zou veel eenvoudiger, sneller en efficiënter geweest zijn om eventuele brieven te versturen naar de Tweede Kamer of de zakelijke adressen van die politici te sturen dan wel die adressen op te vragen bij de gebruikelijke en algemeen bekende officiële informatiebronnen. Uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier is niet gebleken dat enige conceptbrief voor dat doel bedoeld, bij de verdachte is aangetroffen. Ook sjeik Fawaz Jneid, imam van de Sounnah Moskee in Den Haag heeft dit niet bevestigd, integendeel hij heeft verklaard de verdachte bij zich te hebben uitgenodigd, omdat hij gehoord had dat zij lid was van de Takfiri en omdat hij haar, samengevat, wilde waarschuwen dat zij zich door een bezoek te brengen aan een eerdere strafzitting van de medeverdachte [betrokkene 5], die van terroristische activiteiten werd verdacht, in een gevaarlijke positie bracht. Ook overigens heeft de verdachte in genoemd "apothekersgesprek", waar het betreft de onderwerpelijke passage, geen verband gelegd met dawa doen. Vorenstaande brengt met zich mee dat het hof de passages als weergegeven in het zogenaamde "apothekersgesprek", die betrekking hebben op het vragen door de verdachte aan haar zus [betrokkene 1] welke politici in de apotheek komen, waar haar zus werkzaam is, en het informeren naar hun adressen, betrouwbaar acht en voor het bewijs zal gebruiken." In de onder 3.2 genoemde nadere bewijsoverweging omtrent de feiten 1A en 1B heeft het Hof voorts ten aanzien van het apothekersgesprek overwogen: "In dit gesprek informeert de verdachte bij haar zus [betrokkene 1] naar de aanwezigheid van bekende mensen in de apotheek waar haar zus werkt en geeft zij blijk van een eigen rol bij en interesse voor het verkrijgen van privé-adresgegevens van Nederlandse politici. De verdachte is degene die het initiatief neemt om het gesprek te brengen op het onderwerp "namen van bekende politici die in de Tweede Kamer werken" en in dat verband zelf namen van enkele politici ter sprake brengt. Dat het telefoongesprek "grappend" van karakter zou zijn geweest, is naar het oordeel van het hof onaannemelijk in het licht van de uitgeschreven tekst van dat gesprek." 3.5 Zoals het Hof bij de bespreking van de verweren aangaande het 'apothekersgesprek' heeft aangegeven, is in het arrest ook in algemene zin stil gestaan bij het gebruik van materiaal ingebracht bij ambtsbericht. Dit naar aanleiding van een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM, dat - voor zover hier van belang - het Hof als volgt heeft samengevat: "Het openbaar ministerie is niet ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte wegens het schenden van beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan haar recht op een behoorlijke behandeling van haar zaak dan wel dat er sprake is van zo ernstige schendingen dat deze het wettelijke systeem en de eerlijkheid van het proces in de kern raken dan wel wegens het schenden van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM). Ter onderbouwing daarvan heeft de raadman van de verdachte - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende betoogd. Er is sprake geweest van een sturende en uitlokkende rol van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (verder: AIVD). Het handelen van de AIVD is niet te toetsen terwijl er niet op kan worden vertrouwd dat de inhoud van de ambtsberichten afkomstig van die dienst betrouwbaar zijn, nu de waarheidsvinding voor de AIVD in zijn werkzaamheden niet centraal staat, bewijsvergaring niet tot de taken van de AIVD behoort en de AIVD zich niet bezig houdt met de vraag of er ook ontlastend materiaal voorhanden is. De AIVD heeft de familie van de verdachte beloofd dat de verdachte niet zou worden vervolgd en heeft de familie instructies gegeven hoe te handelen wanneer zij de verdachte telefonisch spraken. De AIVD heeft telefoongesprekken achtergehouden en een belangrijke rol gespeeld bij het doen van aangifte van vermissing van de verdachte door haar moeder. Deze inmenging van de AIVD leidt er toe dat er een processtuk in het strafdossier van de verdachte is gevoegd dat als belastend kan worden gekwalificeerd en dat door opzettelijk handelen van de overheid inhoudelijk onjuist is. Een zus van de verdachte, genaamd [betrokkene 6] heeft de verdachte aangeraden om mee te werken en een andere zus, genaamd [betrokkene 1], is door de politie opgehaald om met de verdachte te spreken toen de verdachte in alle beperkingen gedetineerd zat. [Betrokkene 1] heeft toen tegen de verdachte gezegd dat deze alles moest vertellen. Daarmee hebben zowel de AIVD als de politie geprobeerd de verdachte te bewegen om mee te werken. Door de verwevenheid van het optreden van de AIVD met de opsporing is vervuiling van het bewijsmateriaal ontstaan. Er zijn voldoende feiten en omstandigheden voorhanden die aannemelijk doen worden dat de samenwerking verder gaat dan men wil doen geloven. Politie en justitie hebben gepoogd de rol van de AIVD te verhullen en te bemantelen door de passages waaruit die rol zou blijken uit verklaringen van eerdergenoemde [betrokkene 1] te verwijderen." Ten aanzien van dit verweer heeft het Hof het volgende overwogen: "De taken en bevoegdheden van de AIVD zijn vastgelegd in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (verder de WIV 2002). De wetgever heeft daarbij een duidelijk juridisch en feitelijk onderscheid voor ogen gehad tussen enerzijds het optreden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en anderzijds het optreden van de opsporingsdiensten. Wederkerige contacten tussen de verschillende diensten zijn op grond van wet- en regelgeving mogelijk en daarbij geldt dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bevoegdheden uitsluitend voor de eigen taakstelling mogen aanwenden. De WIV 2020
(6)verleent aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de discretionaire bevoegdheid tot het verstrekken van informatie aan het openbaar ministerie en verzet zich niet tegen informatieverstrekking op verzoek van het openbaar ministerie of de opsporingsdiensten. Geen rechtsregel verzet zich er tegen dat zowel de inlichtingen- en veiligheidsdienst als het openbaar ministerie of een opsporingsdienst elk voor zich en daardoor mogelijk parallel onderzoek doet naar bepaalde personen of groeperingen. Indien de AIVD op informatie stuit die tevens van belang kan zijn voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan wordt het openbaar ministerie in de persoon van een daartoe aangewezen officier van justitie daarvan door middel van een ambtsbericht op de hoogte worden gesteld. Deze officier van justitie beoordeelt of er een gerede kans bestaat dat de informatie uit het ambtsbericht gebruikt kan worden en daarbij heeft hij inzage in relevante gegevens die voor de beoordeling van de juistheid van de in het ambtsbericht vervatte gegevens noodzakelijk zijn. Na toetsing geleidt bedoelde officier van justitie de informatie door naar de betrokken met vervolging belaste autoriteit. De bij wet geregelde en voor ambtenaren van de AIVD geldende geheimhoudingsplicht brengt met zich dat bij ambtsbericht ingebracht materiaal niet rechtstreeks kan worden getoetst, wat betekent dat de strafrechter van geval tot geval met de nodige behoedzaamheid zal moeten beoordelen of het materiaal voor het bewijs kan worden gebezigd. Dat betekent naar het oordeel van het hof overigens niet dat ervan moet worden uitgegaan dat er niet op kan worden vertrouwd dat de inhoud van de ambtsberichten afkomstig van die dienst betrouwbaar zijn, zoals door de verdediging is betoogd. Aan het gebruik van materiaal dat bij ambtsbericht door de AIVD aan het openbaar ministerie ter beschikking is gesteld en door deze is ingebracht in een strafdossier staat niets in de weg, wanneer de verdediging zich daartegen voldoende heeft kunnen verweren. Met betrekking tot de rol van de AIVD in de onderhavige strafzaak zijn getuigen gehoord en stukken aan het strafdossier toegevoegd. Ook [betrokkene 6] en [betrokkene 1], beiden zussen van de verdachte, zijn hierover gehoord. [Betrokkene 6] heeft -voor zover thans van belang verkort en zakelijk weergegeven- op 12 oktober 2006 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij is benaderd door een medewerkster van de AIVD en dat haar het advies is gegeven om niet met de politie te spreken. De medewerkster citeerde de aangifte van vermissing van de verdachte waarin drie steekwoorden genoemd moesten worden, te weten: Hofstadgroep, [medeverdachte] en "iets goed doen". [Betrokkene 1] heeft - voor zover thans van belang verkort en zakelijk weergegeven- op 25 januari
(7)2008 bij de rechter-commissaris verklaard dat haar zuster benaderd is door een medewerkster van de AIVD die liet weten dat zij hen wilde helpen bij het zoeken naar de verdachte. Tijdens die zoektocht heeft de AIVD de familie gevraagd om als er telefonisch contact was met de verdachte deze contacten zo lang mogelijk te laten duren en te spreken over onder meer de Hofstadgroep en radicale geloofszaken. Naar het oordeel van het hof dient op grond van die verklaringen te worden aangenomen dat er contacten zijn geweest tussen een medewerkster van de AIVD en [betrokkene 6] met betrekking tot de verdachte en dat die contacten van invloed zijn geweest op het contact van de familie met de verdachte in de tenlastegelegde periode. Verder is op grond van de afgelegde verklaringen aannemelijk geworden dat de familie van de verdachte eigener beweging heeft gehandeld overeenkomstig de instructies die [betrokkene 6] naar eigen zeggen van de AIVD heeft gekregen en dat daarin de politie noch de officier van justitie enige rol hebben gespeeld. Uit het onderzoek ter terechtzitting en de stukken van het dossier is dat ook overigens niet aannemelijk geworden, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat de familie van de verdachte tot genoemd handelen is gedwongen door de AIVD. Het openbaar ministerie kan gelet op wat hiervoor is overwogen niet verantwoordelijk worden gehouden voor de feitelijke gang van zaken als voormeld. Dat er van een verdergaande samenwerking tussen de AIVD en politie en justitie sprake is geweest dan op basis van de wettelijke regelingen gerechtvaardigd is, is uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Het hof acht het horen van de bronnen van de AIVD niet noodzakelijk nu, gelet op het standpunt van de AIVD, zoals blijkt uit haar ambtsbericht d.d. 7 maart 2008, dat zij ingevolge artikel 15 van de Wet op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten wettelijk verplicht is tot geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens en van de bronnen waaruit deze gegevens afkomstig zijn, het naar het oordeel van het hof onaannemelijk is dat deze bronnen binnen een aanvaardbare termijn gehoord zouden kunnen worden. Het hof acht het horen van de bronnen van de CIE eveneens niet noodzakelijk, nu CIE-informatie wel als startinformatie voor een opsporingsonderzoek, doch niet als bewijsmiddel mag worden gebezigd en wordt gebezigd. De beide verzoeken worden derhalve afgewezen. Het hof wijst het herhaalde verzoek tot het horen van het hoofd van de AIVD dan wel een medewerker van de AIVD af, nu door de raadsman van de verdachte geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die het horen van voornoemde personen noodzakelijk maken. Uit het enkele feit dat politieambtenaren [betrokkene 1] op enig moment hebben opgehaald om met de verdachte te spreken na de aanhouding van laatstgenoemde, niet de conclusie kan worden getrokken dat de politie heeft geprobeerd de verdachte te bewegen om mee te werken. Bij de beoordeling van de inhoud van door familieleden van de verdachte bij de politie afgelegde verklaringen en telefoongesprekken die de verdachte met haar familieleden heeft gevoerd in de tenlastegelegde periode voor mogelijk gebruik als bewijsmiddel zal het hof rekening houden met wat in dit verband door [betrokkene 6] en [betrokkene 1] is verklaard. Naar het oordeel van het hof is uit de stukken en uit hetgeen ter terechtzitting is besproken niet aannemelijk geworden dat van de zijde van de AIVD enige belofte is gedaan met betrekking tot de vervolging van de verdachte als door de raadsman is betoogd, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat de politie of het openbaar ministerie enige rol heeft gespeeld bij de vermeende invloed van de AIVD op de aangifte die door de moeder van de verdachte van haar vermissing is gedaan." MIDDELEN 1 EN 2 - ALGEMENE BESPREKING 4.1 De eerste twee middelen stellen, globaal gezegd, twee kwesties aan de orde. De eerste kwestie is de bedoeling die het hof toedicht aan de poging van verdachte adressen van politici te achterhalen. De tweede kwestie heeft betrekking op het verzoek van de verdediging om in staat te worden gesteld haar stelling dat het apothekersgesprek een onschuldige inhoud had, aan te tonen. Daartoe heeft de verdediging verzocht om overige gesprekken van verdachte met haar familieleden die door de AIVD zijn opgenomen, aan het dossier toe te voegen, althans getuigen van de AIVD te horen die inhoudelijk kunnen verklaren over de inhoud van deze gesprekken, althans anderszins compensatie te bieden indien beide andere verzoeken worden afgewezen. Ik begin met een algemeen getoonzette uiteenzetting over de tweede kwestie omdat helderheid over de tweede kwestie een voorwaarde is voor de waardering van de eerste kwestie. Als de verdediging immers ten onrechte niet in staat is gesteld om een andere, door verdachte aangegeven strekking van het apothekersgesprek voor het voetlicht te brengen wankelt de door het hof aan dat gesprek gegeven uitleg in ieder geval. 4.2 Ter terechtzitting van 24 januari 2008 heeft het hof de AG verzocht bij de AIVD het verzoek te doen om alle telefoongesprekken die door de AIVD zijn opgenomen en die gevoerd zijn tussen verdachte en haar familieleden in de periode van mei 2005 tot en met juni 2005 ter beschikking te stellen opdat deze aan het dossier kunnen worden toegevoegd. Zich beroepend op artikel 15 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV 2002) heeft de AIVD geweigerd op dit verzoek in te gaan. Dit heeft het hoofd van de dienst in een ambtsbericht van 7 maart 2008 aan de landelijk officier terrorismebestrijding bericht. Het hoofd van de AIVD heeft in dat verband verwezen naar het toezichtrapport van de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 9a. Het heeft de verdediging hogelijk verbaasd dat de AIVD aan dit verzoek geen gehoor heeft gegeven. De verdediging staat hierin niet alleen. Ook ik stel vraagtekens bij dit uiterst formele antwoord op het verzoek. 4.3 Artikel 15 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 luidt aldus: "De hoofden van de diensten dragen zorg voor: a. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens; b. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn; c. de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld." 4.4 In aanmerking genomen dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een medewerkster van de AIVD familieleden van verdachte instructies heeft gegeven over met verdachte te voeren telefoongesprekken, staat mijns inziens genoegzaam vast dat deze telefoongesprekken door de AIVD zijn afgeluisterd. Hoe de AIVD tot de conclusie is kunnen komen dat de inhoud van deze telefoongesprekken in aanmerking komt voor geheimhouding is volstrekt duister. Het verzoek was beperkt tot de gesprekken die verdachte met haar familie heeft gevoerd en dat nog wel gedurende een door het hof vastgestelde en zeer beperkte periode. Dat uit de inhoud van die gesprekken de werkwijze van de AIVD, de identiteit van medewerkers van de AIVD, de bronnen waaruit de AIVD zou putten, aan het licht zouden kunnen komen lijkt mij op zijn zachtst gezegd nogal onwaarschijnlijk. Bovendien zou de AIVD hebben kunnen overwegen om onderdelen van gevoerde telefoongesprekken waarvan de dienst het, gelet op artikel 15 van de Wet, bezwaarlijk zou vinden als deze in een strafdossier zouden worden opgenomen, niet te verstrekken. Het toezichtrapport waarnaar het hoofd van de AIVD in zijn ambtsbericht van 7 maart 2008 verwijst heeft betrekking op een onderzoek naar de door de AIVD uitgebrachte ambtsberichten in de periode van januari 2004 tot oktober 2005. De Commissie van toezicht heeft uiteraard in dat rapport geen aandacht geschonken aan het ambtsbericht van 7 maart 2008. Aan het toezichtrapport 9a is te ontlenen dat de inhoud van het ambtsbericht waarbij het apothekersgesprek ter beschikking is gesteld, voldoende betrouwbaar is, maar dat zegt helemaal niets over de weigering van de AIVD om op het verzoek van het hof in te gaan. 4.5 Ter terechtzitting van 11 maart 2008 heeft de advocaat van verdachte de beslissing van de AIVD bekritiseerd en het hof verzocht de weigering van de AIVD om de telefoongesprekken te verschaffen te compenseren door een of meer functionarissen van de AIVD over de inhoud van deze gesprekken te horen. Het hof heeft vervolgens het verzoek afgewezen om de telefoongesprekken, die verdachte met haar zussen [betrokkene 6] en [betrokkene 1] heeft gevoerd en die door de AIVD zijn opgenomen, ter beschikking te stellen. Het hof verwijst ter motivering van die afwijzing naar de houding van de AIVD zoals blijkt in het ambtsbericht van 7 maart 2008. Hoewel het hof de motivering van de afwijzing baseert op het ontbreken van noodzaak en op de verwachting dat toevoeging van de inhoud van deze gesprekken aan het dossier niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gerealiseerd, lijkt mij de kern van de afwijzing erin te zijn gelegen dat het nutteloos lijkt te trachten de AIVD ertoe te bewegen aan het verzoek te voldoen. 4.6 Ook het subsidiaire verzoek om functionarissen van de AIVD te horen heeft het hof afgewezen. Maar de motivering van deze afwijzing is nu niet bepaald helder. Het hof heeft als strekking van het verzoek aangenomen dat de verdediging de rechtmatigheid van het Piranha-onderzoek zou willen toetsen. Daarover is het hof voldoende geïnformeerd omdat in eerste aanleg verschillende personen al zijn gehoord. Het hof noemt de landelijke officier van justitie terrorismebestrijding en het plaatsvervangend hoofd van de AIVD. Nadere compensatie is volgens het hof daarom niet noodzakelijk. Maar er schuilt meer in de motivering van de afwijzing. Het hof heeft immers overwogen: "Het hof wijst het verzoek tot het als getuige horen van [betrokkene 7] - op beide voornoemde gronden -, [betrokkene 8] dan wel dan wel iemand van de AIVD die inhoudelijk kan verklaren omtrent deze kwestie, af, nu het hof de noodzaak hiertoe niet is gebleken." 4.7 Het hof heeft klaarblijkelijk twee redenen ("beide voornoemde gronden") ten grondslag gelegd aan de afwijzing van dit verzoek. Die tweede reden kan geen andere zijn dan de reden om het verzoek om "[betrokkene 2]" als getuige te horen, af te wijzen. Het hof heeft deze afwijzing gebaseerd op de houding die de AIVD blijkens het ambtsbericht van 7 maart 2008 heeft ingenomen. Die houding maakt het zinloos om het OM nogmaals te verzoeken zich in te spannen om deze AIVD-functionaris als getuige op te roepen. Het hof heeft dus - zij het besmuikt - de afwijzing van het horen van de AIVD-medewerkers mede gebaseerd op de weigering van de AIVD om zich uit te laten over de overige telefoongesprekken die verdachte met familieleden heeft gevoerd. De redenering van het hof zal zijn geweest dat het gelet op de weigerachtige houding van de AIVD om deze telefoongesprekken beschikbaar te stellen, niet te verwachten is dat AIVD-functionarissen zich wél zullen willen uitlaten over de inhoud van deze gesprekken. Het verzoek om de telefoongesprekken met familieleden ter beschikking te stellen, subsidiair om functionarissen van de AIVD over deze telefoongesprekken te horen, is nadien nog herhaald.
(8)4.8 In het arrest heeft het hof op pagina 27 e.v. gememoreerd dat familieleden van verdachte door de politie zijn gehoord. De oudste zus van verdachte, [betrokkene 6], is evenals verdachtes andere zus, [betrokkene 1], door de rechter-commissaris
(9)gehoord. Het hof heeft vastgesteld dat de verdediging voldoende gelegenheid heeft gehad om deze getuigen te ondervragen. Hierin ligt het klaarblijkelijke oordeel van het hof besloten dat de verdediging de gelegenheid heeft gekregen om van de zussen van verdachte informatie te krijgen over de context van het apothekersgesprek en over de inhoud van andere telefoongesprekken die zij met verdachte hebben gevoerd, en dat aldus de verdediging toereikend is gecompenseerd voor het ontbreken van deze telefoongesprekken in het dossier en voor de belemmering om AIVD-medewerkers over de inhoud van deze telefoongesprekken te horen. Omdat het hof tot het oordeel is gekomen dat aan de verdediging voldoende compensatie is geboden wat betreft de mogelijkheid om de context van het apothekersgesprek nader te bepalen, doordat de zussen van verdachte hierover nadere informatie hebben kunnen geven ten overstaan van de rechter-commissaris, waarbij de verdediging de gelegenheid is geboden vragen te stellen, stond er niets aan in de weg dat het hof zich een oordeel heeft gevormd over de strekking van het apothekersgesprek, de eerste kwestie. 4.9 Na deze algemene beschouwingen kan ik overgaan tot een nadere bespreking van de eerste twee middelen. In de eerste twee middelen is een mengeling aan te treffen van opmerkingen en gedachten over de twee genoemde kwesties. Voor de zuiverheid en het behoud van het overzicht lijkt het mij zinvol alle klachten die betrekking hebben op de uitleg van het apothekersgesprek te concentreren in de bespreking van het eerste middel en de klachten over de afwijzing van de verzoeken met de strekking om de achtergrond en context van het apothekersgesprek te verbreden te reserveren voor het tweede middel. Dat heeft tot gevolg dat er onderdelen zijn die zijn gepresenteerd in het tweede middel die ik bij het eerste middel zal bespreken. Het lijkt mij logisch om eerst het tweede middel dat zich concentreert op de tweede kwestie aan de orde te stellen. Als het tweede middel immers gegrond zou zijn zou dat een belemmering kunnen vormen voor het gebruik van de inhoud van het apothekersgesprek in deze strafzaak zoals het hof dat heeft gedaan. MIDDELEN 1 EN 2 - NADERE BESPREKING 5.1 Het tweede middel bevat meerdere, samenhangende klachten met betrekking tot het gebruik van het 'apothekersgesprek' voor het bewijs en over schending van de artikelen 6 EVRM en 359 lid 2, 315 en 330 Sv. Voor zover het tweede middel de interpretatie van het apothekersgesprek betreft, welk thema de kern is van het eerste middel, moge ik verwijzen naar mijn bespreking van het eerste middel die na de behandeling van het tweede middel volgt. 5.2. Het middel klaagt ten eerste dat het Hof de verwerping van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van het 'apothekersgesprek', omdat de inhoud daarvan is vervuild door de sturende rol van en uitlokking door de AIVD, onbegrijpelijk althans ontoereikend heeft gemotiveerd. Daarnaast zou zowel het verzoek om toevoeging aan het dossier van overige door de AIVD opgenomen gesprekken tussen verdachte en haar familie, teneinde de context en betekenis van het 'apothekersgesprek' te kunnen toetsen en stellingen van de verdediging dienaangaande aannemelijk te kunnen doen worden, als het (herhaalde) verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 7], [betrokkene 8], dan wel een andere medewerker van de AIVD, die inhoudelijk kan verklaren over de andere door de AIVD opgenomen gesprekken op onjuiste, onbegrijpelijk of ontoereikende gronden zijn afgewezen. Het Hof zou ten onrechte de verdediging geen compensatie hebben geboden voor de afwijzing van de getuigenverzoeken en evenmin (ambtshalve) de getuigen hebben opgeroepen die het 'apothekersgesprek' op punten toetsbaar kunnen maken. Hierdoor zou er sprake zijn van een inbreuk op artikel 6 EVRM. 5.3 Aan de hand van verklaringen die twee zussen
(10)van verdachte bij de rechter-commissaris hebben afgelegd heeft de verdediging in hoger beroep betoogd dat de inhoud van het 'apothekersgesprek' is vervuild doordat de AIVD de familie van verdachte heeft geïnstrueerd om aan de telefoon met haar te praten over onder andere de Hofstadgroep en radicale geloofszaken. De context, de inhoud en de vervuiling van het gesprek kunnen niet (voldoende) worden getoetst, nu telefoongesprekken die verdachte voorafgaand aan en na het 'apothekersgesprek' met familieleden heeft gevoerd aan de verdediging worden onthouden, welke beperking niet (voldoende) is gecompenseerd.
(11)5.4 Het Hof heeft het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting als volgt samengevat: "Door de verdediging is het verweer gevoerd dat het zogenaamde "apothekersgesprek", aangeleverd bij ambtsbericht door de AIVD, van het bewijs dient te worden uitgesloten, omdat de inhoud van dat materiaal onvoldoende op betrouwbaarheid kan worden getoetst. Er bestaan sterke aanwijzingen dat de AIVD over informatie beschikt die dat telefoongesprek in een belangrijk ander licht kunnen plaatsen. Tevens zou sprake zijn van een sturende en leidende rol van de AIVD met daardoor vervuiling van het daaruit ontstane bewijsmateriaal." 5.5 Zoals reeds aangegeven heeft het Hof zich naar aanleiding van zowel het niet-ontvankelijkheidsverweer als het bewijsverweer met betrekking tot het 'apothekersgesprek' over de rol van de AIVD uitgesproken (zie 3.4 en 3.5). Het Hof heeft eerst, voor zover hier van belang, het volgende overwogen. Op basis van de WIV 2002 zijn contacten mogelijk tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten enerzijds en opsporingsdiensten anderzijds. Inlichtingen- en veiligheidsdiensten mogen informatie verstrekken aan het OM. Stuit de AIVD op informatie die van belang kan zijn voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten, dan stelt hij het OM daarvan op de hoogte door middel van een ambtsbericht. Door de wettelijke geheimhoudingsplicht voor AIVD-ambtenaren kan bij ambtsbericht ingebracht materiaal niet rechtstreeks worden getoetst en moet de strafrechter van geval tot geval met de nodige behoedzaamheid beoordelen of het materiaal voor het bewijs kan worden gebezigd. Aan het gebruik van dit materiaal staat niets in de weg, als de verdediging zich daartegen voldoende heeft kunnen verweren. Over de rol van de AIVD in de onderhavige zaak zijn getuigen gehoord en stukken aan het dossier toegevoegd. Ook [betrokkene 6] en [betrokkene 1] zijn hierover gehoord. [Betrokkene 6] heeft verklaard dat zij is benaderd door een medewerkster van de AIVD die adviseerde niet met de politie te spreken en haar instrueerde om in de aangifte van vermissing de woorden Hofstadgroep, [medeverdachte] en "iets goed doen" te gebruiken. [Betrokkene 1] heeft verklaard dat haar zus is benaderd door een vrouw van de AIVD die zei te willen helpen bij het zoeken naar verdachte en die de familie heeft gevraagd om telefoongesprekken met verdachte zo lang mogelijk te laten duren en te spreken over onder meer de Hofstadgroep en radicale geloofszaken. Naar het oordeel van het Hof moet op grond van de verklaringen van beide zussen worden aangenomen dat er contacten zijn geweest tussen een AIVD-medewerkster en [betrokkene 6] met betrekking tot verdachte en dat die contacten van invloed zijn geweest op het contact van de familie met verdachte in de tenlastegelegde periode. Aannemelijk is geworden dat de familie eigener beweging heeft gehandeld volgens de instructies die [betrokkene 6] naar eigen zeggen van de AIVD heeft gekregen. Uit het onderzoek ter terechtzitting noch de stukken in het dossier is aannemelijk geworden dat de politie of de officier van justitie hierin een rol heeft gespeeld of dat de familie van verdachte door de AIVD tot haar handelen is gedwongen. Het Hof zal bij de beoordeling van het mogelijk gebruik als bewijsmiddel van onder andere telefoongesprekken rekening houden met hetgeen familieleden van verdachte hebben verklaard over contacten met [betrokkene 2]
(12)of een andere AIVD-medewerker. 5.6 Bij de bespreking van het verweer met betrekking tot het 'apothekersgesprek' heeft het Hof herhaald dat het met de verklaringen van de familie van verdachte over de contacten met de AIVD rekening zal houden bij het beoordelen van het mogelijk gebruik voor het bewijs van telefoongesprekken. 5.7 De steller van het middel klaagt dat het Hof heeft nagelaten te duiden op welke wijze rekening is gehouden met de betreffende verklaringen, waardoor de verwerping van het bewijsverweer onbegrijpelijk, althans ontoereikend zou zijn gemotiveerd. 5.8 Deze klacht berust mijn inziens op een onjuiste lezing van het arrest, aangezien daarin duidelijk wordt dat en hoe het Hof zich bij de beoordeling van de bruikbaarheid voor het bewijs van het 'apothekersgesprek' rekenschap heeft gegeven van de door verdachtes familieleden afgelegde verklaringen over hun contact met de AIVD. Immers, in de beoordeling van de betrouwbaarheid van het 'apothekersgesprek', die onder 3.4 is overgenomen, heeft het Hof onder meer overwogen dat zich in het dossier de politieverhoren van verdachtes broer, vader en oudste zus, [betrokkene 6] bevinden, welke personen in het bijzonder kunnen verklaren over de context waarin het 'apothekersgesprek' is gevoerd en hoe het is verlopen en daarmee het gesprek op dit punt toetsbaar maken. De gezinsleden hebben besloten om de raadgevingen van de AIVD (deels) te volgen, omdat zij verdachte zo snel mogelijk en met zo weinig mogelijk schade in het gezin wilden doen terugkeren. Tevens is het Hof ingegaan op het verhoor van [betrokkene 6] bij de rechter-commissaris. Daar heeft zij verklaard dat zij is benaderd door een medewerkster van de AIVD, die zich voorstelde als [betrokkene 2] en die haar onder andere instrueerde om in telefoongesprekken met verdachte haar zo lang mogelijk aan de praat te houden, te proberen om zonder argwaan te wekken erachter te komen waar en met wie verdachte was en haar te beïnvloeden. [Betrokkene 6] was het hiermee eens. In het 'apothekersgesprek' zou [betrokkene 1] 'in de taal van' verdachte hebben gesproken en expres woorden als Al Quaida en aanslag hebben gebruikt. Zij wist dat de AIVD meeluisterde. Ook [betrokkene 1] is bij de rechter-commissaris gehoord. De verdediging heeft zowel [betrokkene 6] als [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris kunnen ondervragen. Uit de passage waarin verdachte en [betrokkene 1] over politici praten heeft het Hof niet afgeleid dat dit gedeelte, zoals door de verdediging is aangevoerd, is ingegeven door de wens om verdachte aan de praat te houden of te achterhalen met wie ze omging, of zou zijn geïnitieerd door [betrokkene 1] in opdracht van de AIVD. Ten slotte heeft het Hof vastgesteld dat [betrokkene 1] noch [betrokkene 6] heeft aangegeven dat zij juist het onderwerp 'adressen van politici' in relatie tot de apotheek waar [betrokkene 1] werkte met verdachte zouden moeten bespreken. Kortom, het hof heeft rekening gehouden met de verklaringen van familieleden in die zin dat het hof, mede gelet op de inhoud van die verklaringen, is gekomen tot de slotsom dat het apothekersgesprek niet in zoverre door de AIVD is bepaald dat de vorm en inhoud van het gesprek zijn vervuild. [Betrokkene 1] heeft in dat gesprek zelf initiatieven ontplooid en richting er aan gegeven vanuit haar wens verdachte zo snel mogelijk uit het milieu waarin zij verkeerde te lichten en terug te laten keren in het gezin. 5.9 Dan kom ik nu toe aan de grieven over de afwijzing van het herhaalde verzoek om de overige door de AIVD opgenomen gesprekken tussen verdachte en haar familie aan het dossier toe te doen voegen, teneinde de standpunten van verdachte (nader) aannemelijk te doen worden en de context en de betrouwbaarheid van het 'apothekersgesprek' te kunnen toetsen. 5.10 Het verzoek is in hoger beroep eerst bij fax van 5 oktober 2007 en ter zitting van 2 november 2007 gedaan. Blijkens het proces-verbaal van die zitting heeft de raadsman van verdachte overeenkomstig zijn pleitnotities aangevoerd dat de door de AIVD getapte gesprekken van verdachte en haar familieleden relevant zijn voor de waardering van het 'apothekersgesprek' en dat niet valt in te zien waarom zij niet ter beschikking zouden kunnen worden gesteld in het kader van de waarheidsvinding. Het verzoek ziet in beginsel op alle opgenomen gesprekken van [verdachte] en haar familie, maar van belang is de context waarin het 'apothekersgesprek' is gevoerd en die zou zijn waar te nemen in gesprekken (in tijd) rondom het apothekersgesprek.
(13)Ter zitting van 24 januari 2008 is het verzoek deels toegewezen, namelijk "voor zover het de gesprekken betreft die zijn gevoerd tussen de verdachte en haar familieleden in de periode van mei 2005 - juni
- Voor het overige wijst het hof het verzoek af, nu dit het hof te onbepaald voorkomt en onvoldoende concreet onderbouwd is. Niet is gebleken dat het verzoek met betrekking tot de overige gesprekken stukken betreft die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de verdachte in hetzij belastende hetzij ontlastende zin. Het hof heeft daarbij eveneens in aanmerking genomen, dat het door de verdediging verzochte beschikbaar stellen van gesprekken tussen de familieleden onderling, de privacy van deze familieleden aantast. Het hof zal de advocaat-generaal opdragen om bij de AIVD het verzoek in te dienen tot het verstrekken van voornoemde telefoongesprekken en deze toe te voegen aan het dossier, dan wel de raadslieden in de gelegenheid te stellen deze gesprekken te beluisteren." Gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting op 11, 14, 18 en 19 maart 2008 is het ambtsbericht van de AIVD van 7 maart 2008, met daarin onder meer als reactie op dit verzoek de mededeling dat voor zover de AIVD zou beschikken over meer tapgesprekken van verdachte en haar familie dan het gesprek dat in een ambtsbericht is verwerkt, de dienst die ingevolge artikel 15 WIV 2002 niet kan verstrekken. Bij fax van 9 maart 2008 heeft de raadsman zich aangesloten bij het door mr. Böhler bij fax van 6 maart 2008 gedane verzoek om toevoeging aan het dossier van de door [betrokkene 1] genoemde gesprekken tussen verdachte en [betrokkene 6] en tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 6]. Ter zitting van 11 maart 2008 heeft het Hof dit verzoek afgewezen omdat de noodzaak ertoe niet is gebleken, waarbij het Hof heeft overwogen dat: "gelet op de houding die de AIVD ten aanzien van dit verzoek aanneemt in haar ambtsbericht d.d. 7 maart 2008, niet te verwachten is dat het toevoegen van deze gesprekken binnen een aanvaardbare termijn kan worden gerealiseerd." Op de zitting van 15 april 2008 heeft de raadsman het Hof verzocht: "het Openbaar Ministerie op te dragen de AIVD en desnoods de Minister van Binnenlandse Zaken te benaderen teneinde de reeds eerder verzochte tapgesprekken tussen [verdachte] en haar familie te bekomen, in het bijzonder die met haar oudste zus, kort volgend op het zogenaamde Apothekersgesprek." Hij heeft herhaald dat uit die gesprekken de context kan blijken waarin het 'apothekersgesprek' moet worden begrepen en dat er geen reden is van staatsveiligheid die het onthouden van de gesprekken kan rechtvaardigen. Het Hof heeft hierop ter terechtzitting van 18 april 2008 als volgt beslist: "Het verzoek betreffende het ter beschikking stellen van de tapgesprekken tussen de verdachte en haar familie is ter terechtzitting van 11 maart 2008 door het hof gemotiveerd afgewezen. Door de raadsman zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die thans dienen te leiden tot honorering van het verzoek. Het hof wijst het verzoek af, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken." Op de zitting van 6 juni 2008 heeft de raadsman het verzoek herhaald en de advocaat-generaal verzocht "(nogmaals) harder met de vuist op tafel te slaan" om de tapgesprekken van de AIVD te verkrijgen. Het Hof heeft het verzoek afgewezen, op dezelfde gronden als gehanteerd op 18 april
- Ter zitting van 5 september 2008 heeft de raadsman, conform zijn pleitnotities, aan de hand van het 'apothekersgesprek', verklaringen van verdachte en verklaringen van haar zussen betoogd dat leden van [de familie van verdachte] zowel voor als na het 'apothekersgesprek' telefoongesprekken hebben gevoerd die door de AIVD zijn opgenomen en die een ontlastende inhoud hebben. Zo zou verdachte in een gesprek met haar moeder hebben ontkend met aanslagen bezig te zijn en zou zij kort na het 'apothekersgesprek' telefonisch tegen [betrokkene 6] hebben gezegd dat zij [betrokkene 1] heeft gesproken, die vreemd deed, en dat zij domme en radicale dingen heeft gezegd. Volgens de raadsman is het probleem dat: "als ik - om de portee van dit voorbeeld iets steviger aan te zetten - in een telefoongesprek met A zeg dat ik inmiddels in staat ben om een terroristische aanslag te plegen of dat alle ongelovigen moeten worden onthoofd en in een daarop volgend gesprek met B zeg dat ik zojuist een paar onjuiste, onware, domme dingen heb gezegd tegen A, is dat laatste gesprek van cruciaal belang voor de beoordeling van het waarheidsgehalte en bedoeling van dat eerdere gesprek. Als dan dat laatste gesprek wordt onthouden, loopt u het risico dat u dat eerdere gesprek onjuist kwalificeert of interpreteert." Voorts is aangevoerd, onder het kopje 'Verdediging niet (in voldoende mate) gecompenseerd':
(14)"Uw Hof heeft dit verzoek, voor wat betreft de gesprekken tussen [verdachte] en haar familieleden voor de periode van mei 2005 -juni 2005, ter terechtzitting van 24 januari jl. toegewezen. Ter zitting van 11 maart jl. heeft u die verzoek afgewezen omdat de noodzaak daartoe zou ontbreken. Daaraan heeft uw Hof toegevoegd dat, gelet op de houding van de AIVD ten aanzien van dit verzoek inneemt, niet te verwachten is dat het toevoegen binnen een aanvaardbare termijn kan worden gerealiseerd. Wij menen dat de noodzaak tot het toevoegen van de gesprekken, die uw Hof en overigens ook de Rechtbank initieel wel aannamen, nog immer aanwezig is doch dat de houding van de AIVD met zich brengt dat vastgesteld moet worden dat het Openbaar Ministerie daartoe niet in staat is. Dit gegeven dient voor rekening van het Openbaar Ministerie te komen. Het feit dat het Openbaar Ministerie hier gefrustreerd wordt door de AIVD, doet aan de intrinsieke noodzaak of het verdedigingsbelang niet af. Wij verzochten u ter fine van compensatie van de verdediging te mogen horen het hoofd van de AIVD of enig andere medewerker van de AIVD die zich over deze kwestie kon uitlaten. Uw Hof heeft dit verzoek ter zitting van 11 maart jl. afgewezen om redenen als in het proces-verbaal vermeld. Wij wensten en wensen hen onder meer te bevragen over de onthouden gesprekken en de onbegrijpelijke weigerachtige houding van de AIVD terzake. De ernst van deze gang van zaken geldt temeer nu de AIVD zich weliswaar op wettelijke grond maar zonder enig redelijk belang kan verschuilen achter deze weigering. Een houding die in het huidige klimaat waarbij AIVD informatie in strafprocessen steeds vaker een belangrijke rol speelt, niet past. Zonder redelijk belang omdat op geen enkele wijze valt te verzinnen welk belang de AIVD kan hebben bij het onthouden van deze gesprekken, waarvan wij al aantoonden dat deze bestaan. Daarmee is de werkwijze van de AIVD terzake, namelijk dat de AIVD gesprekken afluistert, opneemt en stuurt, in concreto bekend geworden. Tenzij, en daar gaan wij op grond van het voorgaande vanuit, sprake is van een kwade geest en uit die gesprekken blijkt dat deze inderdaad ontlastend zijn en dat de stellingen van de verdediging hierdoor nader aannemelijk worden. Gelet op voornoemde verzoeken van de verdediging, de kennelijke weigerachtigheid van de AIVD om de verzochte gesprekken te verstrekken en daardoor de verdediging in de gelegenheid te stellen haar rechten uit te oefenen en de context te toetsen, is sprake van een situatie waarbij de beperkingen van de verdediging niet (in voldoende mate) zijn gecompenseerd." Vervolgens heeft de raadsman zich beroepen op de overweging uit HR 5 september 2006, LJN AV4144, dat de rechter de onderbouwde stelling dat door een inlichtingen- en veiligheidsdienst verzameld materiaal onbetrouwbaar is en niet tot het bewijs kan dienen moet onderzoeken en de verdediging de gelegenheid moet hebben de betrouwbaarheid van het materiaal aan te vechten en te (doen) onderzoeken. Ten slotte is in de samenvatting van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van het 'apothekersgesprek' opgenomen dat de context, inhoud en vervuiling van het gesprek niet (voldoende) getoetst is kunnen worden doordat de gevraagde tapgesprekken ten onrechte zijn onthouden. Mede op deze grond zou het recht op een eerlijk proces zijn geschonden. Mocht het Hof niet om deze reden het 'apothekersgesprek' uitsluiten van het bewijs, dan meent de verdediging dat de betrouwbaarheid van het gewraakte gesprek dermate is aangetast, dat het daarom niet tot het bewijs kan worden gebezigd. 5.11 In het bestreden arrest heeft het Hof onder het kopje 'Gebruik van materiaal afkomstig van de AIVD en in het bijzonder het zogenaamde 'apothekersgesprek' vermeld dat de advocaat-generaal is verzocht de AIVD te verzoeken alle telefoongesprekken die door de AIVD zijn opgenomen van verdachte en haar familieleden in mei en juni 2005 te verstrekken, aan welk verzoek de AIVD met een beroep op artikel 15 WIV 2002 en verwijzing naar een ambtsbericht van 26 oktober 2006 met kenmerk 2698317/01niet heeft voldaan (zie ook onder 3.4). 5.12 De steller van het middel zet de aanval in op de beslissingen van het hof inzake de telefoongesprekken die verdachte met haar familieleden heeft gevoerd door ten aanzien van een aantal van deze beslissingen te stellen dat het hof slechts gedeeltelijk of helemaal niet heeft beslist op het verzoek zoals het is gedaan. De klacht dat het hof uiteindelijk slechts een deel van het verzoek om de afgeluisterde gesprekken met de familieleden van verdachte ter beschikking te doen komen heeft afgewezen, ziet over het hoofd dat de advocaat van verdachte zich heeft aangesloten bij het verzoek van mr. Böhler om de inhoud van de gesprekken die verdachte met haar zussen heeft gevoerd en de gesprekken die die zussen onderling hebben gevoerd aan het dossier toe te voegen (p. 3 proces-verbaal 11 maart 2008). De advocaat van verdachte heeft ter terechtzitting van 11 maart 2008 nog wel gerefereerd aan het verzoek om alle telefoongesprekken die verdachte met familieleden heeft gevoerd bij de AIVD op te vragen, maar het hof heeft deze verwijzing klaarblijkelijk slechts bezien in de context van de kritiek die de advocaat heeft geformuleerd op de weigering van de AIVD. Die duiding door het hof acht ik niet onbegrijpelijk. Het verzoek van mr. Böhler heeft het hof afgewezen (p. 23 proces-verbaal 11 maart 2008), zodat dit onderdeel blijk geeft van een onjuiste lezing van het zittingsverbaal. 5.13 De steller van het middel verwijt het hof voorts een onjuiste maatstaf te hebben gehanteerd, door de afwijzing te baseren op het ontbreken van de noodzaak tot het toevoegen van de inhoud van telefoongesprekken aan het dossier, terwijl het hof eerder, op 24 januari 2008, die noodzaak nog wel aanwezig heeft geacht. In mijn inleidende opmerkingen heb ik al geschreven dat het hof kennelijk tot de conclusie is gekomen dat het doen van nieuwe verzoeken aan de AIVD nutteloos was, gezien de eerdere ervaringen met de AIVD. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Bovendien staat het de feitenrechter vrij om terug te komen op een eerdere beslissing, bijvoorbeeld op basis van nieuwe ontwikkelingen.
(15)5.14 Ook wat het middel stelt over de afwijzing op 17 april 2008 door het hof van het herhaalde verzoek om de tapgesprekken tussen verdachte en haar familieleden aan het dossier toe te voegen treft mijns inziens geen doel. De advocaat had verzocht om nogmaals de AIVD te benaderen met het verzoek om de inhoud van de telefoongesprekken ter beschikking te stellen. Het hof heeft verwezen naar de eerdere beslissing van 11 maart 2008. Daaruit kan worden afgeleid dat het hof de motivering die het aan de afwijzing op 11 maart 2008 ten grondslag heeft gelegd nog steeds valide achtte. Die motivering kwam erop neer dat het nutteloos zou zijn om nogmaals de AIVD te benaderen nadat de AG dat eerder tevergeefs heeft gedaan. Aldus heeft het hof niet op een ander verzoek beslist dan de raadsman heeft gedaan. In dat licht bezien is het ook niet vreemd dat het hof in zijn arrest op een herhaald verzoek van dezelfde strekking ermee volstaat te verwijzen naar de factoren die zo'n exercitie vruchteloos doen zijn. 5.15 Het zwaartepunt van het middel ligt echter in de klacht dat de verdediging door de weigering van de AIVD op een zodanige achterstand is gezet dat het apothekersgesprek niet tot bewijs zou kunnen dienen. Het hof heeft zich volgens de steller van het middel te gemakkelijk neergelegd bij de weigering van de AIVD en geen eigen onderzoek verricht naar de reden om het materiaal waarom de verdediging had verzocht niet ter beschikking te stellen. Een eerlijk proces is volgens het middel onmogelijk als de AIVD wel, op verzoek van het OM, potentieel belastend materiaal levert, maar weigert hetzelfde te doen met ontlastend materiaal waarom de verdediging of de rechter verzoekt. Dit laatste is overigens volgens mij een conclusie die in deze zaak op een onzekere basis berust. De advocaat van verdachte heeft zelf in zijn pleitnota van 5 september 2008 op p. 24 vermeld dat verdachte geen target was van de AIVD en dat zij voor het eerst pas genoemd wordt in het ambtsbericht waarbij het apothekersgesprek wordt verstrekt. Nergens blijkt dat het OM de AIVD om informatie over verdachte heeft verzocht. Wel staat vast dat het hof met het verzoek aan de AIVD om de inhoud van andere telefoongesprekken die verdachte met haar familie heeft gevoerd te leveren, bot heeft gevangen. Maar om daarom meteen al te concluderen dat er geen eerlijk proces is geweest en dat artikel 6, lid 1 EVRM zou zijn geschonden is volgens mij een beetje te kort door de bocht. De rechtspraak van de Hoge Raad toont immers aan dat het enkele feit dat de AIVD niet het achterste van zijn tong laat zien en informatie binnenskamers houdt nog niet onontkoombaar tot een schending van artikel 6 EVRM leidt. 5.16 In de zaak die leidde tot HR 5 september 2006, LJN AV 4122, NJ 2007, 336 m.nt. Schalken speelden ook vragen met betrekking tot de verhouding van (toen nog) BVD-onderzoek en het strafrechtelijk onderzoek. Meer in het bijzonder lag de vraag voor in hoeverre de strafrechter controle kan uitoefenen over onderzoek door de BVD en dat kan toetsen en in hoeverre door de BVD vergaard materiaal in het strafproces kan worden gebruikt. Het Hof had voor het bewijs gebruik gemaakt van een aantal van de BVD afkomstige afgetapte telefoongesprekken. De Hoge Raad leidde uit de wetgeschiedenis van zowel de WIV 1987 als de WIV 2002
(16)af dat de onderscheiden bevoegdheidstoedeling aan enerzijds de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en anderzijds de opsporingsdiensten niet in de weg staat aan informatieverstrekking door de BVD (later AIVD) aan de opsporingsdiensten. Voor de toetsing van de werkzaamheden van de geheime dienst is geen structurele rol weggelegd voor de rechter. Wel moet de rechter toetsen of in een strafprocedure waarin van de dienst afkomstig materiaal voor het bewijs wordt gebruikt is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces. 5.17 De Hoge Raad kan zich hierin gesteund weten door het EHRM. Ook de rechtspraak van het EHRM kent gevallen waarin geklaagd is over schending van artikel 6 EVRM omdat bepaalde informatie niet voor de verdediging toegankelijk was. Onder omstandigheden behoeft deze beperking er niet aan in de weg te staan dat verdachte toch een eerlijk proces krijgt. In de zaak P.G. en J.H., nr. 44787/98,
(17)was bijvoorbeeld afluisterapparatuur geïnstalleerd in de woning van een persoon van wie vermoed werd dat hij met anderen een overval op een geldtransport aan het voorbereiden was. De aanleiding voor deze stap was informatie die bij de politie was binnengekomen. De politiefunctionaris die het inleidende rapport had geschreven werd door de rechter ondervraagd buiten aanwezigheid van anderen. De politiefunctionaris weigerde ook bepaalde vragen die door de verdediging waren opgegeven te beantwoorden. De rechter besloot het rapport van de politiefunctionaris tot het bewijs toe te laten. Uiteindelijk werden betrokkenen veroordeeld voor het voorbereiden van een overval. Bij het EHRM klaagden de veroordeelden over schending van het eerste lid van artikel 6 EVRM. Hoewel deze zaak op een groot aantal punten verschilt van de zaak die thans aan de Hoge Raad is voorgelegd zijn de overwegingen van het EHRM relevant. Het EHRM overwoog: "
- It is a fundamental aspect of the right to a fair trial that criminal proceedings, including the elements of such proceedings which relate to procedure, should be adversarial and that there should be equality of arms between the prosecution and defence. The right to an adversarial trial means, in a criminal case, that both prosecution and defence must be given the opportunity to have knowledge of and comment on the observations filed and the evidence adduced by the other party (...). In addition, Article 6 § 1 requires, as indeed does English law (see paragraph 30 above), that the prosecution authorities should disclose to the defence all material evidence in their possession for or against the accused (...).
- However, the entitlement to disclosure of relevant evidence is not an absolute right. In any criminal proceedings there may be competing interests, such as national security or the need to protect witnesses at risk of reprisals or keep secret police methods of criminal investigation, which must be weighed against the rights of the accused (...). In some cases it may be necessary to withhold certain evidence from the defence so as to preserve the fundamental rights of another individual or to safeguard an important public interest. However, as a general principle, only such measures restricting the rights of the defence which are strictly necessary are permissible under Article 6 § 1 (...). Moreover, in order to ensure that the accused receives a fair trial, any difficulties caused to the defence by a limitation on its rights must be sufficiently counterbalanced by the procedures followed by the judicial authorities (...)." 5.18 De gang van zaken in deze Engelse zaak kreeg de goedkeuring van het EHRM, hoewel de vervolgende autoriteiten bezwarend materiaal niet aan de verdediging ter beschikking stelden maar enkel aan de rechter. Wel heeft de verdediging de gelegenheid gekregen aan de politiefunctionaris vragen te stellen, maar het was de rechter die besliste of de antwoorden in het dossier terechtkwamen. Het EHRM wees erop dat het materiaal dat niet werd geopenbaard ook niet aan de jury werd voorgelegd en dat de controle door de rechter een andere belangrijke waarborg was. 5.19 Een andere zaak die in dit verband relevant lijkt is EHRM 18 mei 2010, nr. 26839/05 (Kennedy). Kennedy vermoedde dat hij, nadat hij vrij was gekomen na een veroordeling voor een ernstig misdrijf, het slachtoffer was van geheime bemoeienis van de overheid, onder meer erin bestaande dat zijn telefoongesprekken werden afgeluisterd. Kennedy verzocht de geheime diensten openheid van zaken te geven, hetgeen werd geweigerd. Hij wendde zich vervolgens tot het Investigatory Powers Tribunal (IPT). Bij het IPT kan iedereen klagen die stelt slachtoffer te zijn geweest van interceptie van communicatie. Het IPT berichtte klager dat het geen beslissing in zijn voordeel kon nemen. Dat kon betekenen dat er geen operaties plaatsvonden die erop waren gericht om de communicatie van klager te onderzoeken, maar ook dat er wel zulke operaties waren, maar dat die naar het oordeel van het IPT geoorloofd waren. De Engelse wetgeving voorziet voorts in de aanwijzing van een Commissioner met als taak het toezicht op de interceptie van communicatie. De Commissioner heeft recht op alle informatie die hij meent nodig te hebben in de uitoefening van zijn taak. Kennedy klaagde onder meer bij het EHRM dat artikel 6 lid 1 EVRM was geschonden omdat hij, bij de vaststelling van zijn burgerlijke rechten, geen eerlijk proces heeft gehad. Het EHRM overwoog: "
- The Court reiterates that according to the principle of equality of arms, as one of the features of the wider concept of a fair trial, each party must be afforded a reasonable opportunity to present his case under conditions that do not place him at a substantial disadvantage vis-à-vis his opponent (...). The Court has held nonetheless that, even in proceedings under Article 6 for the determination of guilt on criminal charges, there may be restrictions on the right to a fully adversarial procedure where strictly necessary in the light of a strong countervailing public interest, such as national security, the need to keep secret certain police methods of investigation or the protection of the fundamental rights of another person. There will not be a fair trial, however, unless any difficulties caused to the defendant by a limitation on his rights are sufficiently counterbalanced by the procedures followed by the judicial authorities (...)
- At the outset, the Court emphasises that the proceedings related to secret surveillance measures and that there was therefore a need to keep secret sensitive and confidential information. In the Court's view, this consideration justifies restrictions in the IPT proceedings. The question is whether the restrictions, taken as a whole, were disproportionate or impaired the very essence of the applicant's right to a fair trial.
- In respect of the rules limiting disclosure, the Court recalls that the entitlement to disclosure of relevant evidence is not an absolute right. The interests of national security or the need to keep secret methods of investigation of crime must be weighed against the general right to adversarial proceedings (...). The Court notes that the prohibition on disclosure set out in Rule 6
(2)admits of exceptions, set out in Rules 6
(3)and
(4).
(18)Accordingly, the prohibition is not an absolute one. The Court further observes that documents submitted to the IPT in respect of a specific complaint, as well as details of any witnesses who have provided evidence, are likely to be highly sensitive, particularly when viewed in light of the Government's "neither confirm nor deny" policy. The Court agrees with the Government that, in the circumstances, it was not possible to disclose redacted documents or to appoint special advocates as these measures would not have achieved the aim of preserving the secrecy of whether any interception had taken place. It is also relevant that where the IPT finds in the applicant's favour, it can exercise its discretion to disclose such documents and information under Rule 6
(4)(see paragraph 84 above). (...) 190. In light of the above considerations, the Court considers that the restrictions on the procedure before the IPT did not violate the applicant's right to a fair trial. In reaching this conclusion, the Court emphasises the breadth of access to the IPT enjoyed by those complaining about interception within the United Kingdom and the absence of any evidential burden to be overcome in order to lodge an application with the IPT. In order to ensure the efficacy of the secret surveillance regime, and bearing in mind the importance of such measures to the fight against terrorism and serious crime, the Court considers that the restrictions on the applicant's rights in the context of the proceedings before the IPT were both necessary and proportionate and did not impair the very essence of the applicant's Article 6 rights." 5.20 Ter bescherming van de staatsveiligheid kan dus informatie die in het strafproces van belang is toch verborgen blijven, mits de verdediging de gelegenheid krijgt voldoende tegenwicht te bieden. Het is dus niet zo dat het ontbreken van de mogelijkheid de hand te leggen op informatie die berust bij de AIVD aan het strafproces reeds de eerlijkheid ontneemt. Maar ik ontwaar ook een bezwaar tegen de Nederlandse regeling van toezicht op de AIVD. In de zaken waarin het EHRM te maken kreeg met vragen over heimelijke informatie-operaties was er telkens toch een rechterlijke instantie die toezicht hield. Uiteindelijk was het de beslissing van een rechter om materiaal al dan niet ter beschikking te stellen. Deze rechter kon zich telkens wel volledig laten informeren. In Nederland ontbreekt zo een rechterlijke voorziening. De Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten ontbeert de bevoegdheden die aan een rechter toekomen. De commissie kan bijvoorbeeld geen opdrachten geven aan de AIVD om materiaal in het kader van een strafproces ter beschikking te stellen. Inschakeling van de Nationale Ombudsman biedt evenmin soelaas. Men kan zich wel wenden tot de verantwoordelijke Ministers, maar de inlichtingen- en veiligheidsdiensten opereren onder hun verantwoordelijkheid. Van een onafhankelijke positie is daarom geen sprake. De landelijk officier terrorismebestrijding functioneert als liaison tussen de inlichtingendiensten en de opsporing en is reeds daarom ook niet een kansrijk loket waartoe de verdediging in een strafzaak zich kan wenden. Het ontbreekt in de Nederlandse situatie dus aan een van de waarborgen waaraan het EHRM grote waarde toekent, het toezicht van een onafhankelijke rechter. Het lijkt mij alleszins het overwegen waard om in Nederland een instantie in het leven te roepen die te vergelijken is met de "disclosure judge", zoals die in Noord Ierland bestaat.
(19)Dat zou een belangrijke waarborg betekenen in het strafproces en voorkomen dat de redenen van de AIVD om materiaal niet ter beschikking te stellen niet alleen volkomen duister blijven maar ook op geen enkele manier toetsbaar zijn. 5.21 Het ontbreken van deze waarborg betekent overigens volgens mij niet dat een eerlijk proces nooit mogelijk is als de rechter de motieven van de AIVD om informatie niet te verstrekken niet direct kan toetsen. Als andere mogelijkheden openstaan om, via een omweg, toch aan informatie te komen die de verdediging in staat stelt zich een beeld te vormen van de gegevens waarnaar zij op zoek is en als de rechter deze informatie bij zijn beoordeling kan betrekken, lijkt mij aan de eisen van het eerste lid van artikel 6 EVRM te zijn voldaan. Het verzoek van de verdediging om subsidiair functionarissen van de AIVD als getuige te horen over de inhoud van telefoongesprekken die verdachte heeft gevoerd met haar familieleden is door het hof afgewezen omdat het hof, in de kern beschouwd, aannam dat dit een nutteloze exercitie zou worden. Ik meen dat dat oordeel niet onbegrijpelijk is. De AIVD heeft zich weigerachtig getoond en de betrokken ministers hebben op 14 september 2006 besloten dat aan het plaatsvervangend hoofd van de AIVD geen ontheffing op de voet van artikel 86 lid 2 van de Wet van de op hem rustende geheimhoudingsplicht zal worden verleend. Hoezeer ik ook moeite heb met deze houding van de AIVD kan ik niet anders dan vaststellen dat het hof een juist criterium heeft gebezigd en dat de afwijzing van het verzoek om deze functionarissen als getuige te horen tegen de zojuist geschetste achtergrond niet onbegrijpelijk is. Dat het moeilijk is om begrip op te brengen voor de beslissing van de AIVD brengt immers nog niet mee dat de consequenties die het hof, dat stuit op deze onwil, daaruit trekt ook onbegrijpelijk zijn. 5.22 Op p. 27 van zijn arrest heeft het hof erop gewezen dat bij de politie de broer, vader en oudste zus van verdachte zijn gehoord. Aan de hand van deze verhoren is het volgens het hof mogelijk zich een beeld te vormen over de context waarin het apothekersgesprek heeft plaatsgevonden. Voorts is in opdracht van het hof [betrokkene 1] nog door de rechter-commissaris gehoord. Eerder was zij evenals de oudste zus van verdachte, [betrokkene 6], al door de rechter-commissaris gehoord. Het hof heeft aldus vastgesteld dat de verdediging in ieder geval in staat is geweest om de twee gezinsleden die, zo heeft het hof kunnen aannemen, het nauwste contact met verdachte hebben onderhouden, nadere vragen te stellen over de inhoud van deze contacten en om aldus een beter beeld te krijgen over de context en achtergrond van het apothekersgesprek. Ik geef meteen toe dat het belang van de verdediging (ook) zou zijn gediend wanneer de verdediging de beschikking zou hebben gehad over de uitgeschreven inhoud van met verdachte gevoerde gesprekken. Maar nu de verdediging de gelegenheid heeft gehad om aan gespreksdeelnemers zelf vragen te stellen en aldus niet alleen de inhoud van deze gesprekken helder heeft kunnen maken maar ook vragen heeft kunnen stellen over de betekenis die de gespreksdeelnemers aan die gesprekken hebben gegeven, meen ik dat aan de verdediging voldoende compensatie is geboden voor het ontbreken van de andere telefoongesprekken. 5.23 De steller van het middel heeft nog op p. 20 van de schriftuur aangegeven dat de strekking van het verzoek van de verdediging om functionarissen van de AIVD te horen tweevoudig was, te weten om vragen te kunnen stellen over de inhoud van de onthouden gesprekken en over de achtergrond van deze onthouding, en meent dat daarom de afwijzing door het hof van oproeping van deze functionarissen onbegrijpelijk is. Ik zie dat niet zo. Het hof heeft aangegeven dat er voldoende compensatie is geboden doordat familieleden zijn ondervraagd en deels ook ondervraagd zijn kunnen worden door de verdediging over de inhoud van de contacten met verdachte, en anderzijds dat het optreden van de AIVD jegens de familieleden niet onrechtmatig is geweest. Als er al voldoende compensatie is geboden aan de verdediging is de achtergrond van de weigering van de AIVD om de telefoongesprekken ter beschikking te stellen niet meer relevant. Of linksom of rechtsom aan de eisen van het eerste lid van artikel 6 EVRM wordt voldaan doet er niet toe. Evenmin treft de klacht doel dat het hof (nogmaals) ambtshalve over had moeten gaan tot het oproepen van de familieleden als getuigen. Het hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat aan de verdediging voldoende compensatie is geboden doordat deze getuigen zijn gehoord, van wie de belangrijkste getuigen nog wel in aanwezigheid van de verdediging. Dan was er geen reden meer voor een nieuw verhoor. Dat standpunt is niet onbegrijpelijk. Het middel faalt. 6.1 Het eerste middel klaagt dat het Hof artikelen 6 EVRM en 359 lid 2 en/of 3 Sv heeft geschonden door het 'apothekersgesprek' tot het bewijs te bezigen en door onvoldoende, althans onbegrijpelijk te motiveren waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, luidende dat het gesprek niet redengevend is voor het bewijs, nu daaruit niet blijkt van strafbare intenties en er een onschuldige verklaring is voor het vragen naar de adressen van Kamerleden, namelijk dat die gebruikt zouden worden voor het sturen van brieven om 'dawa'
(20)te doen: oproepen tot de Islam.
(21)6.2 Ter terechtzitting van 5 september 2008 heeft de raadsman van verdachte, overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities, aangegeven dat sjeik Fawaz Jneid, imam in de Haagse Sounnah moskee, op 2 september 2004 de toenmalige VVD-fractieleider in de Tweede Kamer Van Aartsen heeft geschreven om hem te bekeren tot de Islam en om hem te vragen een "gepast" standpunt in te nemen over de Islamkritiek van Hirsi Ali. De imam zou zijn leerlingen, onder wie verdachte, hebben aangespoord om ook dergelijke brieven te schrijven en dat zou de reden zijn waarom verdachte in het apothekersgesprek heeft gevist naar de adressen van politici. De volgende drie passages uit het 'apothekersgesprek' zouden deze stelling ondersteunen: "[verdachte]: Ja er is een wapen en dat weten ze wel. Dat is de Qor'aan en dat kunnen ze niet... [betrokkene 1]: En hou je daaraan vast [verdachte], he [verdachte]: Natuurlijk, natuurlijk (...)"; "[verdachte]: Ja. Maar van Aartsen heb je wel het adres? [betrokkene 1]: Ja [verdachte]: Ik zal je een keer bellen en dan geef je me zijn adres, alsjeblieft [betrokkene 1]: Waarom? [verdachte]: Zomaar [betrokkene 1]: Wat moet je er mee? [verdachte]: Geeft je het me of niet? [betrokkene 1]: Bij Gods wil [verdachte]: Bij Gods wil [betrokkene 1]: Je kunt er niets mee, [verdachte]. Je kunt toch niks.. [verdachte]: Nee, je moet het me alleen maar geven. Ikke...Ikke. Ik zweer het bij God. Je weet wel wij willen hem bij Gods wil oproepen tot de Islam, daawa doen."; en "[verdachte]: Dat zij op geen fucking kankerpoot kunnen staan. Ja, omdat Allah macht geeft. Wij rekenen op Allah. Wij doen du 'aa. Wij hebben de krachtigste wapen. Onze wapen is de smeekbede. [betrokkene 1]: Ja [verdachte]: Onze wapen is de Qor 'aan." 6.3 Uit het proces-verbaal inhoudende de uitwerking van het 'apothekersgesprek' blijkt dat het eerste van deze citaten uit de vijfde tot tiende minuut van het gesprek komt, in welk stadium het gesprek nog in het geheel niet ging over publieke personen (van wie verdachte de adressen wilde), en het laatste citaat uit de 50e tot 55e minuut van het gesprek, toen de zussen evenmin over specifieke (bekende) mensen spraken.
(22)6.4 Het Hof heeft de lezing, dat verdachte aan [betrokkene 1] de adressen van politici probeerde te ontfutselen omdat zij met het sturen van brieven dawa wilde doen, onaannemelijk geacht, "nu de gekozen weg geen voor de hand liggende is, immers het zou veel eenvoudiger, sneller en efficiënter geweest zijn om eventuele brieven te versturen naar de Tweede Kamer of de zakelijke adressen van die politici te sturen dan wel die adressen op te vragen bij de gebruikelijke en algemeen bekende officiële informatiebronnen. Uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier is niet gebleken dat enige conceptbrief voor dat doel bedoeld, bij de verdachte is aangetroffen. Ook sjeik Fawaz Jneid, imam van de Sounnah Moskee in Den Haag heeft dit niet bevestigd, integendeel hij heeft verklaard de verdachte bij zich te hebben uitgenodigd, omdat hij gehoord had dat zij lid was van de Takfiri en omdat hij haar, samengevat, wilde waarschuwen dat zij zich door een bezoek te brengen aan een eerdere strafzitting van de medeverdachte [betrokkene 5], die van terroristische activiteiten werd verdacht, in een gevaarlijke positie bracht. Ook overigens heeft de verdachte in genoemd "apothekersgesprek", waar het betreft de onderwerpelijke passage, geen verband gelegd met dawa doen." De steller van het middel verdeelt deze overwegingen in vier argumenten die volgens hem geen van alle deugen. Alvorens op ieder van deze argumenten in te gaan wil ik nog kort de feiten en omstandigheden memoreren die kunnen blijken uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en die de uitleg door het hof van het apothekersgesprek inkleuren. 6.5 Eind 2004, begin 2005 hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op een aantal min of meer besloten bijeenkomsten, in woningen van de deelnemers, lesgegeven in een radicale uitleg van de Koran en andere godsdienstige geschriften (bewijsmiddelen 8 en 9). Eind mei 2005 is verdachte met medeverdachte [medeverdachte] getrouwd. Samen met hem heeft zij [betrokkene 9]
(23)en [betrokkene 10] meegenomen naar het Amsterdamse Bos, om allen met een automatisch vuurwapen op een boom te schieten, waarbij [medeverdachte] heeft gezegd dat hij een afvallige zou kunnen doden (bewijsmiddelen 1 en 2). Verdachte is met onder anderen [medeverdachte] in Brussel geweest, waar op de kamer die zij deelden tussen hun spullen wapens aanwezig waren (bewijsmiddelen 20 en 27). Verdachte en [medeverdachte] hebben bij [betrokkene 11] aan de [a-straat 1] te Den Haag overnacht, in de week voorafgaand aan hun aanhouding op 22 juni
- Nadien heeft [betrokkene 11] tussen papieren die zijn terug te voeren op [medeverdachte] een briefje gevonden met daarop gecodeerd de namen en adresgegevens van de politici Weisglas, Van der Vlies, Marijnissen en Dittrich (bewijsmiddelen 15 t/m 17). Het is voldoende aannemelijk dat het codebriefje in relatie tot [medeverdachte] moet worden gezien. [Medeverdachte] kreeg via [betrokkene 9] van [betrokkene 5] de namen, telefoonnummers en adressen van Nederlandse politici, onder wie Zalm, Hirsi Ali, Balkenende, Wilders en Griffith (bewijsmiddel 14). Verdachte logeerde enige tijd in de woning van medeverdachte [betrokkene 12] en diens vrouw [betrokkene 13] aan de [b-straat 1] te Den Haag, toen op 28 september 2006 in de kelder van die woning wapens zijn aangetroffen. Achter een afgesloten luik bevonden zich een tas met vuurwapens en munitie en een tas met daarin veel persoonlijke bescheiden van verdachte, een verscheurd doosje munitie van hetzelfde merk en type als in de andere tas en een haar die matcht met het DNA van verdachte. In de woning van [betrokkene 12] werd een sleutel gevonden die paste op het slot waarmee het luik was afgesloten (bewijsmiddelen 21 t/m 26). 6.6 's Hofs overweging dat verdachte ook overigens in het 'apothekersgesprek', waar het betreft de onderwerpelijke passage, geen verband heeft gelegd met dawa doen, roept vragen op (het vierde argument). In het voor het bewijs gebezigde deel van het tapgesprek heeft verdachte het bekeringsmotief immers genoemd. Zij heeft gezegd dat zij het adres van Van Aartsen wil omdat zij hem willen "oproepen tot de Islam, dawa doen" (zie onder 3.3). De weinig heldere overweging moet volgens mij aldus worden verstaan dat verdachte weliswaar elders in het apothekersgesprek heeft gesproken over het wapen van de Koran en de smeekbede, maar dat zij alleen in de passage over het krijgen van adressen aarzelend en in reactie op [betrokkene 1]'s opmerking dat verdachte toch niets met de adressen kan, het verband heeft gelegd tussen Van Aartsen en dawa willen doen. In het gesprek is geen link gelegd tussen dawa doen en de andere genoemde politici. Gezien de gewelddadige component in het gedrag van verdachte en haar medeverdachten heeft het Hof het 'apothekersgesprek' zo begrepen en ook kunnen begrijpen dat het actief trachten te achterhalen van adressen van politici niet in het teken stond van dawa doen en dat verdachtes verwijzing naar dawa doen in dit verband onwaarachtig is. 6.7 Het eerste argument van het hof, dat erop neerkomt dat het eenvoudiger zou zijn geweest om brieven te versturen naar zakelijke of op te vragen adressen, is volgens de steller van het middel niet redengevend voor de verwerping van het verweer, omdat het niets zegt over de bedoelingen van verdachte. Het hof heeft in deze overweging te kennen gegeven dat verdachte haar opgegeven bedoelingen gemakkelijk zou kunnen realiseren door, in plaats van via haar zus de adressen uit de administratie van de apotheek op te diepen, de brieven te versturen naar bekende adressen. Aldus heeft het hof een reden aangegeven waarom men vraagtekens kan plaatsen bij het door verdachte opgegeven doel van deze erg omslachtige en onzekere wijze van informatievergaring. 6.8 Dat geen conceptbrief bij verdachte is aangetroffen is voor het hof een andere grond tot twijfel aan de waarachtigheid van verdachtes opgegeven bedoeling. Als de imam zelf al een brief heeft geschreven en zijn leerlingen oproept om hetzelfde te doen had het de kracht van verdachtes standpunt verstevigd als verdachte een passende conceptbrief aan haar imam, die meer met het bijltje had gehakt, had gevraagd, en - dit overigens ten overvloede - hem had gevraagd hoe zij aan de adressen moest komen waarheen zij haar brieven zou kunnen zenden. 6.9 Ook het derde argument dat sjeik Fawaz "dit" niet heeft bevestigd wordt niet begrepen door de steller van het middel. Ik begrijp dit onderdeel van de overweging echter aldus dat sjeik Fawaz niet heeft bevestigd dat de verdachte - voorzover hem bekend - getracht heeft de beschikking te krijgen over een conceptbrief. Zij heeft niet de weg van de imam behandeld, maar dreigde zich integendeel naar de mening van de imam in een gevaarlijke positie te brengen als zij een strafzitting van de medeverdachte [betrokkene 5] zou bijwonen. 6.10 Uit het eerste tot en met het derde argument volgt weliswaar niet rechtstreeks dat verdachte de adressen van politici wilde bemachtigen om hen naar het leven te (laten) staan, maar deze argumenten zijn wel geschikt om te illustreren dat er grote vraagtekens kunnen worden gezet bij de uitleg die verdachte aan het apothekersgesprek heeft gegeven. Zij ondersteunen de beslissing van het hof dat het apothekersgesprek wel voor het bewijs gebezigd kan worden. 6.11 Een andere klacht vervat in het tweede middel, maar betrekking hebbende op de uitleg van de inhoud van het apothekersgesprek (eerste kwestie) luidt dat de verwerping van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van het 'apothekersgesprek' onbegrijpelijk is gemotiveerd, doordat het Hof daarbij heeft vastgesteld dat verdachte het initiatief heeft genomen om het gesprek te brengen op het onderwerp namen van bekende leden van de Tweede Kamer en zij in dit verband zelf enkele politici ter sprake heeft gebracht, onder wie een "zwart kankerwijf" - waarmee, zo begrijpt het Hof, Ayaan Hirsi Ali wordt bedoeld - en Van Aartsen, terwijl dit niet aan het gesprek kan worden ontleend. 6.12 De steller van het middel wijst erop dat niet verdachte, maar haar zus Hirsi Ali ter sprake heeft gebracht door - in antwoord op de vraag "er komen toch van die bekende mensen bij jou. (...) Wie dan?" - als eerste te spreken over een heel bekende vrouw die "bruin is en een kankerwijf". Verdachte heeft doorgevraagd naar deze persoon, waarna [betrokkene 1] is begonnen over onder anderen Van Aartsen. Dit strookt met de weergave van het gesprek in bewijsmiddel 13 (zie onder 3.5). Als niet de verdachte maar haar zus als eerste is begonnen over politici wordt de bedoeling die het hof aan verdachte in dit gesprek heeft toegedicht ook veel minder zeker. 6.13 De inhoud van bewijsmiddel 13 biedt derhalve geen steun voor de vaststelling dat verdachte het gesprek op de namen van bekende Kamerleden heeft gebracht. Haar zus heeft hiervoor de aanzet gegeven, door in grove bewoordingen Hirsi Ali en vervolgens bij naam Van Aartsen in het gesprek te introduceren. Voor zover het middel hierover klaagt, is dat terecht. Uit de uitwerking van het telefoongesprek blijkt echter wel dat verdachte het vissen naar bekende klanten van de apotheek heeft toegespitst op Kamerleden. Zij heeft specifiek gevraagd naar mensen "die met die zwarte vrouw werken" en is doorgegaan over "dat er veel mensen komen die daar werken in die kamer, [Nederlands:] Tweede [verder in het Berber:] kamer?", terwijl zij geen interesse heeft getoond voor de door [betrokkene 1] genoemde voetballer of vrouw van 'Vrienden voor het leven'. Verdachte heeft in dit verband als eerste de naam van Remkes genoemd en heeft, nadat [betrokkene 1] had prijsgegeven dat ook "die jonge man met haastanden" van de LPF in de apotheek komt, geprobeerd de adressen van politici en in het bijzonder die van Van Aartsen en Hirsi Ali te krijgen. Op grond hiervan heeft het Hof kunnen vaststellen dat verdachte in het gesprek blijk heeft gegeven van een eigen rol en interesse voor het verkrijgen van privé-adressen van Nederlandse politici en heeft het Hof het 'apothekersgesprek' om die reden redengevend kunnen achten voor het bewijs. De klacht leidt niet tot cassatie. 6.14 Volgens de steller van het tweede middel is de overweging dat uit de voor het bewijs gebezigde passage uit het 'apothekersgesprek' niet is af te leiden dat [betrokkene 1] die zou hebben geïnitieerd in opdracht van de AIVD ook onvoldoende gemotiveerd in het licht van de vaststelling door het Hof dat de AIVD de familie heeft gevraagd te spreken over "onder meer" de Hofstadgroep en radicale geloofszaken. De klaarblijkelijk aan dit bezwaar ten grondslag liggende stelling is dat het gesprek een inhoud heeft gekregen en een wending heeft genomen die zijn gedicteerd door de bemoeienis van de AIVD en die daarom niet ten nadele van verdachte kunnen worden uitgelegd. 6.15 Anders dan de steller van het middel kennelijk veronderstelt, is door het Hof niet vastgesteld dat de AIVD aan de familie heeft gevraagd om met verdachte te praten over onder meer de Hofstadgroep en radicale geloofszaken. Dit heeft [betrokkene 1] naar voren gebracht in één van de verklaringen op grond waarvan het Hof heeft aangenomen (louter) dat er contact is geweest tussen de AIVD en familie van verdachte en dat dat van invloed is geweest op het contact tussen verdachte en haar familie. Het Hof is niet gekomen tot een vaststelling van de inhoud van hetgeen de AIVD-medewerker met verdachtes familie heeft besproken - vandaar de verwijzing naar de instructies die [betrokkene 6] "naar eigen zeggen" van de AIVD heeft gekregen. Evenmin onbegrijpelijk is mijns inziens 's Hofs oordeel, dat uit het gesprek niet valt af te leiden dat de passage waarin verdachte informeert naar politici die in de apotheek komen en naar hun adressen is ingegeven door de wens van de familie van verdachte om haar aan de praat te houden en te achterhalen met wie ze omging of dat die is geïnitieerd door [betrokkene 1] in opdracht van de AIVD. Deze klacht is derhalve tevergeefs voorgesteld. MIDDELEN 3, 4, 5, 6, EN 7 - ALGEMENE INLEIDING 7.1 De middelen drie tot en met zeven richten zich tegen het gebruik voor het bewijs van getuigenverklaringen van de met elkaar gehuwde medeverdachten [betrokkene 9] en [betrokkene 10]. Van [betrokkene 9] is een vijftal bij de politie afgelegde verklaringen gebezigd in de bewijsmiddelen 1, 14, 19, 20, 27 en
- Van [betrokkene 10] is de verklaring die zij ter terechtzitting van de rechtbank van 25 oktober 2006 heeft afgelegd voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddel 2). De middelen klagen over de verwerping van gevoerde verweren tegen het gebruik van deze verklaringen en over de afwijzing van verzoeken strekkende tot toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen. 7.2 Voor zover de middelen drie tot en met zeven klagen dat het recht is geschonden en/of vormen zijn verzuimd doordien het hof verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 10] tot het bewijs heeft gebezigd wordt reeds hier vooropgesteld dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.
(24)7.3 Het hof heeft in de 'Nadere overwegingen ten aanzien van het bewezenverklaarde' omtrent de betrouwbaarheid van [betrokkene 9] en [betrokkene 10] het volgende overwogen: "De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi gemotiveerd de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 9] en [betrokkene 10] betwist en het hof verzocht hun verklaringen integraal buiten beschouwing te laten. De verdediging heeft betoogd - verkort en zakelijk weergegeven- dat de getuigen uit eigen belang onwaarheid hebben gesproken teneinde hun eigen rol kleiner te maken en plaatsing op de terroristenafdeling te voorkomen. De getuigen hebben ten onrechte verklaard uit angst voor en onder druk van de medeverdachten [betrokkene 5] en [medeverdachte] te hebben gehandeld. Op diverse thema's/onderdelen hebben zij wisselend of tegenstrijdig verklaard, zijn zij op eerdere verklaringen teruggekomen dan wel hebben zij deze aangepast nadat zij zijn geconfronteerd met de verklaringen van anderen op dat punt. Daarnaast heeft de verdediging er op gewezen, dat [betrokkene 9] eind december 2005 telefonisch contact heeft opgenomen met [verbalisant 2] en deze heeft laten weten dat hij alles had gelogen en dat het niet waar was hetgeen bevestigt dat zijn eerdere verklaringen onjuist zijn. Terwijl [betrokkene 10] door [verbalisant 3] geconfronteerd is met de verklaring van [betrokkene 9] over het schieten met een vuurwapen in een bos in Amsterdam, waarna [betrokkene 10] haar eerder op dat punt afgelegde verklaring aanpast. Indien het hof toch betekenis of waarde aan de verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 10] zou toekennen, heeft de verdediging het voorwaardelijk verzoek gedaan voornoemde verbalisant [verbalisant 2] als getuige te horen als ook de getuigen [betrokkene 14], werkzaam bij de Stichting [A] te Den Haag tegen wie [betrokkene 9] in het voorjaar van 2007 door [betrokkene 9] gebeld zou zijn met de mededeling dat hij tegen iedereen gelogen had en graag de waarheid zou vertellen bij voorkeur aan De Volkskrant, [betrokkene 15] en [betrokkene 13]. Het hof overweegt hieromtrent als volgt: De getuigen zijn verschillende malen uitgebreid door de politie gehoord. Tevens is [betrokkene 9] twee maal en [betrokkene 10] één maal in het bijzijn van óók de verdediging gehoord door de rechter-commissaris, waarna zij opnieuw ter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam zijn gehoord. Ter terechtzitting van het hof zijn [betrokkene 10] en [betrokkene 9] vervolgens opnieuw uitvoerig als getuige gehoord. Zowel de advocaat-generaal, de verdediging als de verdachte hebben daarbij voldoende gelegenheid gehad om de getuigen te ondervragen en desgewenst opmerkingen te maken ten opzichte van de door deze getuige afgelegde verklaring alsmede in te brengen wat tot verdediging kan dienen. De getuigen hebben ter zitting van het hof uitvoerig verklaard over wat zich in de periode van april 2005 tot en met hun aanhouding op 14 oktober 2005 in relatie tot de verschillende verdachten heeft afgespeeld. De getuigen hadden tijdens die verhoren slechts op een aantal punten moeite zich te herinneren wat er zich ten tijde van die periode precies had afgespeeld, maar hebben overigens helder aangegeven welke handelingen zij hebben verricht en waarom. Met de verdediging is het hof van oordeel dat de getuigen op een enkel punt bij de politie, de rechter-commissaris en de rechtbank verschillend hebben verklaard. Dat doet zich met name voor op het door de verdediging aangevoerde punt van de extra reis van de getuigen heen en weer naar België op 29 juni 2005. Het hof acht hetgeen de getuigen daarover ter terechtzitting van het hof hebben verklaard echter aannemelijk. Anders dan de verdediging kennelijk meent brengt het enkele feit dat verbalisant [verbalisant 3] bij gelegenheid van de eerste verhoren aan [betrokkene 10] passages heeft voorgehouden uit verklaringen van [betrokkene 9], niet zonder meer met zich dat alle latere door [betrokkene 10] afgelegde verklaringen van onwaarde zijn. In dit verband is van belang dat [betrokkene 10] door het hof, de advocaat-generaal en ook door de verdediging ondervraagd is kunnen worden naar de invloed van het handelen van [verbalisant 3] op haar verklaringen. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen van de getuigen [betrokkene 9] en [betrokkene 10] is van belang of die verklaringen op relevante onderdelen overeenstemmen met hetgeen andere getuigen verklaren of hetgeen overigens uit stukken, die zich in het dossier bevinden, blijkt. Nu de verklaringen van de getuigen in de kern waar het de tenlastegelegde gedragingen betreft - kortweg: -, consistent, authentiek, gedetailleerd, en overtuigend overkomen en bovendien op relevante onderdelen overeenstemmen met de inhoud van andere zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen waaronder verklaringen van andere getuigen en - op onderdelen - van de verdachte zelf, acht het hof deze betwiste verklaringen betrouwbaar en kunnen deze worden gebruikt voor het bewijs. In dit verband tekent het hof aan dat [betrokkene 9] in zijn 10e verhoor melding heeft gemaakt van de beschadigingen op de baby uzi alsof "er met iets op geslagen was". Op dat moment was het betreffende wapen spoorloos. Pas ongeveer een jaar later werd het wapen in de kelderbox behorende bij de woning van de medeverdachte [betrokkene 12] aangetroffen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [betrokkene 9] de hem getoonde baby uzi herkend aan de puntjes en heeft de voorzitter van rechtbank, nadat het wapen aan de rechtbank was getoond, opgemerkt dat de getuige iets heeft waargenomen "wat lijkt op weggeponste nummers". Het verzoek om de eerder genoemde getuigen te horen wordt afgewezen nu de noodzaak daartoe niet aannemelijk is geworden." MIDDELEN 3, 4, 5, 6 en 7 - BESPREKING 8.1 Het derde middel klaagt over 's hofs afwijzing van de verzoeken van de verdediging tot toevoeging aan het dossier van stukken uit de dossiers van [betrokkene 9] en [betrokkene 10] en/of het complete dossier in de zaak Piranha 2,
(25)althans inzage in dat dossier, alsmede van de verzoeken tot toevoeging van een observatieverslag, tapverslagen van gesprekken tussen [betrokkene 9] en [betrokkene 10] en het digitaal beslag onder [betrokkene 9]. 8.2 Op de regiezitting van 2 november 2007 heeft, zo blijkt uit het proces-verbaal, de raadsman zich aangesloten bij de onderzoekwensen die mr. Pestman en mr. Koppe, beiden raadsman van medeverdachten [medeverdachte] en [betrokkene 5], hebben geformuleerd in een appelschriftuur van 22 december 2006 en een faxbericht van 5 oktober 2007. De fax houdt onder meer in het verzoek om toevoeging aan het dossier van alle nieuwe stukken uit de dossiers van de strafzaken tegen [betrokkene 9] en [betrokkene 10]. Voorts heeft de raadsman van verdachte zelf ter zitting, overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities, onder meer verzocht om toevoeging aan het dossier van de stukken uit de tegen [betrokkene 9] en [betrokkene 10] aanhangige strafzaak. Daartoe heeft hij aangevoerd dat [betrokkene 9] en [betrokkene 10] thans worden vervolgd ter zake (soort)gelijke feiten als verdachte en dat de inhoud van die stukken van belang is voor de toetsing van de betrouwbaarheid van de (af te leggen) verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 10]. 8.3 Het hof heeft ter terechtzitting van 24 januari 2008 als volgt op het verzoek beslist: "Het verzoek van de verdediging tot toevoeging van alle nieuwe stukken uit de dossiers van de strafzaken van [betrokkene 9] en [betrokkene 10] wijst het hof af, nu onvoldoende is aangegeven welke stukken dit verzoek betreft en niet aannemelijk is geworden dat dit stukken betreft die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de verdachte in hetzij belastende hetzij ontlastende zin." 8.4 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 maart 2008 houdt onder meer in: "De voorzitter maakt melding van de volgende stukken: (...) - een brief van mr. Böhler d.d. 6 maart 2008, inhoudende, de navolgende verzoeken: - de toevoeging aan het dossier van: (...) - het dossier betreffende Piranha 2 of in ieder geval de verhoren bij de rechter-commissaris en de processen-verbaal van de verhoren ter terechtzitting; (...) - een faxbrief van mr. Nooitgedagt d.d. 9 maart 2008, inhoudende het verzoek de inhoud van de hierboven genoemde brief van mr. Böhler als herhaald en ingelast te beschouwen (...) (...) De raadsman mr. Nooitgedagt voert hierna het woord als volgt - zakelijk weergegeven -: (...) Voor wat betreft het verzoek tot toevoeging van stukken van de Piranha 2 zaak aan het dossier in onderhavige zaak volhard ik bij toevoeging van het gehele dossier. Ik acht toevoeging van - onder meer - de verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 10] als afgelegd in hun eigen zaak van cruciaal belang voor de onderhavige zaak. In eerste aanleg is reeds aangetoond dat deze verklaringen op belangrijke punten afwijken van de verklaringen afgelegd in de onderhavige zaak. Het is dan ook van wezenlijk belang voor de toetsing van de aard en de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze nog in de onderhavige zaak te horen getuigen dat het dossier deze eerder door hen afgelegde verklaringen bevat, teneinde [betrokkene 9] en [betrokkene 10] omtrent deze discrepanties te kunnen bevragen. Indien mijn verzoek wordt toegewezen verzoek ik het hof de stukken ter beschikking te stellen vóórdat [betrokkene 9] en [betrokkene 10] ter terechtzitting zullen worden gehoord. (...) Na onderbreking deelt de voorzitter mede dat het hof alvorens de getuige [betrokkene 11] te horen eerst de beslissingen van het hof op de verzoeken van de verdediging kenbaar zal maken. Bij monde van de voorzitter deelt het hof vervolgens het navolgende mede: (...) Het verzoek tot toevoeging van het Piranha 2 dossier aan het onderhavige dossier is reeds eerder door de verdediging gedaan. Het verzoek werd door het hof afgewezen met als motivering dat onvoldoende is aangegeven welke stukken dit verzoek betreft en niet aannemelijk is geworden dat dit stukken betreft die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de verdachte in hetzij belastende hetzij ontlastende zin. Het hof wijst het herhaalde verzoek van de raadsman om toevoeging van het gehele Piranha 2 dossier op dezelfde gronden als voornoemd af. Nu het heden ter terechtzitting door mr. Pestman nader onderbouwde verzoek naar het oordeel van het hof concreet en bepaald is,
(26)wijst het hof het verzoek tot toevoeging van het vonnis en de verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris van de Piranha 2 zaak toe, nu dit stukken betreffen die redelijkerwijs van belang kunnen zijn in voor de verdachte hetzij belastende hetzij ontlastende zin. Het hof zal de advocaat-generaal verzoeken dit -indien mogelijk- te realiseren voorafgaand aan het verhoor van [betrokkene 9] en [betrokkene 10] in de onderhavige zaak. Ten aanzien van het verzoek tot toevoeging van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg is het hof van oordeel dat de noodzaak daartoe niet aannemelijk is geworden. Het verzoek wordt daarom afgewezen. (...) Het gerechtshof (...) verzoekt de advocaat-generaal - alle getuigen verklaringen, afgelegd bij de rechter-commissaris in de Piranha 2 zaak en het vonnis in de Piranha 2 zaak, aan het dossier toe te voegen" 8.5 Blijkens het proces-verbaal van de zitting op 14 maart 2008 heeft zowel het hof als de raadsman van verdachte afschrift ontvangen van de verklaringen, afgelegd bij de rechter-commissaris inzake Piranha 2. Het proces-verbaal houdt voorts onder meer in: "Mr. Böhler krijgt hierop de gelegenheid namens haar cliënten aanvullende verzoeken en/of onderzoekswensen kenbaar te maken. Zij verzoekt daarbij - zakelijk weergegeven - het navolgende: (...) - toevoeging aan het dossier van het observatieverslag van het 'high-five' gebaar tussen de getuigen [betrokkene 9] en [betrokkene 10], nu uit het proces-verbaal van verhoor van [verbalisant 2] bij de rechter-commissaris op 2 april 2007 blijkt dat hiervan een dergelijk verslag is opgemaakt; - toevoeging aan het dossier van de tapverslagen tussen met name de getuigen [betrokkene 9] en [betrokkene 10] onderling; - toevoeging aan het dossier van het digitaal beslag van de getuige [betrokkene 9], nu de verdediging uit het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 16] bij de rechter-commissaris op 2 april 2007 afleidt dat er een dergelijk digitaal beslag is; - inzage in het Piranha 2-dossier, zodat de raadslieden kunnen aangeven welke stukken daaruit zij aan het onderhavige dossier toegevoegd wensen te zien; (...) De raadsman van de verdachte en de raadsman van de medeverdachte [betrokkene 19] sluiten zich bij bovengenoemde verzoeken en/of onderzoekswensen aan." 8.6 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 maart 2008 houdt - voor zover hier van belang - het volgende in: "De voorzitter deelt mede dat het hof de navolgende beslissingen heeft genomen op de aanvullende verzoeken en/of onderzoekswensen, zoals gedaan door mr. B. Böhler op de onderbroken terechtzitting van 14 maart 2008, bij welke verzoeken en/of onderzoekswensen de overige bij die terechtzitting aanwezige raadslieden zich hebben aangesloten: - het verzoek tot toevoeging aan het dossier van de bijlagen behorende bij het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 11] bij de rechtercommissaris op 5 april 2007 wordt toegewezen; - de verzoeken tot
- a)toevoeging aan het dossier van het observatieverslag van het 'high-five' gebaar tussen [betrokkene 9] en [betrokkene 10],
- b)toevoeging aan het dossier van de tapverslagen tussen met name [betrokkene 9] en [betrokkene 10] zelf,
- c)toevoeging aan het dossier van het digitale beslag - voor zover dat bestaat - zoals dat onder [betrokkene 9] in beslag is genomen,
- d)verlening van inzage in het volledige Piranha 2-dossier en
- e)(...), worden afgewezen, nu de noodzaak van deze verzoeken voor enige door het hof te nemen beslissing niet aannemelijk is geworden. Mede door de vele reeds toegevoegde nadere stukken, is het hof van oordeel dat voldoende informatie beschikbaar is om te kunnen beslissen op voorliggende vragen." 8.7 Ter zitting van 5 september 2008 heeft verdachtes raadsman, overeenkomstig zijn overlegde en in het dossier gevoegde pleitnotities, het verzoek herhaald in voorwaardelijke vorm. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd: "Het Openbaar Ministerie is verplicht stukken "die redelijkerwijs van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin, hetzij van belang zijn bij de beoordeling van de rechtmatigheid of betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal of anderszins van belang zijn voor de beantwoording van een van de vragen van de art. 348 en 350" aan het dossier toe te doen voegen. Deze verplichting is zonder meer in het belang van de waarheidsvinding en de verdediging. (...) In de zaak Jespers tegen België overwoog het ECRM: "Article 6, par. 3 (
- b)recognises the right of the accused to have at his disposal, for the purposes of exonerating himself or of obtaining a reduction in his sentence, all relevant elements that have been or could be collected by the competent authorities. The Commission considers that, if the element in question is a document, access to that document is a necessary "facility" if as in the present case, it concerns acts of which the defendant is accused, the credibility of testimony, etc." (...) Voor wat betreft het dossier in het onderzoek "Piranha 2", de strafzaak tegen [betrokkene 10] en [betrokkene 9], verkeren de verdediging en uw Hof in grotere duisternis. Wij weten dat er een dossier is maar de inhoud daarvan wordt ons grotendeels onthouden. Het gaat om het dossier van de medeverdachten terzake dezelfde vermeende organisatie. Kroongetuigen tegen de verdachten in deze zaak, Piranha I. Pas bij faxbrief van 12 maart 2008 hebben wij, op verzoek van de verdediging en op last van uw Hof, verklaringen mogen ontvangen die bij de RC in de strafzaak Piranha II zijn afgelegd. Overige stukken, waaronder in het bijzonder verklaringen afgelegd door [betrokkene 10] en [betrokkene 9] en eventuele onderzoeksbevindingen zijn, ondanks verzoeken van de verdediging, niet verstrekt. Dat deze RC verklaringen van groot belang bleken te zijn voor enige door uw Hof te nemen beslissing, zal hierna nader aannemelijk worden. Dat dit Piranha II dossier meer stukken bevat is evident en blijkt bijvoorbeeld uit de verklaringen van [verbalisant 2] en van [verbalisant 4], dat er observaties en tapgesprekken zijn: "uit de tap bleek dat ze ([betrokkene 10]) veel gesprekken had met [betrokkene 9] ". Er bestaan dus observaties en veel tapgesprekken tussen beide kroongetuigen. Op die manier zijn gegevens met betrekking tot twee cruciale getuigen aan uw Hof en de verdediging onthouden. Gegevens die van belang zijn voor de toetsing van de betrouwbaarheid van de door hen afgelegde verklaringen. De door de Advocaat-Generaal ingenomen stelling dat de verdediging voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om de betrouwbaarheid van deze getuigen te toetsen en te laten toetsen indien deze als getuigen ter terechtzitting worden gehoord, miskent het voorgaande en het belang van informatie om die betrouwbaarheid, ook tijdens een verhoor, door middel van confrontatie te toetsen. Wij komen in dit licht dan ook tot het voorwaardelijke verzoek om, indien uw Hof tot enige bewezenverklaring zou komen en daartoe enig bewijsmiddel afkomstig uit het (...) Piranha II dossier danwel de door [betrokkene 9] of [betrokkene 10] afgelegde verklaringen wenst te bezigen, te bepalen dat het (...) gehele Piranha II dossier aan het dossier wordt toegevoegd en dat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld zich daarover uit te laten. Want leden van het Gerechtshof, het zou zomaar kunnen dat deze getuigen in hun eigen strafzaak verklaringen hebben afgelegd die haaks staan op de verklaringen die zijn afgelegd in deze zaak." 8.8 In het bestreden arrest is dit verzoek afgewezen, onder de volgende motivering: "De verdediging heeft het hof bij pleidooi verzocht - verkort en zakelijk weergegeven - om aan het strafdossier van de verdachte toe te voegen (...) het complete strafdossier in de Piranha II zaak of alle door [betrokkene 9] en [betrokkene 10] afgelegde verklaringen, wanneer het hof enig bewijsmiddel uit die dossiers voor het bewijs zou bezigen. Naar het oordeel van het hof is voornoemd verzoek te algemeen en onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd om te kunnen oordelen dat waarom gevraagd wordt, stukken zijn die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de verdachte in hetzij belastende hetzij ontlastende zin. In dit verband is van belang dat er lopende het onderzoek in hoger beroep op verzoek van en/of door tussenkomst van de verdediging inmiddels de nodige stukken in het strafdossier van de verdachte zijn gevoegd waarvan wel aannemelijk is geworden dat die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de verdachte in hetzij belastende hetzij ontlastende zin. Het verzoek wordt daarom afgewezen." 8.9 De aan dit verzoek verbonden voorwaarde is vervuld, nu het hof verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 10] tot het bewijs heeft gebezigd. 8.10 Volgens de steller van het middel heeft het hof de afwijzing van de verschillende, hierboven weergegeven verzoeken, gelet op hetgeen daartoe is aangevoerd, telkens onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd. 8.11 Ten aanzien van verzoeken tot het toevoegen van stukken en het verlenen van inzage is onder meer van belang de vraag of het om processtukken gaat. Voor zover het stukken betreft die van invloed kunnen zijn op het bewijs moet worden aangenomen dat - behoudens de bevoegdheid van de verdediging om harerzijds stukken in het geding te brengen en het bepaalde in artikel 414 Sv - de officier van justitie de stukken behelzende de resultaten van het opsporingsonderzoek aan het dossier toevoegt. Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek komt die verantwoordelijkheid toe aan de rechter-commissaris, tijdens het onderzoek ter terechtzitting aan de rechter. In het dossier dienen te worden gevoegd stukken welke redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin.
(27)Als de verdediging de betrouwbaarheid van enig bewijsmiddel aanvecht, dient zo een verweer te worden onderzocht. De verdediging moet in beginsel kunnen kennisnemen van stukken die nog niet tot de processtukken behoren, wanneer die kennisneming van belang is voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal.
(28)Ter terechtzitting gedane verzoeken tot het toevoegen van en het verlenen van inzage in stukken welke buiten het eigen opsporingsonderzoek zijn opgemaakt, zijn verzoeken in de zin van artikel 328 Sv om toepassing te geven aan artikel 315 Sv.
(29)Die bepalingen ook in hoger beroep van toepassing (art. 415 Sv). De maatstaf waaraan de rechter dergelijke verzoeken moet toetsen is of van de noodzaak van het verzochte is gebleken. 8.12 De in casu gedane verzoeken tot toevoeging aan het dossier van het complete Piranha 2-dossier, althans inzage in dat dossier, dan wel toevoeging aan het dossier van een observatieverslag, tapverslagen en een digitale beslag afkomstig uit het onderzoek Piranha 2 zijn verzoeken die aan de maatstaf van de noodzakelijkheid van art. 315 Sv dienen te worden getoetst. De onder 8.4, 8.6 en 8.8 weergegeven overwegingen van het hof geven geen blijk van toepassing van een onjuiste maatstaf.
(30)De afwijzingen zijn mede gebaseerd op de overweging dat reeds de nodige stukken in het dossier zijn gevoegd. Hiermee heeft het hof kennelijk bedoeld alle in het Piranha 2-onderzoek bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van getuigen, mede op basis van welke stukken het hof zich voldoende voorgelicht heeft geacht om te kunnen beslissen op voorliggende vragen. Deze beslissing is, gelet op het feit dat de onderbouwing van de verzoeken geen concrete aanwijzingen bevat dat ook overige stukken uit Piranha 2 van belang zijn in de context van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 10], en in aanmerking genomen de beslissingsvrijheid die de feitenrechter toekomt, niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering.
(31)Het middel faalt. 9.1 Het vierde middel klaagt over de afwijzing van de (herhaalde) (voorwaardelijke) verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen [verbalisant 2], [betrokkene 14]
(32), [betrokkene 18] en [betrokkene 13]. 9.2 Ter terechtzitting van 15 april 2008 heeft de raadsman, overeenkomstig de overgelegde en aan het proces-verbaal van de zitting gehechte pleitnotities, het navolgende verzoek tot het horen van de verbalisant [verbalisant 2] gedaan: "Wij hebben de "kroongetuigen" [betrokkene 10] en [betrokkene 9] gehoord. De verklaring van verbalisant [verbalisant 2], als afgelegd bij de RC in Piranha 2, roept nadere vragen op die van groot belang zijn. "Wij k