Nr. 09/04300 Mr Jörg Zitting 8 maart 2011 Conclusie inzake: [Verzoeker = verdachte]
(4)en algemeen toegankelijk en betreffen daarmee feiten van algemene bekendheid. In cassatie kan dan ook niet met vrucht worden geklaagd over een onjuiste toepassing van die oriëntatiepunten, tenzij toepassing van die richtlijnen verbazing zou wekken. Nu ik reeds hiervoor tot de conclusie ben gekomen dat de strafoplegging van het hof mij niet juist voorkomt, kan ik de vraag of deze verbazing wekt laten rusten. Onder de "voorts verrekende omstandigheden" komen inderdaad wel omstandigheden voor die nadere uitwerkingen vormen van de in aanmerking genomen omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde hennepkweken zijn begaan en die daarmee verband houden, hoewel verzoeker dit ontkent. In zoverre is de straf niet onjuist gemotiveerd. 22. Het vierde middel klaagt over 's hofs verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien van de tenlastegelegde periode met betrekking tot de [a-straat 1a] te Rijen (bewezen verklaard onder 1 parketnummer 02-620236-07). 23. Blijkens de toelichting doelt het middel op de navolgende overweging van het hof. "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs [a-straat 1a] te Rijen (feit 1 parketnummer 02-620236-07) De advocaat-generaal heeft tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde gerekwireerd. De verdediging heeft bepleit dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Met betrekking tot bewezen verklaring van het subsidiair ten laste gelegde is gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daartoe is, op gronden zoals in de pleitnota vervat, zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd. - De hennepkwekerij werd geëxploiteerd door [betrokkene 3] en verdachte kan zo mogelijk slechts worden verweten dat hij medeplichtig is geweest door het pand beschikbaar te stellen. - Verdachte heeft zich kwetsbaar opgesteld door in zijn tweede verklaring bij de politie te verklaren dat de hennepkwekerij niet drie weken maar een jaar in het pand heeft gezeten. Daarom zou aan hem het voordeel van de twijfel moeten worden gegeven voor wat betreft de aard en de omvang van zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij. - De ten laste gelegde periode kan niet kloppen, nu op 11 juni 2006 een orgeldag heeft plaatsgehad in het pand en de medeorganisator [betrokkene 4] tijdens die dag niets vreemds is opgevallen. Het hof oordeelt als volgt. Het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep hebben geen enkel aanknopingspunt opgeleverd voor het bestaan van de door de verdachte zo genoemde [betrokkene 3]. Naar het oordeel van het hof is de verklaring van verdachte op dit punt dan ook niet aannemelijk geworden en hecht het hof daaraan geen geloof. De omstandigheid dat verdachte zich kwetsbaar heeft opgesteld door te verklaren dat de hennepkwekerij niet drie weken maar een jaar in het pand heeft gezeten, dwingt naar het oordeel van het hof niet tot de conclusie van de raadsman om verdachte het voordeel van de twijfel te geven voor wat betreft de aard en de omvang van zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij. Voor wat betreft de ten laste gelegde periode is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat de mede door [betrokkene 4] georganiseerde orgeldag op 11 juni 2006 in het pand plaatsvond, niet uitsluit dat de hennepkwekerij eerder (en daarna) aanwezig was. Het is namelijk niet uitgesloten dat de orgeldag in één deel van het pand heeft plaatsgevonden, terwijl de hennepkwekerij zich in (een) ander(
- e)de(e)l(
- en)van het pand bevond(en). Het hof verwerpt de door de raadsman gevoerde verweren. Gelet op bovenstaande in combinatie met de voornoemde vaststaande feiten met betrekking tot de kwekerij in het pand [a-straat 1a] te Rijen is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in dit pand een hennepkwekerij heeft gehad." 24. Anders dan de steller van het middel vind ik de verwerping van het verweer door het hof, in het bijzonder gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, niet onjuist, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Blijkens de pleitnotities heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep van 28 januari 2009 ter zake aangevoerd dat uit de op voorhand aan het hof en de advocaat-generaal toegezonden verklaring van [betrokkene 4] omtrent de draaiorgeldag op 11 juni 2006 met bijbehorende foto's volgt dat het niet aannemelijk is dat er vóór 12 juni 2006 een hennepkwekerij is opgebouwd. Voornoemde verklaring en foto's zijn als productie bij de pleitnotities gevoegd. Meer heeft de raadsman ter zake niet aangevoerd. Het hof heeft het verweer verworpen door te overwegen dat de omstandigheid dat de mede door [betrokkene 4] georganiseerde draaiorgeldag op 11 juni 2006 in het pand plaatsvond, niet uitsluit dat de hennepkwekerij eerder (en daarna) in het pand aanwezig was. Immers, niet uitgesloten is dat de draaiorgeldag in de ene ruimte heeft plaatsgevonden, terwijl de hennepkwekerij zich in een ander deel van het pand heeft bevonden. Door aldus te overwegen heeft het hof het verweer op toereikende gronden en voldoende gemotiveerd verworpen. Dat, zoals de steller van het middel aanvoert, uit de verklaring van [betrokkene 4] zou blijken dat alle deuren open stonden en er zeker 80 mensen in het pand hebben rondlopen, maakt nog niet dat het onmogelijk is geweest, zoals het hof terecht heeft overwogen, dat elders in het pand een hennepkwekerij was gevestigd. Het zou anders zijn geweest als de raadsman had aangevoerd dat het gehele pand aan de [a-straat 1a] te Rijen bestond uit één grote ruimte alwaar de draaiorgeldag had plaatsgevonden en als hij dit met foto's had kunnen onderbouwen. Op de door de raadsman bij zijn pleitnotities gevoegde foto's zijn enkel draaiorgels te zien en is niets af te leiden over de grootte en indeling van het gehele pand. 25. Het middel faalt. 26. Het eerste, het tweede en het vierde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Het derde middel slaagt. 27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, doch uitsluitend voor wat betreft de straftoemeting en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Vgl. HR 2 november 2004, LJN AQ8466, NJ 2005, 274; HR 27 november 2001, LJN AD4286. 2 Cf. zijdelings ook HR 6 februari 2001, LJN ZD2390, NJ 2001, 184. 3 HR 3 december 2002, LJN AE8838, NJ 2003, 570, HR 6 mei 2003, LJN AF5448 en HR 7 september 2004, LJN AP1515. 4 Op de site www.rechtspraak.nl. Hierop valt te lezen dat de oriëntatiepunten zijn vastgesteld om aan te geven waarop de rechter zich kan oriënteren (cursivering, NJ) bij de oplegging van de straf.