Nr. 10/04252 U Mr. Vellinga Zitting: 22 maart 2011 Conclusie inzake: [De opgeëiste persoon]
(1)tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname heeft kunnen afstemmen op de aard en mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in Suriname, terwijl sedertdien die verdragsrelatie is gecontinueerd. Daarom dient ook in het onderhavige geval uitgangspunt te zijn dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op de genoemde Overeenkomst, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, LJN AE5288, HR 7 september 2004, LJN AP1534, NJ 2004, 595).
- Het voorgaande betekent dat de rechter bevoegd is te oordelen over het verweer dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan een risico van een flagrante schending van art. 6, eerste lid, EVRM.
- Voor zover het oordeel van de Rechtbank aldus moet worden begrepen dat het oordeel over schending van mensenrechten in de verzoekende staat is voorbehouden aan de Minister van Justitie ook voor zover het gaat om dreigende flagrante schending van mensenrechten heeft de Rechtbank dit oordeel van de Hoge Raad miskend.
- Voor zover de Rechtbank er aan is voorbijgegaan dat niet louter een beroep is gedaan op te verwachten schending van mensenrechten in de verzoekende staat maar ook op dreigende flagrante schending van mensenrechten zoals schending van het door art. 6 lid 1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft de Rechtbank verzuimd op het beroep op die schending gemotiveerd te beslissen.
- Het voorgaande brengt mee dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand kan blijven.
- Het middel slaagt.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop bestreden beslissing zou dienen te worden vernietigd.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot bepaling van een dag voor de feitelijke behandeling. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Trb. 1995,
- Bij deze Overeenkomst hoort het Protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake de op 27 augustus 1976 te 's-Gravenhage tot stand gekomen overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken (Trb. 1993, 87).