Nr. 10/04305 Mr. Vellinga Zitting: 22 maart 2011 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1), voor zover inhoudende dat hij de datum in 2010 niet eerder had gehoord, alleen in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van verdachtes verhaal over zijn reis. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld heeft het Hof bedoelde opmerking van verdachtes raadsman dus niet gebezigd als bewijsmiddel. Het Hof heeft die opmerking slechts zijdelings aangehaald om erop te wijzen dat de door het Hof aangenomen ongeloofwaardigheid van verdachtes reisverhaal strookt met hetgeen diens raadsman ter terechtzitting heeft opgemerkt over hetgeen de verdachte hem te dien aanzien had verteld. Kennelijk gaat het hier dus niet om een overweging waarop het oordeel van het Hof over de (on)geloofwaardigheid van verdachtes reisverhaal steunt.
- Ten slotte wordt nog geklaagd dat het Hof nader had moeten motiveren waarom het van oordeel is dat het verhullen van een reis naar de Dominicaanse Republiek de bewezenverklaring ondersteunt. Nog daargelaten dat hetgeen het Hof te dier zake heeft overwogen de bewezenverklaring niet ondersteunt - ik wijs op hetgeen ik hiervoor onder 12 en 13 heb uiteengezet - berust deze klacht op onjuiste lezing van het arrest van het Hof. In het licht van hetgeen het Hof in zijn nadere bewijsoverweging over de reis naar de Dominicaanse Republiek overweegt heeft het Hof hier het oog op het doel van verdachtes reis naar de Dominicaanse Republiek, te weten naar verdachtes zeggen het bijwonen van het huwelijk van zijn dochter, niet op de reis naar de Dominicaanse Republiek.
- Het middel faalt.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Het Hof spreekt in zijn nadere bewijsoverweging per abuis van raadsvrouw.